begin  prepost
[p. 2]

Voor mijn zoon Juan,
mijn ogen
toen ik niet zag
.

[p. 3]

[Tata Colin]

Leasowes 1835

De hete oktoberzon vlamde aan de wolkenloze hemel. Het was windstil. De honden zaten achter de katoenloods weggedoken, te wachten op het voorbijgaan van het verzengende uur.

Colin zat op het achtererf en keek met half dichtgeknepen ogen naar de opetes die boven de katoenvelden cirkelden. Er speelde een glimlach om zijn lippen, toen hij zijn blik afwendde. Opetes waren de voorboden van de groene rupsen die binnen enkele dagen hele katoenvelden konden verwoesten.

Vanachter de stal klonken bijlslagen. Victor kapte hout. Colin had, door zich in stilzwijgen te hullen, geen kontakt meer met zijn lotgenoten. Hij had afstand genomen en was slechts toeschouwer van hetgeen zich op Leasowes afspeelde. Hij keek naar de sombere gezichten van de kinderen die uit de katoenloods kwamen en naar het huisje van Minerva gingen voor het middageten. George, die kranten welke Wilkins voor William Mackintosh had gestuurd, op Leasowes kwam brengen, was in gesprek met Winst die achter de katoenloods een trapmolen repareerde.

‘Hoe lang nog zullen jullie wachten op de vrijheid die door een dwaas als Colin is beloofd? Hij heeft jullie zodanig betoverd dat jullie niet meer weten wat te doen. Hij kan niet eens zichzelf bevrijden. Begrijp je niet dat hij zich al drie jaar stom houdt om niet te hoeven werken’, sprak George honend. Winst stond op met een hamer in de hand. George wilde nog wat zeggen, maar hij zag de boosaardige blik in Winsts ogen en stapte op. ‘Als je niet maakt dat

[p. 4]

je wegkomt neger, sla ik je de hersens in’!

George liep weg en zich omkerend, zei hij met een vernietigende minachting in zijn stem: ‘Je zou die idioot van een Colin de hersens moeten inslaan, man’.

Colin die het gesprek gevolgd had, stond zuchtend op en liep naar Winst toe. Z'n vriendelijke, beheerste gelaatsuitdrukking had iets agressiefs gekregen. Hij legde z'n hand op Winsts schouder. In een bemoedigend gebaar kneep hij hem even en liep met krachtige vastberaden stappen weg. Hij balde zijn vuisten bij de herinneringen aan wat hem drie jaar geleden was overkomen.

Hij was in slaap gevallen in de schaduw van de grote tamarindeboom, waaronder hij met Victor op de schoener had zitten wachten. De boot was reeds binnengevaren, maar de bootslieden wachtten op het getij om de sloep te strijken. Victor rolde de lijn op, waarmee hij de hele ochtend had zitten vissen. Hij boog zich over de slapende, vatte hem bij de schouders en schudde hem heen en weer. Colin opende zuchtend de ogen, wreef zich over zijn gezicht en kwam langzaam overeind.

Een sloep, waarin een blanke zat, werd door twee slaven naar de kust geroeid. Zodra de boot dicht genoeg genaderd was, zodat hij de dozen en pakjes duidelijk kon zien liggen, gaf hij Victor een wenk en beide mannen liepen het water in. De roeiers sprongen overboord en samen trokken ze de sloep op het droge. De blanke sprong uit de boot, liep het strand op en ging op een stuk drijfhout zitten. Hij stak een sigaartje op en keek vergenoegd om zich heen. De slaven begroetten elkaar en begonnen de boot te ontladen. Victor droeg de pakjes en zij namen de kisten en zwaardere

[p. 5]

stukken, die ze op de grond voor de blanke opstapelden. Het was aan de blanke duidelijk te zien dat hij dronken was en moeite had om de namen op de verpakkingen te lezen. Hij bleef voor een kist staan en wenkte een van de roeiers, die uit de sloep een breekijzer haalde. Victor keek wanhopig naar Colin die, met zijn armen over de borst gekruist, rustig stond te wachten.

‘Wie is de slaaf van William Mackintosh’, vroeg de blanke met een dikke stem.

‘Ik ben de slaaf van William Mackintosh, meneer’. Colin deed een stap naar voren en stond voor de man.

‘Hoe heet je en wat ben je voor de meester komen halen’? ‘Ik ben Colin van Leasowes en ik ben vracht voor mijn meester komen halen meneer’, antwoordde Colin.

De man grijnsde breed en porde Colin met het breekijzer in de buik. Hij nam Colin met doordringende ogen op, maar deze doorstond rustig diens blik.

‘Goed, Colin, laten we nu maar kijken wat je meester allemaal gehad heeft’. Met een handige beweging wrikte de man een van de planken van de kist los.

‘Ach, meneer, heb medelijden met de arme Victor’, smeekte Colin, want hij zag dat de man naar Victor toeging. De blanke liet een schor lachje horen, liep naar Victor toe, pakte hem in zijn nek en drukte de halfopgerookte sigaar tussen diens lippen. ‘Hier’, zei hij daarbij ‘begin maar wat te roken. Het zal jouw ouwe slavenhart goed doen’. Hij haalde drie flessen wijn uit de kist en liet die naast zich op de grond vallen, sloeg de plank waarin de spijkers nog staken, weer op de kist en gooide een fles wijn naar Colin, die deze opving. De roeiers begonnen van plezier

[p. 6]

in hun handen te klappen. Victor stond als aan de grond genageld, met het stompje sigaar tussen zijn lippen, bevend toe te kijken. De blanke lachte vrolijk en sloeg met het breekijzer de hals van de fles af. Met het hoofd schuin achterover, goot hij de drank in de wijd opengesperde mond. Hij boerde luid, liep naar Victor toe en drukte hem de fles in de hand.

‘Drink, ouwe man, drink’.

Aarzelend bracht Victor de fles aan zijn lippen. Colin gaf de zijne aan een der roeiers, die het lak van de hals afbeet en de kurk in de fles drukte. Hij nam een slok en reikte zijn makker de wijn aan. Colin keek naar het ronde hoofd, waaraan een oor ontbrak en naar de hand die hem de fles aanreikte. De twee vingers die aan de palm waren overgebleven, omklemden de fles als de klauw van een roofvogel.

‘Van welke plantage ben je’?

Leasowes.

‘Suiker of katoen’?

‘Katoen’.

‘Werk je op het veld’?

‘No, ik zorg voor de beesten’.

‘Dan heb je zeker een goeie meester’, merkte de man op, naar Colins gespierde lichaam kijkend. Colins gezicht werd hard en zijn handen balden zich tot vuisten.

‘Hoe heet jij’, vroeg Colin op zijn beurt.

‘Ik ben Mo. Mijn vriend daar is Barth’.

‘Hoe lang werk je al op de boot Mo’?

‘Sinds vorig jaar’.

‘Hoe kreeg je dat ongeluk’, vroeg Colin. Mo bekeek zijn

[p. 7]

verminkte hand en vloekte. Hij dronk nog wat wijn en gaf de rest aan Colin.

‘Je zal wel van die vervloekte Isaac Barrow hebben gehoord, wel... ik ben zijn slaaf. Ik werkte aan de molen van een van zijn suikerplantages. Op een avond viel ik uitgeput in slaap, dit heb ik daarvan overgehouden. Omdat ik hierdoor voor het zware werk ongeschikt werd en de basja ook nog verklaarde dat ik me opzettelijk had laten verminken om niet langer aan de molen te hoeven te werken, werd ik gegeseld. Ik vluchtte, maar werd twee dagen daarna gevangengenomen. Er werd me, als waarschuwing voor de anderen, een oor afgesneden. Om toch nog aan me te kunnen verdienen, verhuurde Barrow me aan de kapitein van deze boot’.

‘Waarom praat je dan over goede meesters’? Colin wees daarbij naar de blanke die zijn arm om Victor's schouders had geslagen. ‘Is die daar soms goed, omdat hij met een slaaf uit eenzelfde fles drinkt’?

‘Maar hij is mijn meester niet’, verklaarde Mo trots. ‘Ik denk zelfs dat hij, net als wij, de andere blanken, voor wie ook hij hard moet werken, haat’. Mo pakte Colin de fles af en begon met een fluisterstem te praten.

‘Ik heb hem met eigen oren horen zeggen dat hij hoopte dat alle blanken in hun prachtige woningen zouden verbranden’.

‘Brand’, vroeg Colin verbaasd, ‘welke brand man, kom vertel op’. Er viel een stilte waarin Mo Colin strak aankeek, als overwoog hij of hij wel of niet verder zou vertellen. Hij keek naar Barth die hem toeknikte.

‘Paramaribo is een week geleden door brand verwoest’,

[p. 8]

vervolgde Mo. Colin slaakte een kreet en ging op de grond naast Mo zitten. Mo vertelde hoe hij in die nacht wakker schrok en op het dek staande, een rode vuurgloed boven de stad zag.

‘Nog hoor ik het gejammer en geschreeuw om hulp van die vervloekten, terwijl voor hun ogen hun woonhuizen en winkels door de vlammen werden verteerd. De volgende ochtend brandde de stad nog’, besloot Mo zijn verhaal.

Colin wilde wat zeggen, maar zijn gedachten waren door de drank èn door Mo's verhaal verward. Mo keek naar de lege fles, klakte met zijn tong en schudde spijtig het hoofd. De schorre stem van de blanke die net kwam aanlopen, maakte een einde aan het gesprek. De blanke barstte in lachen uit, toen hij Victor losliet. Victor viel neer en bleef roerloos liggen.

‘Kom op, Satans zonen, we moeten terug, ik wil geen gelazer met de kap'tein’.

‘De brand is het werk van slaven in Paramaribo’, fluisterde Mo tegen Colin, terwijl ze naar de boot liepen.

Colin hielp de sloep duwen, riemen plonsten in het water. ‘Tot ziens Colin, het ga je goed mijn vriend’. ‘Tot ziens, tot ziens’, fluisterde Colin. Hij oogde de sloep een hele poos na, en ging terug, laadde de handkar en legde Victor die niet wakker was te krijgen, er bovenop. De drank was ook Colin naar het hoofd gestegen en hij voelde hoe moeilijk hij op zijn benen stond.

Zo kan ik niet met Victor op Leasowes aankomen, dacht hij. Zittend met zijn rug tegen de kar geleund, de benen opgetrokken, wachtte hij op het vallen van de avond.

