*Dit namelyk was door den heer
Thorbecke beweerd. Misschien
heeft hy zich anders uitgedrukt dan z'n bedoeling was, schoon de dorheid dezer
meening geheel strookt met de wyze waarop hy zich in andere opzichten deed
kennen.
Hoe dit zy, ik beweer geenszins dat
de Kunst by den Staat in
den kost moet besteed worden. Officieele broeiery houd ik voor nadeelig. (blzz.
77 en 90, III.) Maar wel is 't de plicht der Regeering
kunst en
schoonheidsgevoel optenemen in den kring van
staathuishoudkundige
gegevens. Dit wordt ook door de economisten te veel over het hoofd gezien,
en 't is wel treurig dat men, naast den boer die 'n aardappel heeft... laten
groeien, zoo heel nederig een plaatsje vragen moet voor den artist die dan toch
óók
waarde heeft voortgebracht. De enorme prysverhooging
die 'n stuk yzer ondergaat door het te veranderen in horlogeveeren, is bekend.
Toch is de daaraan besteedde arbeid grootendeels slechts van fabriekmatigen
aard. Ik dring aan op staathuishoudkundigen eerbied voor de inspanning van den
kunstenaar, in wiens voortbrengsels het verschil der waarde van grondstof en
bewerkt artikel veel grooter is.
En ook in andere opzichten is de barre
opinie van den heer
Th. te veroordeelen. Geest, smaak, kunstgevoel, genialiteit
- 't woord wordt heden-ten-dage allertreurigst misbruikt - en zelfs
genie... al die hoedanigheden bevinden zich tegenwoordig waarlyk niet in
bloeienden toestand. Mag nu 'n minister zyn officieel standpunt misbruiken, om
een minachtend stempel te zetten op de vooroordeelen der Kappelluî?
‘Kunst is geen Regeeringszaak’ zegt gy - koffi en suiker
wèl, niet waar? - welnu, Mr.
Thorbecke, ik hield altyd het
regeeren voor iets zeer moeielyks, doch naar de wyze waarop
gy u afmaakt
van die taak, kom ik tot de overtuiging dat uw regeeren - zóó
regeeren - geen Kunst is. (1872)