|
|
|
| |
521.
De avend is dáár. Leentje past op
Wouter, en 't huis Pieterse is present by den jarigen
weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.
- 't Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige
oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?
- Gut m'nheer... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan
Sertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje... een vreemd
schepsel, zoo maar baasspelen in je huis... en ik zeg al zoo tegen
Mina! gooi 'r toch de deur uit... en toe zei
Petró...
- Nou... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere
Petró, en toonde een blauwen plek aan de pols, waaruit
ik zou besluiten dat Femke háár had beet
gehad.
- Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar
verleeren!
- En ik, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel
| | | | meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam nu niet
zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
- Een gemeene meid, m'nheer!
- Een heele gemeene meid!
- O, zoo'n gemeene meid!
- En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
- Ja, dat was moeielijk...ik zei...
- Né moeder... ik zei...
- Né, ik!
- Né, ik!
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't
middelpunt der gebeurtenissen die 'r werden verhaald.
- Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht
blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing...
't Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd
uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.
- Nu dan, wy zeiden... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
- Moeder... ik zei... dat het schande was.
- Ja dat heb ik ook gezeid. Nu... toen vroeg dat schepsel koud
water... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de
pomp... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte... en maakte een doek
nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over zooveel
brutaligheid. En ze huilde, of 't haar jongen was, m'nheer! Nu, 't kind kwam
by, en toen gaf ze hem een zoen... verbeelje, daar we by waren!
- Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
- En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met
Wouter...
- Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte
jufvrouw Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing
hebben.
- En eindelyk ging ze heen... en ze liep als een prinses.
- Net 'n prinses... betuigde de meisjes, die niet wisten dat ze
waarheid zeiden.
- En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je
begrypt, dat zal mis wezen...
Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op... och ja, de
katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in.
Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Zy gevoelde dat de ster van haar
discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat Klaasje
meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve
katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat 'n stem...
en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes! | | | |
- Mynheer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op
den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas... van wien u wel
gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen... maar u begrypt wel...
als men vader is... nu, alle zegen komt van boven!
- Ja oom, er is een verrassing.
- Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen
heer... op den heugelyken dag van zyn verjaren... brengt ons in de stemming van
den Psalmist... en ik verheug my door de genade... want mynheer... alles komt
van boven... dat zal uwe ook wel weten.
- Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er
een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
- Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen. 't Is wat je noemt...
frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen... en daarom
zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
- Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te
wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen king eens had moeten
verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men 't eens,
ditmaal.
- Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de
verrassing?
- Ga je gang, nicht. Wat is het?
- Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester.
Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet... want hy is me te na... maar
't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te roemen... alles komt
van boven... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den
Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n
lippen te drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neêr, en speelde met den ondersten knoop van
z'n vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in
dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op 'n verfrommeld
papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op 'n gebruikt servet... neen,
op ongaar brood...
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een
christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de
soort die ik bedoel, adept-clowns in de kermistent des Heeren,
pierrots van de onanie.
- Dus, mynheer, 't is niet om te roemen... haal 't maar voor den
dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen... 't is mooi! Want
ziet u, in de Schrift...
| | | |
Klaas haalde z'n vers voor den dag.
... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van
weduwnaars... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de
jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen...
Klaas legde 't vers voor zich op tafel.
...vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de
weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
- Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw
Laps.
- Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer...
zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en
begon:
Al de weduwen der Heilige Schrift
Worden hier tot een vers gezift;
Ter verblyding op 't verjaren
Van godzalige weduwnaren;
Juichend, bloeiend in den Heer,
- Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe.
- Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men
lezen
Dat 'n weduw in 't huis van haar schoonvader moet wezen;
En Exodus XXII, ik zeg 't zonder vrees,
Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
- Merk op, mynheer, dat het vers en 't kapittel beide tweeen-twintig
zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is
ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren,
Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;
Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis
Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;
Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons
weten
Dat een weeuw zonder kinderen 't brood van haar vader mag
eten;
En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,
Zegt, dat de belofte van een Weeuw ten haren laste geldt;
In Deuteronomium X, vers 18, betuigt de
Heer met geschreeuw...
| | | |
- Hé? vroeg jufvrouw Laps.