Als de brand door slaven was gesticht, betekende dit het

[p. 9]

begin van de strijd om de bevrijding van alle slaven in Suriname. Overal zou dit voorbeeld worden gevolgd en hij, Colin, zag nu duidelijk zijn taak, duidelijker dan ooit tevoren, om aan het hoofd te staan van degenen in Coronie die met hem zouden strijden voor de vrijheid. Hij wist nu zeker dat Anana hem had uitverkoren voor de volvoering van deze taak.

 

Het gezoem van de muskieten, die bij de invallende duisternis op zoek waren naar bloed, haalde Colin uit zijn gepeins. Hij stond moeizaam op en probeerde Victor te wekken, maar kreeg geen beweging in de oude man. Hij zette de tanden op elkaar; de handkar liet diepe sporen achter in het zand. Zijn spieren spanden zich en het zweet liep hem tappelings langs de rug. Bij het passeren van de plantages zag hij de rokerige vuurtjes, welke de slaven voor hun hutjes stookten om de muskieten op afstand te houden.

‘Houdt goede moed, broeders en zusters, de strijd is al begonnen’, zo fluisterde hij.

De weg naar Leasowes had hem nimmer zo lang geleken. Toen hij eindelijk aankwam, hield hij stil langs de weg. Het huis lag stil en donker terwijl hij, met Victor op de schouders, het stukje weiland naast de plantage koos. Op het erf begonnen de honden grommend aan de ketting te rukken. Hij riep ze iets toe en nadat ze hem hadden herkend werden ze stil. Hij klopte op de deur van een van de huisjes op het achtererf. De grendel werd van de deur geschoven en Winst stond in de deuropening hem met wijd opengesperde ogen aan te staren. Colin verspilde geen tijd, hij legde Victor naast het huisje neer en duwde Winst

[p. 10]

naar binnen.

‘Hij is dronken, hou hem vanavond hier bij je’. Winst knikte en nog voordat hij iets kon vragen, was Colin alweer verdwenen. Hij trok de handkar het erf op en legde de dozen en kisten op de drempel van de galerij neer. Daarna bracht hij de kar achter de katoenloods, waar Ifa op hem zat te wachten en volgde haar de keukenhut in. Ze gaf hem zwijgend een kalebas met eten en draaide het licht van de lantaarn hoger.

‘Waarom kom je nu pas Colin en waar is Victor gebleven’? ‘Ik moest wachten tot het donker was om terug te komen. Victor is dronken’.

‘Dronken’? Colin keek op en hun blikken kruisden elkaar. ‘We kregen wijn van de blanke die de vracht aan wel had gebracht. Hij brak één van de kisten open en nam er drie flessen wijn uit. We dronken twee en één nam hij mee terug aan boord’.

Uit een doos die Ifa van achter de brandmiri tevoorschijn haalde, nam ze een dolkmes. Hij nam het aan en streelde het lemmet. Ifa pakte de lantaarn, draaide het licht lager en opende de deur op een kier.

‘Van wie heb je dit gehad’, vroeg hij, het mes omhoog houdend.

‘Uit de verzameling van Masra William genomen’, zei ze, blies de lantaarn uit en verdween in de duisternis.

Colin ging naar buiten, verborg het mes achter de keukenhut en liep naar het huisje van Kwadjo. Hij klopte enkele malen op de deur en wachtte. Het duurde een hele tijd voordat de basja antwoord gaf. Hij dacht waarschijnlijk dat een van de slaven ziek was geworden en men hem in

[p. 11]

zijn nachtrust kwam storen.

‘Wie is daar, kan je niet wachten tot morgen’?

‘Ik ben het, Colin’!

De deur ging open en de man die door zijn eigen mensen gehaat, maar vooral gevreesd werd, stapte met een kokolampoe in de hand naar buiten. Colin knipperde tegen het licht waarmee Kwadjo hem bescheen. Hij hield de adem in. De basja zou anders kunnen ruiken dat hij gedronken had. Colin keek naar de fors gebouwde man die gekleed was in een verschoten nachthemd, dat hem krap om het middel zat en zijn mannelijkheid nauwelijks bedekte.

‘Waar is Victor en waarom kom je nu pas terug’?

‘Victor is al gaan slapen, we hadden een kapot wiel’, loog hij.

Kwadjo's ogen waren ineens vol wantrouwen. ‘Heb je vracht gebracht’? Colin knikte bevestigend. Kwadjo keerde zich om en gevolgd door Colin liep hij naar het huis. Hij bekeek de vracht en er verscheen een uitdrukking van tevredenheid op zijn gezicht. De aankomst van vracht had voor hem altijd vele voordelen. Hij kreeg dan b.v. de oude kledingstukken van William Macintosh.

‘Leg alles op tafel neer’, beval hij. Colin wachtte tot Kwadjo in zijn huisje was verdwenen en haastte zich naar de katoenloods waarachter de kar stond. Met inspanning van al z'n krachten rukte hij drie spaken uit het wiel. Vanachter de keukenhut haalde hij het dolkmes en terwijl hij naar zijn huisje terugliep, gingen z'n gedachten terug naar hetgeen hij van Mo over de brand had gehoord. Hij besefte dat hij de enige was in heel Coronie die daarvan op de hoogte was. Hij ging z'n huisje binnen, sloot de deur

[p. 12]

en ging languit op de vloer liggen. Hij was doodmoe, maar voordat de slaap zich als een weldadige nevel om hem heen sloot, dacht hij aan de geheime bijeenkomst die de volgende avond achter de plantage zou worden gehouden.

 

Snel en bijna geruisloos liep hij langs de ongebaande weggetjes die hij alleen scheen te kunnen vinden. Ineens lag verlicht door vlammen, de open plek in het bos, z'n bestemming. Om het vuur hurkten mannen en vrouwen die een fles apankra lieten rondgaan.

In het flikkerende schijnsel van de vlammen zag hij de gezichten van zijn getrouwen. Ze kwamen van Burnside, Moy, Sarah en Mary's Hope en Novar. Dichterbij herkende hij de hese stem van Franklin. Evan en Charles, twee van Burnside afkomstige slaven die voor het eerst op een bijeenkomst waren gekomen, zaten zenuwachtig te wachten op Colin, de man over wie Denmark en Franklin zoveel hadden verteld. Colin liep naar het vuur. Toen hij herkend werd, hoorde men een gemompel.

Hij spreidde de armen uit, een verzoek om aandacht. Winst stond op en wierp enkele droge takken op het vuur, waardoor een regen van vonken knetterend opspatte. De slaven schuifelden heen en weer. De ogen waren gericht op de man die aan het hoofd zou staan bij hun strijd om bevrijding. Colin liep de kring rond en bleef staan voor Melba, een jonge slavin, die haar eerste kind verwachtte. Ze wisten allen dat ze op dit moment in de masanga van Minerva moest zijn om haar tijd af te wachten. Colin legde zijn hand op haar wang. Hij begon te spreken; zijn stem klonk luid in de stilte van de nacht.

[p. 13]

‘Je bent een dappere vrouw, Melba, maar je hoefde vanavond niet te komen’.

Ze keek de kring rond en daarna naar Colin die nu haar hand vasthield. ‘Er zijn hier genoeg vrouwen bij Tata Colin’.

Hij keek om zich heen alsof hij zich wilde overtuigen. ‘Ja, je hebt gelijk, Melba’, gaf hij na een korte aarzeling toe. Hij liep naar Peggy, een oude slavin, die de zorg had voor de zieke slaven op de plantages en in het negerziekenhuis. Hij fluisterde haar iets in het oor, de vrouw knikte bevestigend en verwijderde zich. Colin schraapte zijn keel en keek de kring rond.

‘Uit wat ik vanavond ga vertellen, zal het jullie duidelijk worden dat de strijd in Paramaribo reeds is begonnen. De strijd is daar in volle gang’. De mededeling werd met goedkeurend gemompel ontvangen. Franklin kwam naar voren en greep Colins hand vast: ‘Geef ons het sein, Tata, we staan klaar’!

‘De bakras moeten kreperen’, riep Princes van de plantage Burnside en spuwde in het vuur.

Colin keek naar de verbeten gezichten om zich heen en vervolgde: ‘De strijd in Paramaribo is reeds begonnen, de stad is een week geleden door brand verwoest. Onze broeders en zusters zijn daar in opstand gekomen’.

Ze spraken opgewonden door elkaar. Colin wenkte Peggy die een kalebas met sweri bij zich had. Degenen die voor het eerst op de bijeenkomst waren, moesten ervan drinken en Colin steun beloven. De nieuwelingen brachten de kalebas aan hun lippen en na een belofte te hebben gepreveld, dronken ze. Franklin kwam weer naar voren.

[p. 14]

‘Ik wil namens de anderen iets zeggen, Tata Colin’. Colin knikte. ‘We zijn bang dat we te lang hebben gewacht en dat als we nu niets doen, we door de onderdrukking, die elke dag ondragelijker wordt, zullen worden vernietigd’. Er verscheen een glimlach op Colins gezicht.

‘Niet de onderdrukking zal ons vernietigen, maar het accepteren daarvan als onderdeel van ons bestaan. Wanneer wij, net als onze broeders in Paramaribo, ons bewust worden dat de bakras niet het recht hebben ons als slaven op de plantages te houden, dan zullen we niet moeten vluchten, zoals enkelen dat hebben gedaan. We zullen ons moeten verzetten tegen deze onwaardige behandeling. Als we accepteren dat we geboren zijn om de blanken als slaven te dienen, zullen we ook de onderdrukking goedvinden en tenondergaan. In de strijd die wij zullen voeren, is wachten op het juiste moment een noodzaak. Ik verzeker jullie dat we niet zullen wachten totdat onze krachten zijn uitgeput. We zullen onze vrijheid op geen enkele andere manier verwerven dan door bittere strijd. Als we daartoe niet bereid zijn, zullen we niets hebben waarop we onze hoop zouden kunnen vestigen. Ons zal dan niets anders toekomen dan deze doffe ellende waarin we verkeren’!

‘Melba, jij zal morgen van een jongen bevallen’. Colin keek daarbij naar de omstanders. ‘Laat dat voor jullie allen het voorteken zijn, dat wij de bakras zullen verslaan’. Nog voordat iemand iets kon vragen, verdween Colin even geruisloos als hij was verschenen, zijn volgelingen verbaasd achterlatend.

