De avend is dáár. Leentje past op Wouter, en 't huis Pieterse is present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.
- 't Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?
- Gut m'nheer... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan Sertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje... een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis... en ik zeg al zoo tegen Mina! gooi 'r toch de deur uit... en toe zei Petró...
- Nou... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en toonde een blauwen plek aan de pols, waaruit ik zou besluiten dat Femke háár had beet gehad.
- Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar verleeren!
- En ik, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel
meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam nu niet zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
- Een gemeene meid, m'nheer!
- Een heele gemeene meid!
- O, zoo'n gemeene meid!
- En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
- Ja, dat was moeielijk...ik zei...
- Né moeder... ik zei...
- Né, ik!
- Né, ik!
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't middelpunt der gebeurtenissen die 'r werden verhaald.
- Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing...
't Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.
- Nu dan, wy zeiden... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
- Moeder... ik zei... dat het schande was.
- Ja dat heb ik ook gezeid. Nu... toen vroeg dat schepsel koud water... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de pomp... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde, of 't haar jongen was, m'nheer! Nu, 't kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen... verbeelje, daar we by waren!
- Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
- En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met Wouter...
- Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing hebben.
- En eindelyk ging ze heen... en ze liep als een prinses.
- Net 'n prinses... betuigde de meisjes, die niet wisten dat ze waarheid zeiden.
- En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat zal mis wezen...
Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op... och ja, de katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Zy gevoelde dat de ster van haar discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat 'n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
- Mynheer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas... van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen... maar u begrypt wel... als men vader is... nu, alle zegen komt van boven!
- Ja oom, er is een verrassing.
- Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen heer... op den heugelyken dag van zyn verjaren... brengt ons in de stemming van den Psalmist... en ik verheug my door de genade... want mynheer... alles komt van boven... dat zal uwe ook wel weten.
- Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
- Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen. 't Is wat je noemt... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
- Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen king eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men 't eens, ditmaal.
- Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?
- Ga je gang, nicht. Wat is het?
- Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet... want hy is me te na... maar 't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te roemen... alles komt van boven... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n lippen te drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neêr, en speelde met den ondersten knoop van z'n vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op 'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op 'n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel, adept-clowns in de kermistent des Heeren, pierrots van de onanie.
- Dus, mynheer, 't is niet om te roemen... haal 't maar voor den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen... 't is mooi! Want ziet u, in de Schrift...
Klaas haalde z'n vers voor den dag.
... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van weduwnaars... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen...
Klaas legde 't vers voor zich op tafel.
...vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
- Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw Laps.
- Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer... zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en begon:
- Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe.
- Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
- Merk op, mynheer, dat het vers en 't kapittel beide tweeen-twintig zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
- Hé? vroeg jufvrouw Laps.
- Ja, dat wil zeggen: majesteit, legde de Katechiseermeester uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
- By... wat? vraagde jufvrouw Pieterse.
- Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...
- De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en staan niet om-en-om.
- Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester bent... maar dàt kan my nu niet schelen. Ik vind die by... by... by... hoe zal ik zeggen?
- Jufvrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.
- Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort Klaas!
- Neen, zulke dingen wil ik niet hooren...'t is om de meisjes.
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.
- Ga voort, Klaas!
- Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten...
- Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten tegen 't woord des Heeren?
- Né...ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk is. Myn man...
- Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw... maar uwe zal toch niet tegen de Schrift...
- Ik doe niets tegen de Schrift... maar ik houd niet van gemeenigheid. Kom, Sertrude...
Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger dingen uit die Schrift geslikt, zonder de minste walging. Maar 't verhuizen van een zystraat naar 'n hoofdstraat... en kinderen met fransche namen... en 'n dokter met bont op z'n koetsier... och, 't is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.
Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weer terug viel in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by groot en klein gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straat- kansel- of hoftaal, maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens ‘fatsoen’ bewys noodig heeft.
Wie niet te vies is om waarheid optevangen, al klinkt ze onschoon, kan weten hoe 't gemeen een dagelyksch scheldwoord maakt van 't burgerschap in een verbrande stad. Och... 't is sans conséquence! Ik heb 't op straat hooren zeggen door en tot kleine meisjes, die er toch volstrekt niet aan dachten op hoeveel manieren men zich kan bezondigen aan een engel. Zy gebruikten dat woord nog wel zonder 't ‘met permissie’ waarmeê men anders 'n vuiligheid meent te verschoonen. Neen ‘permissie’ is niet noodig in dien stand. De kleinste mondjes laten zonder scheuren de grootste woorden door, en ook de kleinste oortjes vangen die op, zonder veel pyn. Zoo'n bybelsch scheldwoord voelt zich thuis op straat.
Wat hooger volgt de klasse van 't pietersensfatsoen, dat zich te handhaven heeft in z'n niet onbetwisten rang.
Maar, nòg hooger? O, daar verandert de zaak! Men staat den Heere na genoeg, om Zyn taal te spreken, en al gebruikt men die niet tot scheldwoorden, de bybel biedt overmaat van gelegenheid om zich te voorzien van 't allertriviaalste, ter inkleeding van orthodoxe femelary. Het is een fout in 't portret van Droogstoppel, dat ik hem z'n dochtertje laat dwingen de geschiedenis van de jufvrouwen Loth voortelezen. Dat doet
geen fatsoenlyke makelaar. Zulke dingen hooren thuis in 'n steeg of in 't voorhout, in een pottekelder of op de heele fatsoenlyke keizersgracht. De middelstand staat niet hoog genoeg, of acht zich niet hoog genoeg, om mèt den Heer onfatsoenlyk te zyn, en toch rekent zich dien stand te-hoog om gemeen te wezen zonder dien Heer. Ziehier dus een van de vele errata die verbeterd moeten worden in den Havelaar. De lezer gelieve die - en andere! - te verbeteren in margine der strafregisters van Marie en den auteur.