- Ja, dat wil zeggen: majesteit, legde de Katechiseermeester
uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik zeg maar:
luister verder! Ga voort, Klaas!
Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en
weeuw;
In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy
gespoord
Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;
Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen
Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;
In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld
Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op 't veld;
In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven
Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.
Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt 't voort:
Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de
poort;
Een hoofdstuk verder laat de heer door Mozesbetuigen,
In vers 19, dat men 't recht van de weduw niet mag buigen;
Twee Samuel XX, vers 3, spreekt er
uitdrukkelyk van
Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by 't leven van haar
man...
- By... wat? vraagde jufvrouw Pieterse.
- Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der
Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat
tot weduwen...
- De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze
liggen en staan niet om-en-om.
- Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je
schoolmeester bent... maar dàt kan my nu niet schelen. Ik vind
die by... by... by... hoe zal ik zeggen?
- Jufvrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw
Laps.
- Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort
Klaas!
- Neen, zulke dingen wil ik niet hooren...'t is om de meisjes.
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in
zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en
in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te
willen worden.
- Ga voort, Klaas!
- Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden
worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten...
- Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet
verzetten tegen 't woord des Heeren? | | | |
- Né...ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat
onfatsoenlyk is. Myn man...
- Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw... maar uwe
zal toch niet tegen de Schrift...
- Ik doe niets tegen de Schrift... maar ik houd niet van
gemeenigheid. Kom, Sertrude...
Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden.
Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger
dingen uit die Schrift geslikt, zonder de minste walging. Maar 't verhuizen van
een zystraat naar 'n hoofdstraat... en kinderen met fransche namen... en 'n
dokter met bont op z'n koetsier... och, 't is zoo moeielyk schrifturig-gemeen
te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den
fatsoenlyken weg.
Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te
regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven,
om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weer terug viel
in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by groot
en klein gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid van
uitdrukking, die geoorloofd schynt in straat- kansel- of hoftaal, maar die den
moed te-bovengaat van iemand wiens ‘fatsoen’ bewys noodig
heeft.
Wie niet te vies is om waarheid optevangen, al klinkt ze onschoon,
kan weten hoe 't gemeen een dagelyksch scheldwoord maakt van 't burgerschap in
een verbrande stad. Och... 't is sans conséquence! Ik heb 't op
straat hooren zeggen door en tot kleine meisjes, die er toch volstrekt
niet aan dachten op hoeveel manieren men zich kan bezondigen aan een engel. Zy
gebruikten dat woord nog wel zonder 't ‘met permissie’
waarmeê men anders 'n vuiligheid meent te verschoonen. Neen
‘permissie’ is niet noodig in dien stand. De kleinste mondjes laten
zonder scheuren de grootste woorden door, en ook de kleinste oortjes vangen die
op, zonder veel pyn. Zoo'n bybelsch scheldwoord voelt zich thuis op straat.
Wat hooger volgt de klasse van 't pietersensfatsoen, dat zich te
handhaven heeft in z'n niet onbetwisten rang.
Maar, nòg hooger? O, daar verandert de zaak! Men staat den
Heere na genoeg, om Zyn taal te spreken, en al gebruikt men die niet tot
scheldwoorden, de bybel biedt overmaat van gelegenheid om zich te voorzien van
't allertriviaalste, ter inkleeding van orthodoxe femelary. Het is een fout in
't portret van Droogstoppel, dat ik hem z'n dochtertje laat dwingen de
geschiedenis van de jufvrouwen Loth voortelezen. Dat doet | | | | geen fatsoenlyke makelaar. Zulke dingen hooren thuis in 'n
steeg of in 't voorhout, in een pottekelder of op de
heele fatsoenlyke keizersgracht. De middelstand staat niet hoog
genoeg, of acht zich niet hoog genoeg, om mèt den Heer onfatsoenlyk te
zyn, en toch rekent zich dien stand te-hoog om gemeen te wezen zonder dien
Heer. Ziehier dus een van de vele errata die verbeterd moeten worden in
den Havelaar. De lezer gelieve die - en andere! - te verbeteren in
margine der strafregisters van Marie en den auteur.
|
|
|