 

De nieuwe dag begon zoals alle andere op Leasowes. Eerst

[p. 15]

vaag, daarna steeds duidelijker werden de parwabossen ten oosten van de plantage zichtbaar. De slaven, nog dronken van de slaap, scharrelden in hun huisjes rond. De kinderen speelden voor het huis van Minerva of zaten in het zand zachtjes te huilen. De slavinnen belast met het klaarmaken van het ontbijt van rijst en bananen, waren druk bezig in de keuken. Door een spleet in de muur bewoog een zonnestraaltje en bescheen het bed waarop William Mackintosh luid snurkend lag te slapen. Hij keerde zich kreunend om en bijna op hetzelfde moment bereikte het straaltje z'n gezicht. Hij opende vloekend de ogen en voelde meteen een barstende hoofdpijn. Zijn mond voelde kurkdroog en zijn oogleden zwaar. Hij ging rechtop zitten en luisterde naar de stem van Kwadjo die de slaven aanspoorde voort te maken. Ifa hielp hem met het opstaan en goot water uit een lampetkan over zijn hoofd in een waskom die ze naast het bed op de vloer had gezet. Ze hielp hem bij het kleden en ondersteunde hem naar de galerij. Hij keek, z'n schedel betastend, wazig voor zich uit. Kwadjo stond toe te kijken hoe Colin het paard voor het rijtuig spande. Vanachter het pakhuis klonk gehamer van Victor die op Leasowes timmerman was en nieuwe spaken in het wiel van de handkar zette.

Colin had intussen het paard ingespannen en hield het portier van het rijtuig open voor William Mackintosh. ‘Naar Burnside’, beval deze kortaf en stapte in. Colin klom op de koetsiersbok en knalde met de zweep. Het paard trok aan en met de honden blaffend achter zich aan reden ze de oprijlaan uit, de hoofdweg op.

[p. 16]

William Mackintosh bereikte de rand van de plantage en zag reeds de schaduwen van de manjaboom. De ruimte achter het pakhuis was door hoog oplaaiende vlammen rood verlicht. Zijn oren suisden van het gedreun van de apinti en poedja dron. De hele natuur scheen tot leven te zijn gekomen. Naderbijkomend zag hij honderden dansende slaven wier lichamen glommen van het zweet. De dronmans zwaaiden met hun lichamen op het trommel-ritme. Mackintosh voelde zijn hart in zijn hoofd bonzen en hij verborg zich achter de keukenhut. De trommen hielden plotseling op en Colin kwam te voorschijn. Zijn gezicht was wit beschilderd. Een jonge slavin kwam naar voren en ontstak enkele fakkels die ze aan de mannen gaf. Ze wees naar het huis en verdween daarheen. Colin reikte haar een houwer aan. Ze liep naar William Mackintosh die smekend op de knieën viel. Hij keek op en zag hoe Ifa met de houwer zwaaide, een triomfgeschreeuw vulde de plantage.

Hij werd rillend wakker, met trillende vingers draaide hij de lamp hoger en keek verward om zich heen. Zijn gezicht was lijkwit en hij beefde over heel zijn lichaam. Het zweet brak hem van alle kanten uit. Hij dacht na over zijn droom en sloot de ogen. ‘God beware me’, zuchtte hij. Met bevende hand pakte hij de rum die Ifa hem voorhield en nam een grote slok, waarna hij onbedaarlijk begon te hoesten. Terwijl hij probeerde zich de droom voor de geest te halen, kwam de zon langzaam vanachter de parwabossen tevoorschijn.

 

De grote houten tafel die op de galerij stond, werd door

[p. 17]

twee slaven naar buiten gedragen. Hij keek afwezig naar de groep die zich op het erf had verzameld. Kwadjo, die achter de tafel had plaatsgenomen, zat met het hoofd schuin, de ogen halfdicht te luisteren naar dreba die hem verslag uitbracht. De namen van de zieken werden eerst afgeroepen, daarna die van hen, die niet hard genoeg gewerkt zouden hebben of het de dreba op een of andere manier moeilijk hadden gemaakt.

De slaven schuifelden onrustig naar voren. De schuldigen en zieken bleven achter, terwijl de anderen in een lange stoet naar het veld gingen. Degenen die in de loods werkten of aan de trapmolens de ruwe katoen zuiverden, groepeerden zich. De oude slavinnen en de kinderen gingen met lange stokken gewapend de loods in, waar ze de hele dag bezig zouden zijn met het slaan van de pitten uit de katoen.

 

William Mackintosh dacht na over zijn leven. Na de plotselinge dood van Elisabeth, zijn vrouw, was hij van plan geweest Coronie voorgoed te verlaten en zich in Paramaribo te vestigen. Maar steeds weer was hij van gedachten veranderd en nu zat hij gevangen in de betovering van het plantersleven.

Het vooruitzicht op een bezoek aan Burnside betekende voor hem een aangename onderbreking van zijn eenzaam plantersbestaan. Vooral van door het weerzien daar met dokter Clemens die de zieke slaven eens per maand kwam bezoeken. Van deze chirurgijn kregen ze dan informaties uit de eerste hand over de gang van zaken in de hoofdstad. Ze hadden Burnside bereikt. Colin opende het portier van het rijtuig en William Mackintosh stapte uit voor het huis

[p. 18]

van John Wilkins. Hij werd hartelijk begroet door de planters die daar reeds aanwezig waren. John Wilkins verwelkomde zijn gast en nam hem mee naar de grote voorzaal waar een geladen sfeer heerste. Mackintosh drukte de hand van de dokter om wie alle planters naar Burnside waren gekomen. De chirurgijn voerde hem mee naar een tafel, waarop verschillende dranken stonden. Hij vulde de glazen en nam plaats aan een fraaie mahoniehouten tafel, waaraan enige planters druk zaten te praten.

Colin hurkte neer achter de grote regenbak om duidelijk de stem van John Wilkins te horen, die de aandacht vroeg en de dokter verzocht het woord te nemen. De chirurgijn zette zijn glas op de vensterbank neer, schraapte zijn keel en keek het gezelschap ernstig aan.

‘Mijne heren, voordat ik bijzonderheden vertel, wil ik William die hier als laatste is binnengekomen, zeggen dat Paramaribo door een ramp is getroffen’. William stond op om iets te zeggen, maar de dokter gebaarde hem dat hij weer moest gaan zitten. Hij plofte op zijn stoel neer en keek naar de anderen die bevestigend knikten. Het was doodstil toen de dokter begon te vertellen, hoe hij van een patiënt op weg naar huis in de Jodenbreestraat aangekomen, rookwolken boven de stad zag.

‘Er is brand uitgebroken die een groot deel van Paramaribo heeft verwoest’. Na deze mededeling viel er een dreigende stilte, welke door William Mackintosh werd onderbroken met de vraag of er opzet in het spel was. De dokter hief zijn hand op en gebaarde tot zwijgen. William Mackintosh vulde zijn glas opnieuw en dronk het in één teug leeg.

‘Er heerst, mijne heren, grote onrust in Paramaribo’, ver-

[p. 19]

volgde hij. ‘En het vermoeden beslaat dat dit het werk van slaven is, die hiermee een opstand willen ontketenen. Indien er werkelijk sprake is van brandstichting door slaven, dan ben ik bang heren, dat deze zeker kennis dragen van het feit dat de slavernij volgend jaar wordt afgeschaft in de Britse koloniën. Door het kontakt met slaven die als matroos op schoeners in Paramaribo aankomen, zullen ze ook op de hoogte zijn van hetgeen straks in het buurland zal plaatsvinden, en wel dat in Berbice en Demerary de slavernij spoedig zal worden afgeschaft. Zoals U allen weet wordt de slavernij door een fanatieke groep abolitionisten openlijk veroordeeld als immoreel en mensonwaardig. De verdedigers onder hen beroepen zich op de Bijbel. Humanitaire belangstelling voor de slaaf is nu gewekt, vooral in Engeland, waar die idioot van een Wilberforce en zijn groep onvermoeid strijden voor de afschaffing van de slavernij’.

Deze mededeling van dokter Clemens had diepe indruk op de planters gemaakt. Ze zaten daar als kinderen die geen raad wisten met hun houding. De chirurgijn trok zijn gelaat in rimpels van diep nadenken.

‘De kolonie gaat een slechte tijd tegemoet. Engeland maakte bekend de aankoop van produkten door slavenarbeid verkregen, stop te zullen zetten en overweegt samen met Frankrijk embargo op alle schepen van Holland te leggen. Dat betekent dat de aanvoer van goederen door neutrale schepen zal moeten plaatsvinden, de kosten zullen stijgen en handel en landbouw worden benadeeld. De werkzaamheden tot het herstel van de brandschade in Paramaribo zal hierdoor enorm worden gestagneerd. De tijding van de

[p. 20]

op handen zijnde Emancipatie in de Britse koloniën zal tot grote ontevredenheid in Suriname leiden met als gevolg tal van ontvluchtingen. Steeds meer slaven zullen hun toevlucht zoeken in de ondoordringbare bossen waar ze zich bij hun lotgenoten zullen aansluiten en de plantages massaal aanvallen. Bovendien zullen de geruchten die hierover het buitenland bereiken een belemmering vormen voor nieuwe investeringen in de kolonie. De economische toestand zal erg verslechteren’.

De dokter bestudeerde de gezichten van de planters om te zien welke uitwerking zijn mededelingen hadden veroorzaakt. William Mackintosh vulde zijn glas opnieuw, stond op en sprak met onvaste stem: ‘Wanneer de afschaffing van de slavernij in de Britse koloniën een feit zal zijn en het nieuws Coronie zal hebben bereikt, is een opstand hier onvermijdelijk’. Al pratende was hij opgewonden geraakt en gesticuleerde wild. Er kwam gedurende een kort moment een vreemde glans in de ogen van de dokter. Hij glimlachte, vulde zijn glas, nipte eraan en zette het op de vensterbank.

‘Mijne heren’, vervolgde hij, ‘Zolang ze geloven in onze natuurlijke superioriteit, zullen ze blijven zoals wij willen dat ze zijn, slaven en niets anders. Er is bovendien voor een opstand leiderschap van enige betekenis nodig. Je wilt me toch niet zeggen, mijn beste William, dat de negers dat hebben’? Mackintosh maakte een afwerend gebaar. ‘Ik ben het niet met je eens, dokter’.

