terug  begin  verderprepost

503.

Alles ondergaat aandoening. Maar niet alles ondergaat die met bewustzyn, 't welk op zichzelf ook aandoening is. En de

[p. 202]

individuen die bewustzyn hebben van de affectie, verschillen in de maat, in de logische continuïteit, in 't besef van dat bewustzyn, in macht en bekwaamheid tot regeling van de aandoeningen. Zeker zyn er nog meer verschillen, maar die heb ik hier niet noodig.

Men kan zich elke eenheid, van 'n denkbeeldig atoom af * tot den mensch toe, voorstellen als een werf-depôt waar zich voortdurend recruten aanmelden.

By sommige depôts is de boêl zoo slecht ingericht, dat er niemand notitie neemt van 'n nieuweling.

By andere individuen - of eenheden, uit stof-individuen samengesteld - worden de recruten aangenomen met onverschilligheid. En de maat van bewustzyn is moeielyk te bepalen. Hiermeê bedoel ik het opvangen van aandoeningen door planten en sommige dieren.

Wat hooger weer, worden de recruten ingeschreven, geboekt... maar niet in 'n behoorlyk register. Ook wordt er geen zorg gedragen dat de bruikbare recruten in dienst blyven. Als ze - verlokt door hooger premie - door meer attractie of affiniteit (172) - neiging hebben zich elders te verbinden, is er niets dat hen weêrhoudt.

By 'n ander soort van werf-bureaux worden de aandoeningen die zich voordoen als recruut, wèl opgenomen met bewustheid, wèl ingeschreven, wèl verplicht tot blyven, maar... men verzuimt

[p. 203]

ze afterichten tot soldaten, of - erger nog - men richt ze verkeerd af. Het ideaal van volkomenheid is: veel flinke gezonde recruten te ontvangen, aantenemen, inteschryven, aan zich te verbinden, te vormen tot goede krygslieden, en daarna hen te gebruiken in een rechtvaardigen en goed bestuurden oorlog.

 

De naam van den recruut die zich elke seconde by ons aanmeldt, is: gevoel. Het is onze plicht hem opteleiden tot flink soldaat, dat is tot: gevoelen, meening, opinie.

*Ik zie dat de chemici weder beginnen te spreken van atomen. Ik zeg: weder, want het is 'n revenant-verschyning. Zy mogen dit niet, en elke slotsom waartoe ze - met behulp van aether, nota bene! - geraken, na te zyn uitgegaan van iets ondeelbaars, is fantazie, als 't punt van uitgang zelf. Komiek is 't, dat ze aan die atomen den bolvorm toekennen. Een bol heeft omtrek, middellyn, middelpunt. Men kan hem snyden, deelen, kubeeren enz. Dit alles veronderstelt: uitgebreidheid. Een chemisch atoom is dus - 't moet naar den zin des woords, ondeelbaar zyn - eene uitgebreidheid zonder uitbreiding. En dan die kinderachtige aether, de stof die geen stof is, maar toch de stoffelyke functie verricht van 't vullen der ruimte tusschen de atoom-bolletjes! 't Is al te gek. De heele zaak is dan ook slechts de onöprechte omschryving van een graag vermeden: nescimus. Niet weten is nader aan de waarheid dan verkeerd weten.
Het woord ‘denkbeeldig’ in den tekst, behoorde eigenlyk pleonastisch gevonden te worden. Ik durf het evenwel niet weglaten. Uit het bovenstaande ziet men, dat er veel voorzichtigheid noodig is. Het woord atoom is 'n uitdrukking die alleen in bespiegelende wysbegeerte mag gebruikt worden. Voor den scheikundige blyve het een kettersche klank. Hy is dit verplicht aan de eer van z'n wetenschap, die van scheiden haar naam ontleent. Wie aan atomen gelooft, moet eo ipso genoegen nemen met halve, kwart, enz. atomen, waaruit blykt dat z'n geloof ongeloof is. (1872)
prepostterug  begin  verder