|
|
|
| | | | | |
Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen
om met sommige menschen kennis te maken. Bydrage tot de ongeloofwaardigheid van
'n oud schryver.
1282.
Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht,
gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze faktoren grootendeels
afhangende tevredenheid met zichzelf, voortdurend in stygende of dalende
beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich genoopt naar
bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje de preliminaire
onderhandelingen. Hy tracht te weten te komen of er kans bestaat dat anderen in
z'n verdriet deelen - of al was 't maar in z'n afkeuring - en hy staat gereed
het minste blyk daarvan aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het
spreekt vanzelf dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan
deze taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens op z'n
behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van standpunt begint
te denken voor de stygende invloed van den vyand hem daartoe aanspoort. In
oogenblikken van betrekkelyke gelykheid openbaart zich de wryving in morren,
twist, krakeel, vechtpartyen of oorlog, al naarmate de stryd zich tot
| | | | individueele belangen bepaalde, of wyder gebied innam. Daar
evenwel zoodanige gelykheid nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw
'n onderliggende party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte
voelt, is dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden
dat de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie die ooit
bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar was? Maar de
Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die vraag geen weerklank
werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere onderhandelingen afsneed en alle
toenadering onmogelyk maakte. Het is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat
ik kan meedeelen hoe de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden.
Ziehier wat de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de
roef 'n gesprek trachtte aanteknoopen:
- Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel
bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?
Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben
hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, waaraan de
schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár was...
och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat vreemd geval doen
zou.
- Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n
veraffrentasie!
Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit geweest.
Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee ze dat komfoor
te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten reeds dat ook die poging
schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid van karakter die de deugdzame
schipper wist te putten uit z'n tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar
we zyn niet ondankbaar voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden
eigen vuur by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren
op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze wel... lieve
god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet geharnast! Ja, had ze maar
met die twee alleen te doen gehad. Maar de schipper was drukkend pedant en
groots. Hy blufte op z'n gezag aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde
kin- | | | | deren:
- Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen...
'n mooi vak, m'nheer pastoor!
Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van
z'n rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid, en de
waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i door
z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke verstandhouding
tot den schipper te komen.
- En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u.
Dàt is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk: waarvan ontleent
zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet
ik zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...
Een blik op de roef.
...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor?
Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen 'n
beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen om behoefte te
voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich dat-i met z'n ‘God voor
oogen!’ niet beter slaagde, vooral omdat-i met 'n geestelyke te doen had,
die beroepshalve wel verplicht was zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar
hierin vergiste zich onze schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet
aangenaam dat de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden
meer van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven 'n
konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den goeden Jansen
toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper werd er niet geringer om.
Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n fameuze hoofdgrondstelling tweemaal
daags - op den zeldzamen keer na, dat-i geen enkelen passagier in de roef had -
en nog nooit was z'n hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend:
‘ja, ja, schipper, daar heb je wel gelyk in!’ optebrengen. Dit
behoorde tot de emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar
zwygend op z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder
toepasselyke: ‘eerlyk door de wereld!’ had die vervelende passagier
geen goedkeurend woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loop-
| | | | graven geopend worden:
- Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris - want Chris
heet-i naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette - 't is 'n eerst
platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, dat kan ik je
gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, maar anders... Jan, vier 'n
scheutje tot die modderpraam voorby is.
Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't
juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van z'n
zeemanschap te laten zien.
- Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de
lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken passen, en...
God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in, Jan. Zóó
heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris zei - want hy is
'n platje - ‘wel, vader, waarom noemen je de menschen:
haarlemmer-schipper?’ Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak,
maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo 'reis
ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste...
Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n
knecht het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was,
met water te bevochtigen.
- 'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft
het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n eene dochter -
Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, want... myn naam is Jan -
nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die heeft ook al haar vierde... allemaal
meisjes. En de tweede is in de blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor
in de accynsen. Daar worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?
- Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen
haarlemmer-schipper noemen?
- Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal
je hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je meer te
Haarlem geweest?
Of Wouter er geweest was!
- Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou
m'nheer pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die | | | | woont in de
Langstraat, en haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van
alles. 't Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i
ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen verleden haar
jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus twintig gulden gehad. En nu
is de middelste ook ziek, 'n meisje, m'nheer pastoor, met kromme beentjes en
nogal pieperig. Ja, 't gaat 'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen
omdat ik op jaren kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader,
en die heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo erg
op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar ik zeg maar
altyd: nè, zoolang God me kracht geeft...
Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel
zitten, en nog meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan
volgens z'n guitige zoon wezen mocht.
- Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'nheer
pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat het
hun best.
- Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper
noemen?
- Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer,
hy zei - maar 't is 'n guit, dat zal je zien - ‘vader, zeid-i, zoodra je
Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper.’ 't Is
waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat zoo'n
jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van allemaal. Wel ja,
straks voorby Halfweg - als je-n-in die streken bekend bent, zal je 't
zelf zien - dan kom ik, om zoo te zeggen, van Amsterdam, en hier gaan we nog
altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je die? En hy is pas zeventien!
Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't niet
brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater
Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou 't geval
gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins geestiger geweest,
want de goede man repeteerde z'n theologischen kursus. Hy overpeinsde of er
iets goeds kon gedaan worden, en wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar
toch voelde hy als fatsoenlyk man 'n instinktmatigen afkeer van 't wyf dat hy
wel zou moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes
aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n on- | | | | noozelheid voor plicht,
en... zy wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om
hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we hem hooren
beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis viel optedoen,
maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan de vele simmenarien die onze
waardin in haar jeugd bezocht, en na voleindigde studien op ryper leeftyd
bestuurd had. Met grapjes of 'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te
genaken, dit voelde ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar
z'n gemoed... ze wàs er!
- Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot
God! Schipper, leg 'reis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik ben
goed voor de vracht.
- Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek
alsof-i zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook wel
weten.
Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, en
de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in den stuurstoel
gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie die na eenige opheldering
over de onverwachte vriendelykheid in de schuit werd opgenomen.
- Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, en
rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...
En Jansen aanziende:
...wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in de
wereld?
Ziedaar nu haar derde: ‘niet waar?’ en 't beste! Jansen
antwoordde wel niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop
blyk gaf naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte,
de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De waardin gunde
zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik toetewerpen. Maar we
mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag overleefd heeft, daar we
van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna overleden is, waarschynlyk in 'n
oogenblik dat-i 'n verkeerden kant uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos
vindt, mag veronderstellen dat de man, ook zonder de minste fout in de richting
van z'n oogen, ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht
te-boven ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat | | | | gebeurt
soms.
Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man
zich kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de
waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek te
komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken was, bleek
het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen.
- Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze, toen de tonen
van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou van
vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet aantezien, niet
waar?
- Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht.
- En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen!
De lezer gelieve te bedenken dat noch de Maddam noch pater
Jansen 't belangryk werk hadden gelezen dat ik aanbeval in de noot op
202.
* Zy beiden verkeerden
alzoo - met sommige anderen misschien - nog altyd in de oud-testamentische
dwaling dat de goddelyke zegen zich zeer in 't byzonder laat afmeten naar 't
getal kinderen waarmee 'n menschenpaar zich veroorlooft wereld en maatschappy
te bezwaren. Dat er in ongepaste vruchtbaarheid iets schandelyks liggen kon,
iets misdadigs, kwam niet in de onnoozele zielen op. Volgens sommigen
bestaan er ook thans nog vroomschynende achterblyvers die in zulke ‘arme
wurmen’ aansporing tot medelyden meenen te ontdekken met de onverlaten
die deze schepseltjes ten-leven doemden, en we mogen dus niet te laag op pater
Jansen neerzien, als-i blyk geeft het argument van de waardin klemmend te
vinden. Want dit deed-i.
- Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar...
Wat-i ‘maren’ wou, wist hyzelf niet recht. Geheel
onwillekeurig voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár
bevoegdheid om 'n aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed
doorging. De slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige
uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking die zich zoo
schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
- Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien | | | | lyen. Als ik niet zoo vol behuist was... kyk, ik nam zoowaar graag
een van die stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel
zat.
- Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
- Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
- Maar, juffrouw...
- Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik
heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die twee meissies
daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft geen moeder,
geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer pastoor! Wat doet ze?
Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze had, om zoo te zeggen, geen hemd
aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb 'r kleeren gekocht, voor dertig gulden
kleeren, m'nheer pastoor! En die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert!
Liever géén, zeg ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens
nateloopen, jongens en heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon
wil de moeder 't hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht
van 'n meid die op straat loopt?
De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen
van 't vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw ging
voort:
- Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven
heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n nette fatsoenlyke
dienst voor haar weet by stille menschen, en... en... en... om 'n beetje
voorschot, zooals 't by zulke gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar
tien dukatons. Tien dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar
aftehalen - wel ja, van m'n verlies kan ik niet leven! - wat gebeurt er? De
menschen schelden me-n-uit!
Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef
haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de war. Uit
het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van de fransche
complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God, natuurlyk, maar
nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken, dan weer op den nagel van z'n
linkerduim, 'tgeen scheen te moeten beteekenen dat het verhandelde hem niet
aanging.
Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jan-
| | | | sen haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes
voorttezetten. ‘Hy zou haar wel eens willen spreken’ zeide hy, en
ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, de waardin en
haar beide beschermelingen zich by 't ‘overloopen’ te
Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien overgaan
in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen gezamenlyk plaats aan
'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis Ter-Hart, waar Wouter alweer
niet van z'n preek over zuinigheid verloste. Arme Styntje!
En... die
Brughman! De lezer zal nu toch eindelyk
wel inzien dat we niet alles moeten gelooven wat er door oude schryvers gezegd
is, want de waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht had.
Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de beide
berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, dat was - in dit
byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor den vervolge - de
vervelende straatweg naar Amsterdam...
Om-'shemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is die
twee schepsels by Styntje te introduceeren?
|
*‘ Elementen der sociale
Wetenschap’ Rotterdam, by Nygh.
|
|