De chirurgijn keek verbaasd bij deze opmerking. ‘De slaven uit Berbice en Demerary die hier zijn’, vervolgde Mackintosh, ‘en dat zijn er meer dan duizend, zullen, wan-

[p. 21]

neer we het Britse voorbeeld niet volgen, zeker in opstand komen. Het zal hun duidelijk worden dat ze niet hun leven lang voorbestemd zijn in slavernij te verkeren. Want waren ze in één van de Britse koloniën gebleven, dan zouden ook zij vrij zijn geworden. Wat blijft er dan over van onze natuurlijke superioriteit’? William Mackintosh werd door opgewonden stemmen onderbroken. De dokter wenkte tot zwijgen.

‘Door de ligging van Coronie’, begon hij, ‘is het voor hen onmogelijk te vluchten. Door de onmetelijke zwampen en ondoordringbare bossen omringd, ben je hier als op een eiland afgesloten. Ze zouden nergens naar toe kunnen om zich te hergroeperen en de plantages 's nachts aan te vallen’.

Het was nu John Wilkins die het woord nam. ‘Juist door ons isolement verkeren wij in groter gevaar dan de plantages in de andere distrikten, die een snelle verbinding met de stad hebben. Alle planters met hun gezinnen hier in Coronie, nauwelijks twee en twintig, gezinnen of personen tegenover een slavenmacht van meer dan tweeduizend. Onze enige verbinding met Paramaribo is overzee en de schoener komt slechts tweemaal per maand naar Coronie. Voordat er versterking komt, zou het te laat kunnen zijn’.

De situatie waarin ze verkeerden, kwam de planters nu meer dan ooit tevoren, duidelijk voor de geest. Door de drank overmoedig geworden, werden ze overspoeld door een golf van haat tegen de slaven. Er lag angst in hun ogen, nu ze begrepen welke gevolgen de slaven-emancipatie in de buurlanden voor de kolonie zou hebben.

‘Ik kan je redenering niet volgen, mijn beste John’, begon

[p. 22]

de dokter weer. ‘Je schijnt te vergeten, dat zelfs in Afrika, waar deze schepselen vandaan komen, slavernij een oude geaccepteerde instelling is. Voor hen betekent slaaf zijn iets vanzelfsprekends. Het is voor hen een eer de meester naar volle tevredenheid te mogen dienen. Voor hen betekent vrijheid het wegvallen van de zekerheid dat er voor je gezorgd wordt. Hoe zouden ze voor zichzelf kunnen beslissen als dat heel hun leven door anderen voor hen werd gedaan? Zolang we de tuchtmiddelen op de juiste manier hanteren, zullen wij ook onze superioriteit kunnen handhaven. Jullie maken je bezorgd over iets dat nooit in Coronie zal gebeuren’. De planters lieten een goedkeurend gemompel horen. ‘Bovendien praten jullie over verzet en opstand, maar vergeten daarbij dat je elke dag weer opnieuw blootstaat aan het gevaar door één van je huisslavinnen te worden vergiftigd’.

 

Colin, achter de regenbak gezeten, had alles gehoord, ook de bevestiging van Mo's verhaal over de brand in Paramaribo. Hij haastte zich naar het koetshuis waar de andere slaven, die net als hij hun meester naar Burnside hadden gebracht, zaten. Op deze plantage waar hij veel vertrouwelingen had, voelde hij zich altijd op zijn gemak. Basja Greenfield van de plantage wist van de geheime bijeenkomsten die in de hut van Franklin werden gehouden en waarbij profetieën van Colin aan de Slaven werden doorgegeven. Hij gaf vaak zelfs toestemming aan de slaven om vis voor Colin te vangen. Hij wist bovendien dat Colin daar kwam en menige nacht met de slavin Pranza doorbracht.

[p. 23]

De gezichten van de mannen klaarden op toen hij plotseling in de deuropening verscheen. Charles, een uit Berbice afkomstige slaaf, die aan Burnside behoorde, stond op.

‘Is het waar dat de slaven in Demerary en Berbice gauw vrij zullen zijn’? Colin keek naar Charles en antwoordde: ‘Alle slaven, waar ook ter wereld, zullen vrij worden’. Het was duidelijk te zien dat Charles met dit antwoord niet tevreden was. Hij opende zijn mond om nog wat te vragen, maar bedacht zich en ging weer op de vloer zitten. ‘Geen mens’, zo vervolgde Colin, ‘is de meester van een ander. Al hebben de bakras ons de vrijheid ontnomen, we hebben dingen die ze ons niet kunnen ontstelen, dingen zoals onze gedachten. Door list en gemeenheid kregen ze ons op deze plantages, waar we door hen worden misbruikt. De slavernij waarin we verkeren, is door hen uitgedacht om zich te verrijken door ons uit te buiten. Daartoe gebruiken ze alle middelen en één daarvan is verraad om ons verdeeld te houden. Er zijn enkelen onder ons die het ergste doen wat in onze situatie denkbaar is. Om in de gunst te komen van de meester of van de basja, plegen ze verraad tegen hun eigen mensen. Maar er zijn ook vele dapperen die zich niet hebben laten beroven van hun persoonlijkheid. Maar hoe dapper we ook zijn, tegen verraad zijn we niet opgewassen’. Een dreigend gebrom van de aanwezigen overtuigde Colin dat zijn woorden niet verkeerd waren begrepen. Z'n harde stem klonk hees van emotie. ‘De bakras leven in de greep van angst, want ook zij weten nu dat de brand in Paramaribo het voorteken is, dat ze niet langer onze meesters zullen zijn. De rollen zullen spoedig worden omgekeerd’.

[p. 24]

Colins woorden veroorzaakten grote opschudding, een triomfgeschreeuw klonk uit de monden van de aanwezigen. ‘De tijd dat enkelen van ons probeerden door vluchten hun vrijheid te verkrijgen, is voor altijd voorbij. We zullen nu door bittere strijd onze vrijheid bevechten. Hoewel ons hart steeds van weemoed zal zijn vervuld bij de gedachte aan hen die van de plantages in Coronie zijn gevlucht, want op enkelen van hen na, is hun lot ons onbekend. We zullen nooit antwoord krijgen op de vraag of ze het hebben gehaald of in de moerassen verdwaald en omgekomen zijn. De oude Victor zal zijn hele verdere leven nooit meer kunnen horen, omdat hij als voorbeeld werd gesteld voor hen die vluchtplannen hadden. Was zijn toestand, waarin hij weer op de vervloekte plantage terugkeerde, dan niet voldoende?

Weer ontstond een rumoer dat zeker een hele tijd zou hebben voortgeduurd als Colin de mannen niet tot bedaren had geroepen. ‘Vergeet niet dat er een tijd is geweest, waarin de bakras elkaar bestreden en velen met hun gezinnen de bossen in vluchtten. De ouderen onder ons hebben het vaak op de plantages verteld. Daar in de bossen werden ze door de ontvluchte negers liefdevol ontvangen. Ze kregen van de slaven die ze tevoren zo onmenselijk hadden behandeld, een plek om zich veilig verborgen te houden. Nadat het getij gekeerd was, mochten ze hun schuilplaatsen ongedeerd verlaten. En nu laten we ons misbruiken door dezelfde bakras die door onze mensen werden gevoed en beschermd’.

Door het geluid van brekend glas in het huis van John Wilkins zweeg Colin abrupt. Een tafel was omvergegooid.

[p. 25]

Twee slavinnen die zich haastten om de scherven op te ruimen, werden door John Wilkins opzij geduwd en verdwenen snel door een zijdeur.

‘We mogen niet langer meer met ons laten sollen. De regering dient onze belangen te beschermen’, brulde John Wilkins met overslaande stem. ‘Laten we de gouverneur-generaal om opheldering vragen’, riep iemand. Het lawaai waarmee dit voorstel werd begroet, was ver in de omtrek te horen.

Het begon al donker te worden. De planters namen afscheid van hun gastheer en stapten in de rijtuigen. Een lange stoet van koetsen verliet Burnside. Er viel een lichte motregen.

 

Die avond terug op Leasows liep Colin naar het huisje van Minerva en wierp door het raam een blik naar binnen. Melba lag op haar rug in de kamer van Minerva's huisje en kreunde. Winst aaide haar over het klamme voorhoofd en sprak haar bemoedigend toe. Haar van pijn vertrokken gezicht klaarde op. Ze keek naar de vader van haar kind. Ze bracht zijn hand naar haar buik, waarin hij leven voelde. Een paar korte stoten van het kind dat zich daarbinnen bewoog, deden zijn hart sneller kloppen. Om de masanga heen hadden de slavinnen post gevat om door hun gebeden de bevalling te bespoedigen. Minerva lag op de knieën en blies door een papajatak in de gloeiende as van de brandmiri. Ze gooide enkele droge takjes op het smeulende hoopje. Het schijnsel verlichtte het rimpelige gezicht van de vrouw, die af en toe in het vuur spuwde.

[p. 26]

Ze keek naar Melba die steeds luider begon te kreunen. ‘Moed houden, Melba, het is zo voorbij’. Ze zette een ijzeren pot met water op het vuur, haalde droge kruiden uit een korf die aan een pin onder het afdakje hing en deed die in de pot. Daarna nam ze een stuk zeildoek en ging de kamer waar Melba lag binnen.

Zich tot Winst richtend zei ze; ‘Je moet nu naar buiten gaan. Wat je te offeren hebt, kan je buiten op de kist leggen. Ik zal het morgen aan Peggy geven’. Winst aarzelde even en stond daarna op. Hij legde het bundeltje dat hij bij zich had op de kist neer en liep met gebogen hoofd langs de vrouwen die buiten zwijgend zaten te wachten. De mannen zaten achter de katoenloods gespannen te wachten op de geboorte van een kind op Leasowes. Colin had een jongen voorspeld. Dat zal voor jullie allen het voorteken zijn dat we de bakras zullen verslaan, had hij gezegd.

Minerva spreidde het zeildoek op de vloer naast Melba. Ze draaide het licht van de lantaarn hoger en betastte de dikke strakke buik van de vrouw. Met een aftreksel van kruiden bestreek ze haar navelstreek. Daarna haastte ze zich naar buiten om de pot met water te halen. Voordat ze weer binnen was, lag het kind spartelend op het zeildoek. Het was een jongen.

