genden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat ‘die jongen’ zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon.
Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.
- Femke... Femke!
- Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan...
Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.
Het ‘huis’ Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. *Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier woû doen, sprak de a uit als eene. Dat gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.
Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding.
- Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
- O, moeder, moeder... Femke!
- De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens.
En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
- Ze zouden haar wegdragen... al draaiende... altyd in de rondte... en ze sloot zich aan den rook die opstygt... opstygt... dochter van de zon, beslis... hier is Telasco... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa... Femke, o god, blyf, blyf... ik zal op de bleek passen... ik zal de hinde schieten... blyf, Femke, blyf... een weduwnaar met god... samen door de ivoren poort... daar gaat ze weêr... alléén... omhoog... Omikron, blyf!
- Als we eens den domine lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft... of beide.
En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:
- Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig is... Wouter is ziek.
Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzame invloed had op Wouter's gemoed. Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van 't kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging, genot noodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Dat straffen - met of zonder Heer dan - niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter...
- Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier heeft eene bruine beer om z'n hals...
Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waar-
heidlievende personen die in 't geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.
- Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude... dat Woutertje ziek is, meen ik... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny... er moet toch zout wezen... en maak 'n praatje... 't is niet om te praten, weetje... je weet, ik hou niet van praterigheid... 't is maar, weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want 't is m'n 'n man... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet... maar ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny.
Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. Alas, poor mankind!