 

Het was avond geworden. Het hield eindelijk op met regenen. Het weerlicht flitste geluidloos langs de sterrenloze hemel. Colin zat naast de brandmiri van Minerva, waarboven hij zijn kleren te drogen had gehangen. Het knappen van het vuur, het gekwaak van de vele kikkers en de vuurvliegjes in deze kille nacht, overspoelden hem

[p. 27]

met een groot verlangen naar geborgenheid. Hij gooide droge takken op het vuur en keek in het schijnsel van de vlammen naar een smal gezicht met donkerbruine, bange ogen. Hij voelde haar vingertoppen op zijn voorhoofd, wang en lippen en trok haar tegen zich aan. Met haar hoofd tegen zijn borst luisterde ze naar het wilde kloppen van zijn hart. Hij voelde hoe ze beefde. In gedachten streelde hij haar hoofd en noemde zacht, fluisterend haar naam. Ze keek op naar de man die ze met heel haar wezen liefhad en voor wie ze zelfs zou willen sterven als hij haar dat zou vragen.

‘Colin’.

‘Hmm...’.

‘Zullen we echt ooit vrij worden’?

‘Zeker zullen wij vrij worden, Ifa, maar daar kunnen we nu niet over praten’.

‘Ik heb erover nagedacht, Colin’.

‘Waarover’?

‘Ik ben zo bang, dat ik er 's nachts zelfs niet van kan slapen. Hoe lang zal het nog duren? Kunnen we niet liever vluchten, Colin, ik hou het zo niet langer uit’.

Ze voelde hoe z'n spieren zich spanden en kreeg spijt van haar voorstel. Tranen vloeiden uit haar mooie, sombere ogen. Elke nacht weer wanneer ze naar buiten sloop om hem te ontmoeten, hoopte ze dat hij haar de dag zou noemen, waarop een einde zou komen aan dit lijden. Hij drukte haar steviger tegen zich aan en voelde hoe ze huiverde. Met een dromerige blik in zijn ogen liefkoosde hij haar gezicht.

‘We zullen niet op de vlucht behoeven te gaan Ifa. We

[p. 28]

zullen de bakras op de vlucht jagen, de bossen in. We zullen ze achterna zitten, totdat er in heel Coronie geen enkele meer overblijft. We zullen ze vernietigen. Meer nog, we zullen enkelen van hen net als zij nu doen, voor ons op de velden laten werken. Alleen de tijd is nog niet rijp. We kunnen niet overhaast te werk gaan. We moeten alles goed voorbereiden, zodat ze geen schijn van kans hebben wanneer we toeslaan. En daar zijn we nu mee bezig. Ik kan je niet alles vertellen, maar zodra het zover is, zal ik het sein geven om over te nemen van die saka saka's. Blijf doen waarmee je bezig bent, luister zoveel mogelijk de gesprekken af wanneer Masra William bezoek krijgt en hou me op de hoogte van hetgeen ze van plan zijn. Ik weet dat je nog liever op het veld werkt dan je dagen met dat beest van een Mackintosh door te brengen, maar je doet het voor ons, Ifa, vergeet dat niet. Het zal heel gauw voorbij zijn’. Colin wiegde haar langzaam heen en weer.

‘Ik ben bang, Colin, dat er iets fout gaat. Ik kan het gevoel niet kwijtraken dat er iets vreselijks gaat gebeuren’. Hij hield haar op een armlengte van zich en keek haar strak aan.

‘Wat is het dat je me niet wilt zeggen, Ifa? Heeft masra William over mij gesproken of...’.

‘Neen, Colin, dat is het niet’.

‘Wat dan wel’?

‘Gisteren hoorde ik hem iets tegen Kwadjo zeggen over de brand in Paramaribo en ook over soldaten die in Coronie zullen komen’. Ze keek hem bezorgd aan.

‘Wat heeft hij precies gezegd, Ifa, denk goed na’. Ze slaakte een diepe zucht en vleide zich tegen hem aan.

[p. 29]

‘Ze zaten op de galerij en ik stond in de kamer. Ik kon niet zo goed verstaan wat ze zeiden, maar ik hoorde hem aan Kwadjo zeggen dat er soldaten uit Paramaribo zouden komen’, zei ze fluisterend.

‘Heeft hij ook gezegd wanneer en hoeveel’? Ze dacht een hele tijd diep na en antwoordde: ‘Ik zei je toch dat ik niet alles kon verstaan, ik heb je alles verteld wat ik hoorde’. Er klonk gestommel uit het huisje van Minerva. De vrouw moest wakker zijn geworden, of ze had staan afluisteren. Colin dempte zijn stem. ‘Je moet nu maar gaan, Ifa, morgen zie ik je weer en geef je oren goed de kost’. Ze liet zijn hand los en verdween in het duister. Weer alleen, voelde hij grote onrust in zich opkomen.

 

Regenwolken hingen dreigend boven de plantage. William Mackintosh was, wachtend op de komst van dokter Clemens in de schommelstoel op de galerij, in slaap gevallen. Het was warm en de wijn had hem slaperig gemaakt. Onweer-gerommel deed hem verschrikt de ogen openen. ‘Nergens goed voor, die vervloekte regen’, mompelde hij en dommelde weer in.

Colin zat op zijn lievelingsplek naast de brandmiri van Minerva en keek hoe de vrouw in de ijzeren pot roerde. De vlammen lekten onder de pot, waarin ze eten voor de kinderen van de veldslavinnen die onder haar hoede waren, kookte. De kinderen verdrongen zich in de deuropening toen ze Victor zagen aankomen. De oude man hield altijd wat melk voor de kinderen achter als hij 's middags gemolken had. Minerva nam de kalebas met melk, die Victor

[p. 30]

haar aanreikte, aan en goot de inhoud in de pot. Colin keek naar het oude, verweerde gezicht, de knokige handen van een versleten mens met een leven vol ellende achter zich en naar de kinderen in de deuropening.

Hij kwam vanachter het huisje vandaan. Het geblaf van honden en het geklepper van rijtuigwielen trok zijn aandacht. Hij zag de koets van John Wilkins, met Franklin op de bok, de oprijlaan inrijden. William Mackintosh die door het aanslaan van de honden ook wakker was geworden, haastte zich om zijn gast te verwelkomen, zich daarbij zenuwachtig over zijn kin krabbend.

De chirurgijn nam plaats tegenover Mackintosh en bekeek aandachtig de sigaar die hij uit het kistje op tafel had genomen. Hij rook er met gesloten ogen aan, beet het puntje er van af en stak hem met rustige bewegingen op. ‘Nog maar een week en ik moet weer naar Paramaribo, mijn beste William. Ik had nog graag iets langer willen blijven, maar het werk in de stad wacht. De brieven en andere dingen die je voor Paramaribo hebt, neem ik natuurlijk gaarne voor je mee’. De dokter keek zijn gastheer die steeds weer onrustig ging verzitten, aan. ‘Je ziet eruit alsof je een paar nachten niet hebt geslapen, William. Wat is er aan de hand, man. Zijn er problemen of...’.

De dokter keek om zich heen en richtte zijn blik op het veld waar de slaven bezig waren de katoen die ze in manden hadden verzameld, in de gereedstaande wagens te laden. Ifa die op de galerij verscheen, bracht op een teken van William Mackintosh de wijn. Het trillen van zijn hand terwijl hij de fles ontkurkte en inschonk, was niet aan de aandacht van dokter Clemens ontsnapt. ‘Je maakt je ergens

[p. 31]

zorgen over, William’, konstateerde hij. ‘Het is zo aan je te zien dat iets je dwars zit; de kringen onder je ogen. Kom op, man, wat is er aan de hand’?

William Mackintosh zuchtte diep en begon te vertellen. Zijn stem klonk dof en hij scheen moeite te hebben om zich te beheersen. ‘Ik geloof dat ik moe begin te worden van dit plantersleven, eh... ik ben niet zo jong meer, en na wat je hebt verteld over de toekomst van de kolonie, heb ik niet zoveel zin meer er hard aan te trekken’. Hij nam een slok en vertelde de dokter zijn boze droom.

Dokter Clemens lag achterover in zijn stoel en luisterde gespannen.

‘God, als ik eraan denk’, besloot hij zijn relaas.

‘Ach, maak je niet bezorgd, William. Zoals ik vertelde, zullen de slaven hier nooit in opstand komen’. De dokter trommelde daarbij met zijn vingers op het tafelblad, terwijl hij z'n gastheer doordringend aankeek.

 

Colin zat in het koetshuis op de vloer en luisterde naar het verslag dat Franklin hem uitbracht. ‘Overal waar ik de dokter voor een bezoek breng, wordt er over de brand in Paramaribo gesproken. Zodra je het sein geeft, Tata, slaan we toe. Eerst nemen we de katoenvelden en daarna de huizen. Wanneer we met de bakras hebben afgerekend, zal niets meer van wat ze bezitten, overeind staan. Velen onder ons worden reeds ongeduldig’. Franklin's stem klonk hard en vol strijdlust. Colin stond op.

‘De tijd voor de strijd is nog niet aangebroken, Franklin, anders zou in minder dan de tijd die je nodig hebt om naar Burnside terug te gaan, niet één bakra in heel Coronie nog

[p. 32]

in leven zijn. In de komende dagen zal je als koetsier van de dokter op de andere plantages komen. Vertel aan de anderen dat we niet zullen vrijworden zoals de slaven in de Engelse koloniën. We zullen voor onze bevrijding moeten vechten’. Na Colin's woorden heerste er een onrustige stilte.

De middag volgend op de avond na een volgende bijeenkomst achter Leasowes zat Colin naast het huisje van Minerva en keek naar het bloed dat tussen zijn vingers sijpelde. In zijn hand waren de ingewanden van de jara-baka die aan zijn voeten lag te spartelen. De ingewanden smeet hij op het afdakje en de vis legde hij op de barbakot boven de brandmiri voor Minerva. Daarna waste hij zich met water uit een ton naast het huisje. Hij dacht eraan hoe de invloed die hij op zijn lotgenoten had, zich uitbreidde over alle slaven waarmee hij, Franklin en Denmark in aanraking kwamen. Er speelde een tevreden glimlach om zijn lippen. Met een stokje porde hij in de hete as van de brandmiri, waarop de jarabaka lag te sissen. Snel naderende voetstappen trokken zijn aandacht. Het was Winst, die kwam aanrennen.

‘Kom mee, kom mee, Tata Colin, moeilijkheden’, riep hij buiten adem. Colin was Winst naar het voorerf gevolgd, waar hij gezang hoorde. De slaven hadden het werk neergelegd en ze zongen en dansten. Ze juichten zodra ze Colin zagen aankomen.

‘Terug, terug jullie, voordat ik je doodransel’. Colin schoot naar voren. Hij hoorde het scherpe knallen van de zweep. Kwadjo's ogen stonden wild, maar de slaven stoorden zich niet aan zijn dreigementen. Met een onverwacht harde ruk

[p. 33]

trok Colin de zweep uit Kwadjo's hand en wierp hem met een kopstoot tegen de grond. De mannen wilden zich op de spartelende figuur werpen. Er kraakte een schot. Ze deinsden verschrikt terug. William Mackintosh verscheen met zijn geweer en de vrouwen wierpen zich jammerend op de grond. ‘Wat is hier aan de hand, verdomme’, brulde hij buiten zichzelf van woede. Kwadjo maakte gebruik van de verwarring en rukte Colin de zweep uit de hand. William Mackintosh richtte het geweer op Colin, maar Kwadjo pakte het hem af en sloeg Colin met de kolf tegen het hoofd. Colin zakte met een doffe kreun in elkaar. Kwadjo sloeg als bezeten in op de slaven, die schreeuwend naar alle kanten uiteenstoven. Hij dreigde een ieder die zonder toestemming op het erf zou verschijnen, te zullen doodslaan. Mackintosh, van de schrik bekomen, beval Winst om Colin naar het huisje van Minerva te brengen. Colin werd er binnen gedragen. De vrouw die alles van op een afstand had gezien, bekeek Colin's wonden en vloekte.

Het verhaal over het gebeuren op Leasowes had de planters met angst vervuld. De landdrost kwam als eerste op de plantage aan. Omdat hij het bestuur uitoefende, behoorde het tot zijn taak de gebeurtenissen in Coronie aan het hoofdbestuur in Paramaribo te rapporteren.

Voor kleine geschillen of delicten liet hij de Raad van Ingelanden beslissen.

‘Die oproerkraaier van een Colin ligt na een fikse aframmeling bij te komen. Hij zal het niet gauw meer in zijn hoofd krijgen om zoiets te proberen’. Er lag bezorgheid in de stem van Mackintosh en dat ontging de landdrost niet.

[p. 34]

‘Je moet de ernst van de zaak niet onderschatten, William. Elke vorm van verzet spruit voort uit ontevredenheid en dient onmiddellijk te worden afgestraft. Voor de goede gang van zaken heb ik de militaire post gewaarschuwd. De soldaten zullen hier overnachten’.

 

Colin lag op een stuk zeildoek in het huisje van Minerva. Hij hoorde schuifelende voetstappen naderbijkomen en opende de ogen. Hij betastte de zwelling op zijn voorhoofd en kreunde. Als van ergens ver weg hoorde hij de zachte donkere stem van de vrouw, die met een in aftreksel van kruiden gedrenkt lapje zijn gezicht bette. Door een grijze nevel heen zag hij het brede gezicht en probeerde te glimlachen. Hij kon niet verstaan wat ze tegen hem zei, maar hij begreep dat ze hem troostte.

Hij wilde ook wat zeggen, maar hoe hij ook zijn best deed, hij kreeg geen woord over zijn lippen. Hij was zijn spraakvermogen kwijtgeraakt. Hij keerde zijn gezicht naar de muur en keek naar het schimmenspel, veroorzaakt door de walmende olielamp en luisterde naar de geluiden van de nacht.

Opeens leek het alsof de hele kamer in zonlicht baadde. Hij was weer een kind, heette Wole en woonde met Madjida, zijn moeder, zijn vader Adwa en zijn zuster Ifeoma in Afrika. Hij zag Madjida voor de hut zitten. Ifeoma zat naast haar jams voor het avondmaal te schillen. Zijn vader kwam terug van de jacht met een antilope over zijn schouders. Terwijl Madjida hem iets toeriep, rende hij zijn vader tegemoet. Adwa reikte hem glimlachend de speer aan. Hij maakte enkele danspassen, zoals hij de mannen dat zo

[p. 35]

vaak op dorpsfeesten had zien doen. Dan zaten ze om een groot vuur en vertelden jachtverhalen, aten colanoten en ananas en dronken palmwijn. Adwa was een groot jager en wanneer hij vertelde, werd hem gevraagd naast het dorpshoofd plaats te nemen en dronken ze samen uit één kalebas. Hij vertelde dan hoe hij zijn prooi besloop en met zijn speer doodde.

Adwa bracht de antilope die hij gedood had, legde hem op een boomstam achter de hut en ging naar de rivier. Hij dompelde zijn hoofd in het heldere water en ging hijgend en proestend op zijn knieën. Daarna liepen ze samen naar de hut. Madjida had de jachtbuit bekeken. Wole ging naast zijn vader voor de hut zitten en Madjida had hen eten gebracht.

Op een avond klonk de atumpan en de mannen werden naar het dorp ontboden. Hij hoorde zijn vader iets tegen Madjida zeggen; en hij vertrok om nooit meer terug te komen. Dezelfde avond werden ze overvallen en werden hij, Madjida en Ifeoma gevangen genomen. Ze werden als vee met zweepslagen bij elkaar gedreven. Bij het aanbreken van de dag zag hij dat ook het dorpshoofd gevangen genomen was. Verder mannen en vrouwen die hij kende, zijn vrienden, maar zijn vader, Adwa, was er niet bij. Gekweld door honger en dorst, in groepjes van vier aan elkaar gebonden, sjokten ze drie dagen en drie nachten voort. De ouden en zieken die niet verder konden, werden onderweg doodgeknuppeld en voor de aasgieren achtergelaten. Eindelijk bereikten ze de kust, waar ze in afwachting van vervoer in slavenkwartieren werden opgesloten. Eerst werden Madjida, Ifeoma en andere vrouwen weggevoerd. Twee

[p. 36]

dagen daarna volgde hij en sindsdien had hij nooit meer iets van zijn familie gehoord. In een stinkende ruimte werden ze aan handen en voeten aan elkaar geketend.

Zo begon de reis naar Wes-Indië. Na aankomst in Suriname bracht hij vijf weken in een loods in Paramaribo door. Hij werd daarna naar een schoener gebracht die hem twee weken later in Coronie afzette, waar hij op Leasowes terechtkwam en Colin werd genoemd.

Op Leasowes, waar wrede straffen werden toegepast en zoveel mogelijk van de lichaamskracht van de slaven werd geprofiteerd, rijpte, naarmate de jaren verstreken, bij hem het idee dat hij niet zonder meer daar terecht was gekomen, maar om zijn medeslaven van dit gruwelijke bestaan te bevrijden.

Hij had een taak, die, zo voelde hij, hem door een macht buiten zijn wil om, op de schouders was gelegd.

 

Aan de goede zorgen van Minerva toevertrouwd, was Colin weer snel van zijn verwondingen genezen. De slaven van Leasowes werd door William Mackintosh verboden zich met Colin, die niet meer spreken kon en ook niet meer werkte, te bemoeien.

Winst, die Colin's taak had overgenomen, zorgde nu voor de beesten. Colin bracht zijn dagen door tussen de mangroven op het strand, waar hij viste of krabben voor Minerva ving. Als hij bij de brandmiri naast het huisje zat, liepen alle slaven eerbiedig langs de zwijgende figuur en vroegen zich af wat er in hem omging. Zijn invloed op zijn medeslaven was, ook dank zij Franklin en Denmark, die de anderen aanspoorden te blijven volhouden, geenszins ver-

[p. 37]

minderd.

De Emancipatie in de Britse koloniën was, in tegenstelling tot wat de planters hadden verwacht, door de Coroniaanse slaven met kalmte ontvangen. De uitbarstingen van geweld en verzet waarvoor de meesters hadden gevreesd, waren uitgebleven.

Denmark die van het gebeuren op Leasowes en over Colin's doen en laten regelmatig op de hoogte werd gehouden door Winst, had aan de getrouwen verteld dat Colin's stomheid een teken was dat deze zich voorbereidde op de strijd. De obias hadden hem het vermogen te spreken ontnomen om te voorkomen dat hij over zijn plannen zou praten. De geesten van de voorouders hadden van Anana toestemming Colin gereed te maken voor de zware taak die op zijn schouders rustte: de bevrijding van alle slaven, waar ook ter wereld. Terend op deze en andere mededelingen van Denmark over Colin, voltrok het leven van de slaaf zich in een monotoon tempo. Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen gingen er drie jaren voorbij.

 

William Mackintosh keek Colin met halfdicht geknepen ogen aan en wachtte tot hij de woede in zich zou voelen opkomen. Omdat die uitbleef, sloeg hij woedend met zijn vuist op de stoelleuning. Ifa stond in de deuropening achter hem en keek verschrikt toe. De slaven waren toegesneld, want Colin had zijn huisje in brand gestoken. Op de plek waar het huisje had gestaan, lag nu een smeulende hoop. Colin had een dreigende houding aangenomen en staarde verachtelijk naar Mackintosh en Kwadjo, die achteruit

[p. 38]

weken.

‘Ik ben niet bang voor de straf die je zult bedenken, William Mackintosh. Wat ik heb gedaan, kan je niet meer veranderen. Slechts mijn lichaam dat je in slavernij houd, kun je treffen, maar mijn geest is vrij en onkwetsbaar’. Na deze woorden heerste er een doodse stilte, die door Winst werd verbroken.

‘Hij heeft gesproken, hij heeft gesproken. Tata Colin heeft gesproken’, juichte hij. Opeens schenen de slaven zich te realiseren dat het de eerste woorden waren die Colin had gesproken na een stilzwijgen van drie jaren. Ze waren getuige van een wonder en spraken opgewonden door elkaar. Kwadjo deed grommend enkele passen naar voren, maar William Mackintosh beduidde hem met een handgebaar Colin verder te laten spreken.

‘Hoe lang zal het jullie nog lukken ons te vernederen? Wij zijn niet geboren om als werkvee te dienen. De tijd wanneer we onze vrijheid zullen herkrijgen, zal spoedig aanbreken en niets en niemand zal ons kunnen tegenhouden’.

Er lag vrees in Mackintosh' ogen. Hij sprong op en pakte Kwadjo de zweep af. Colin deed een stap naar voren en keek Mackintosh strak in de ogen. Deze hief de zweep op, maar hij kon Colin's blik niet weerstaan en zijn arm zakte langzaam. ‘Jij, smerige hond’, siste hij. Ik zal je hiervoor laten villen. Hij gaf de zweep aan Kwadjo en plofte op zijn stoel neer. Met zijn hemdsmouwen wiste hij het zweet van zijn gezicht. Colin had met een robuuste oprechtheid tot zijn hart gesproken. Ifa klemde de tanden op elkaar, verdoofd door angst voor wat er zou gebeuren. Colin had

[p. 39]

door zijn houding William Mackintosh volkomen van zijn stuk gebracht. Een gevoel van machteloosheid had bezit van hem genomen. Op Colin's gezicht lag een uitdrukking van stille voldoening. Hij keerde zich om en keek naar zijn medeslaven. Deze begonnen zich te roeren. Mackintosh gaf Kwadjo een teken en deze knalde met de zweep, waarop de slaven uiteen gingen. ‘Breng die idioot naar het negerziekenhuis en laat hem opsluiten. Mackintosh pakte zijn geweer en ging in de schommelstoel op de galerij zitten. Na Colin's vertrek heerste er een onheilspellende stilte op Leosowes.

De zon zonk, het avondrood doofde en de laatste matte strepen van de schemering verdwenen als stervende verwachtingen. De eerste diepe duisternis van de avond viel in, duisterder nog dan de nacht, daar er geen ster aan de hemel stond.

De slaven zaten in hun huisjes en overal werd er over Colin gesproken. Tata Colin, die na drie jaar van stomheid plotseling had gesproken, nadat hij zijn huisje in brand had gestoken. Velen van hen vroegen zich af of nu eindelijk de tijd was aangebroken, de tijd zoals die hen reeds jaren door Denmark was voorgehouden, de tijd van de bevrijding, waarop ze zolang hadden gewacht en nog wachtten.

 

Het negerziekenhuis waarin Colin was opgesloten, was een op palen staande woning, waarin behalve Colin nog vier zieke slaven waren ondergebracht.

Peggy, een uit Afrika afkomstige slavin, die met de zorg van de zieken was belast, was een van de vertrouwelingen

[p. 40]

van Colin. Ze kende hem nog uit de tijd dat hij in de katoenloods op Leasowes werkte. De sweri die op de geheime bijeenkomsten werd gedronken, werd altijd door haar bereid. Colin zat in de hoek van de kamer en luisterde naar de slepende voetstappen van de oude vrouw op de gang. Hij hoorde haar de sleutel in het slot steken en de deur ging open. Ze stond met in de ene hand een lantaarn en in de andere een kalebas met eten. Ze zette de lantaarn midden in de kamer neer en reikte Colin het eten aan.

‘Is Kwadjo al voor controle geweest’, vroeg Colin. Hij zag dat ze de deur achter zich openliet, maar geen aanstalte maakte om weg te gaan. ‘Hij zal voor vanavond niet meer komen. Hij weet trouwens niet dat ik een sleutel van deze kamer heb’.

Colin begon zwijgend te eten, terwijl Peggy tegenover hem op de vloer plaatsnam. Haar spierwitte kroeshaar stak aan één kant uit van onder haar hoofddoek. Het schijnsel van de lantaarn gaf haar gezicht met de tandeloze mond iets geheimzinnigs. Nadat Colin had gegeten, nam ze de kalebas weer aan en zonder verder een woord te zeggen, verliet ze de kamer. Colin hoorde haar de deur niet op slot doen.

 

Winst struikelde over een kruiwagen die tegen het huisje van Franklin stond. Hij vloekte in zichzelf, betastte zijn zere knie en klopte zachtjes op de deur.

‘Franklin, Franklin, doe open, ik ben het, Winst van Leasowes’.

‘Wie is daar’, vroeg Franklin na een poosje.

‘Ik ben het neger, doe open man, ken je m'n stem niet meer’?

[p. 41]

Franklin verscheen in de deuropening en keek Winst verbaasd aan.

‘Wat brengt je op dit uur van de nacht op Burnside, man’? ‘Slecht nieuws. Sta niet te kijken en laat me binnen’. Franklin's ogen stonden vol wantrouwen. Hij stapte opzij en liet zijn bezoeker binnen. Winst ging op de vloer zitten, terwijl Franklin behoedzaam de deur achter zich dichttrok. ‘Tata Colin is in het negerziekenhuis opgesloten’!

‘Opgesloten’, vroeg Franklin verbaasd.

‘Ja man, dat heb je goed gehoord. Hij heeft vanmiddag zijn huisje in brand gestoken en aan Masra William gezegd dat hij niet...’ Franklin hief zijn hand op: ‘Wees toch rustig neger en vertel me wat er precies is gebeurd’.

‘Tata Colin heeft vandaag zijn huisje in brand gestoken’, begon Winst weer en hij heeft aan Masra William gezegd dat hij niet bang is voor straf, omdat zijn lichaam in slavernij, maar zijn geest vrij is. Masra William zou daarom alleen zijn lichaam kunnen kwetsen’.

Franklin's ogen straalden, terwijl Winst hem vertelde hoe William Mackintosh Kwadjo de zweep had afgepakt, maar Colin niet kon slaan, omdat deze hem strak was blijven aankijken, terwijl hij sprak.

‘Hoe kun je zo kalm blijven, man, begrijp je niet wat voor gevolgen dit kan hebben’? Winst raakte al pratende opgewonden. ‘Praat niet zo luid, man, heel Coronie kan je horen als je zo doorgaat’, zei Franklin. ‘Moeten we gewoon blijven toezien, terwijl hij opgesloten zit in het negerziekenhuis’? Winst raakte woedend om de houding van zijn vriend, die zich niet bezorgd scheen te maken om wat er gebeurd was. Hij schudde vertwijfeld het hoofd.

[p. 42]

‘Ik weet zeker dat hij zijn huis in brand heeft gestoken als teken dat wij ons moeten klaarhouden voor de strijd’.

‘We zullen, zoals hij van ons verwacht, kalm blijven en afwachten, totdat we van hem horen wat we moeten doen’, zei Franklin beslist. We mogen zonder Tata Colin te raadplegen niets doen dan kalm blijven man’. Winst werd nu razend: ‘Kalm blijven, man je bent gek’, voegde hij Franklin toe. ‘Hoe kan je nu zeggen dat we niets kunnen doen, we kunnen toch gaan kijken’? Franklin bleef volhouden: ‘We zullen contact met Tata Colin maken, morgenavond nog, dan pas kunnen we weten wat hij van ons verlangt’. Winst stond abrupt op en liet een langgerekte tjoeri horen. ‘Ik begrijp er niets van, niets’, mompelde hij, en zonder afscheid te nemen, verliet hij Franklin.

Franklin sloop direkt de duisternis in, op weg naar Denmark om hem het grote nieuws te brengen.

 

William Mackintosh lag op bed en viel eindelijk in een rusteloze slaap. Nu en dan schoot hij overeind en meende iets gehoord te hebben, maar het was alleen maar de wind buiten op de velden. Pas tegen de ochtend kon hij met moeite de slaap vatten. Hij droomde van zwermen opete's boven de katoenvelden en rupsen die alles vernielden. Hij werd wakker nadat de zon reeds was opgegaan. Het geluid van de slaven die zich voor hun dagtaak gereedmaakten, drong zachtjes door tot de slaapkamer. Hij liep naaide galerij en ging op de schommelstoel zitten. Hij tuurde naar de wolken die heel hoog, statig boven de plantage voortdreven. Hij zat te denken aan het voorval dat de dag

[p. 43]

tevoren had plaatsgevonden en dat hem de hele nacht uit de slaap had gehouden. Het was niet zozeer Colins daad als wel diens houding, die hem zo in de war had gebracht. Hoe had een slaaf over wiens leven en dood hij kon beschikken zo tegen hem durven praten? Onze vrijheid, had die hond nog gezegd. De tijd waarop wij onze vrijheid zullen herkrijgen, zal spoedig aanbreken. Ik had hem moeten laten geselen, wat verwacht die gek eigenlijk?

Hij stond op en ging naar de slaapkamer, waar hij zich begon te kleden. Nadat hij had ontbeten, kwam hij weer op de galerij. De slaven stonden te wachten op de instrukties van Kwadjo. Hij keek naar de groep zwijgende mannen en vrouwen die met gebogen hoofd voor hem stond. Uit hun houding viel niets te merken van wat zich de dag tevoren had afgespeeld. En juist dit verontrustte William Mackintosh des te meer.

 

Franklin en Denmark, vergezeld van Pranza en Princes, gingen van Burnside naar Leasowes, waar ze Winst zouden ontmoeten. Winst zou hen vergezellen bij het bezoek aan Colin. Onderweg werd er niet gesproken, zelfs niet gefluisterd. Ze waren elk met hun eigen gedachten bezig. Ze hadden Leasowes bereikt en plotseling werd hun aandacht getrokken door een nachtvogel heel dichtbij. Daarna, snel naderbij komende voetstappen. Ze doken weg in het adroegras langs de weg. Het was Winst die zich bij het viertal aansloot en samen gingen ze verder op weg naar het negerziekenhuis. De avond was gevallen. Peggy had de deur van Colins kamer weer geopend. Hij zat op een houten bankje en keek naar de insekten die door het

[p. 44]

schijnsel van de lantaarn aangetrokken, eromheen zwermden. Sommigen vlogen tegen het glas en vielen dood op de vloer.

De andere slaven die in het huis waren sliepen reeds, evenals Peggy. Colin dacht aan Ifa en zijn hart kromp ineen van verlangen haar in zijn armen te sluiten. Gisteren bij het verlaten van Leasowes had hij nog eenmaal omgekeken. Hij had haar in de deuropening zien staan, onbeweeglijk en diep bedroefd. Hij had ook de angst in haar ogen gezien terwijl hij met William Mackintosh sprak, maar ze had zich flink gehouden. Hij probeerde zich het gebeurde weer voor de geest te halen, maar zijn overpeinzingen werden onderbroken door de roep van een nachtvogel. Hij kende dit teken en wist dat hij bezoek kreeg van zijn getrouwen. Hij haastte zich om de trapdeur te openen. De bezoekers verschenen boven aan de trap en Colin stapte opzij om ze binnen te laten. Ze omhelsden elkaar en volgden hem naar zijn kamer. Hij draaide het licht van de lantaarn hoger, terwijl de anderen op de vloer gingen zitten. Er verschenen diepe rimpels op zijn voorhoofd. En hij begon met gedempte stem te praten.

‘Jullie weten wat zich op Leasowes heeft afgespeeld. Nu is de tijd rijp om tot aktie over te gaan. Ik zal vanavond enkele dingen aan jullie openbaren, zodat je op de hoogte bent van wat er verder zal moeten gebeuren. Jullie moeten de bezoeken aan dit ziekenhuis zoveel mogelijk beperken. Je weet nooit of je gevolgd wordt. We kunnen nu geen risico's nemen na alle voorbereidingen die ik getroffen heb. Ik wil jullie ook zeggen dat gedurende de drie jaar dat ik niet sprak, mijn geest niet in Suriname was. In andere

[p. 45]

delen van de wereld heb ik andere broeders en zusters uit de slavernij bevrijd’. Kreten van bewondering klonken en de zwarte gezichten keken hoopvol naar Colin.

‘In de jaren waarin ik niet sprak, werd op de plantages verteld dat ik me stom hield om niet te hoeven werken. Ook werd er door sommigen gezegd dat ik niet in staat zou zijn tot wat ik beloofde waar te maken. Velen hebben me in die tijd de rug toegekeerd, maar samen met hen die nog vertrouwen hebben, zullen we ten strijde trekken en zegevieren’. Na deze woorden volgde een goedkeurend gemompel. ‘De onderdukten in vele delen van de wereld zijn reeds vrij, nu is het de beurt aan Suriname’. Franklin greep Colins hand vast en drukte die stevig.

‘Wat zal ons een teken zijn, Tata Colin, zeg het ons zodat we het aan hen die wanhopen, en zich door de blanken die twee oogsten geleden in Coronie aankwamen, laten dopen, omdat ze zijn gaan twijfelen aan onze overwinning, kunnen vertellen. Ze geloven dat de blanken-doop ervoor zal zorgen dat ons, net als in Demerary en Berbice, de vrijheid zal worden geschonken’.

Colin hurkte en sprak: ‘Leasowes zal door een overstroming worden getroffen’. ‘Een overstroming’, vroeg Denmark. Colin knikte bevestigend en vervolgde: ‘Ik weet dat er vele vragen zijn, maar laten we het voor vanavond hierbij laten, bij de volgende ontmoeting zal ik jullie zeggen wat er gedaan moet worden. Wees geduldig, maar vooral voorzichtig. Dit nog, de slaven in Demerary en Berbice kregen hun vrijheid niet geschonken, omdat ze zich door de blanken hebben laten dopen, maar omdat de bakras daar hebben ingezien dat de bevrijding van alle slaven,

[p. 46]

waar ook ter wereld, binnenkort op komst is. Onze broeders en zusters daar langer in slavernij houden, was daarom zinloos. Vergeet dat niet. Gaan jullie nu, we kunnen het vanavond niet te lang maken, er is nog zoveel te doen’. Ze stonden op en na elkaar omhelsd te hebben, gingen ze opgelucht weg.

Niemand beter dan Franklin kon achterlangs de plantages gaan zonder geluid te maken of de honden te alarmeren. Hij was de andere getrouwen gaan vertellen wat Colin gezegd had. Nu waren ze weer hoopvol gestemd en blij dat ze al die jaren toch maar geduldig hadden gewacht op de beslissing van Tata Colin.

De lucht begon in het oosten te kleuren, het licht brak reeds door. Hij was op weg naar Burnside. Hij dook vanachter het grote huis op en de honden kwamen kwispelstaartend op hem af.

Op de plantages heerste een geheimzinnig stilzwijgen. Het was de slaven nu duidelijker dan ooit tevoren dat Colin een obiaman was, gezonden om zijn volk uit de slavernij te verlossen.

 

Ifa sloot de deur zachtjes achter zich en luisterde gespannen naar de geluiden uit het huis. Waar ze stond, kon ze zelfs het luide snurken van William Mackintosh niet horen. Ze bleef even op de galerij staan om haar ogen aan de duisternis te laten wennen. Haastig ging ze de oprijlaan op, op weg naar het negerziekenhuis. Bij aankomst hield ze zich een poosje in de voortuin op om er zeker van te zijn dat ze niet werd gevolgd. Ze sloop naar het achtererf en kroop op handen en voeten, tastend in het donker, de

[p. 47]

trap op. Ze gaf een duw tegen de deur die openging en kwam in de donkere gang terecht. Ze hoorde het geschuifel van voetstappen en drukte zich verschrikt tegen de muur. ‘Colin’?

‘Ja, ik ben het Ifa’.

Ze zuchtte van opluchting. Hij nam haar hand en leidde haar naar de kamer. In het schijnsel van de olielamp, die in de hoek van de kamer stond, keek hij naar haar bezorgd gezicht. Ze stortte zich in zijn armen en hij streelde haar gezicht, terwijl hij haar heen en weer wiegde.

Met een schok drong het weer tot haar door dat hij kon praten. In de jaren waarin hij geen woord had gesproken, had ze de hoop opgegeven dat hij ooit weer zou kunnen praten.

Nu hoorde ze weer zijn stem zoals lang geleden, wanneer hij zachtjes haar naam noemde. Ze wilde zoveel zeggen, maar de woorden kwamen haar maar niet over de lippen. In een flitsend moment ging heel haar leven aan haar voorbij. Ze zag zichzelf als kind een klein meisje op plantage Clyde. Ze zat op de trap voor het huis van granmasra en drukte het hondje dat zacht jankte tegen zich aan. Finta, haar moeder, was in de keuken bezig met het ontbijt voor de granmasra en de zijnen. De andere slaven waren reeds op het veld. Ze had de grote wastobbe met water uit de put gevuld, daarna een bad genomen en het hondje gewassen. Later op de dag zou ze met de was helpen. Daarna zou ze op de galerij zitten, terwijl Finta de kleren streek. Op de galerij werden grote stapels wasgoed door Finta gestreken. Het duurde soms tot lang nadat allen van de plantage naar bed waren gegaan, aleer Finta gereed

[p. 48]

was met haar strijkwerk. Ze hielp met alle werkzaamheden die haar moeder als huisslavin moest verrichten. Zo groeide ze op in en nabij het huis van granmasra, terwijl kinderen van haar leeftijd de hele dag in de katoenloods doorbrachten. Op die avonden vertelde Finta haar dan verhalen over Afrika, waar de negers net zo vrij waren als de blanken op de plantages. ‘Alleen de krijgers die tijdens oorlogen gevangengenomen werden, dienden als slaven’.

Door de plotselinge dood van Finta was er iets in haar kapot gegaan dat niet meer te helen was. Ze herinnerde zich hoe moeders lijk door de jongeren van de plantage naar het achtererf was gedragen. De ouderen liepen voorop met de dron en de schelphoorn, waar af en toe op werd geblazen. Het graf van Finta was met talrijke anjisas en zijden lapjes versierd. Op een wenk van de plantage-oudste werd de kist naast het graf neergezet. De mannen waren naar voren gekomen hadden de kist langzaam in het graf laten zakken. De slavinnen wierpen de anjisas en zijden lapjes in de kuil, die half met aarde werd gevuld. Allen kwamen in een kring er omheen staan De dresi'ma van de plantage hief een lied aan en kwam plechtig naderbij. Een kalebas waarin doodszweet van Finta was opgevangen, werd omhoog gehouden, daarna werd het vocht met apankra en lemmetjesap vermengd. Alle omstanders dronken daarvan als blijk van hun liefde voor de overledene. Daarna werd het graf dichtgemaakt, waarna de dresi'ma er bovenop ging. Ze besprenkelde het gesloten graf met apankra uit een grote kruik en gaf deze vervolgens aan de dorpsoudste die er een slok uit nam en op het graf begon te springen. Anderen volgden zijn voorbeeld.

[p. 49]

Dit ging net zo lang door tot de apankra op was en het graf plat gestampt. Daarna hadden ze iedere dag, zes weken lang, vers eten op Finta's graf gelegd. De jaren zonder Finta gingen als in een droom voorbij. Het kleine meisje groeide op tot een mooie jonge vrouw, die de plaats van haar moeder in het huis van de granmasra had ingenomen.

Op een zondag kwam er een koets op Clyde aan. William Mackintosh, wiens vrouw een paar maanden geleden was gestorven, was de gast van de granmasra. Hij bleef er twee dagen en toen hij vertrok, moest ze met hem mee. De koetsier die hen naar Leasowes bracht was Colin.

‘Je bent stil Ifa, waar denk je aan’? Ze schrok op uit haar gepeins.

‘Ik dacht aan ons, Colin’.

‘Heb je nieuws van Leasowes’?

‘Alles is weer rustig, maar...’.

‘Maar wat, Ifa’?

‘Ik mis je Colin, wat zal er verder gebeuren’?

‘Je moet je gewoon rustig houden, Ifa en niet twijfelen. De tijd is nu rijp. We zullen spoedig vrij zijn. We zullen een nieuw leven beginnen als vrije mensen, die over hun eigen lot kunnen beslissen. We zullen nooit meer het eigendom zijn van wie dan ook’.

‘Ik twijfel niet, maar ik maak me bezorgd over jou Colin’. De besliste klank in haar stem overtuigde hem van haar oprechtheid.

‘Er wordt gefluisterd over een grote overstroming Colin. Wat heeft dat allemaal te betekenen’? Colin legde zijn hand op haar mond.

[p. 50]

‘Laten wij daarover niet praten Ifa. Je had hier niet moeten komen, het is te gevaarlijk. Begrijp je niet wat je te wachten staat als dit wordt ontdekt’? Hij hoorde aan haar ademhaling die plotseling sneller werd, dat ze zich opwond. ‘Dringt het niet tot je door, dat je na drie lange jaren voor het eerst weer tot me praat? Begrijp je dan niet dat ik je zoveel te vragen heb? Het enige waar je je zorgen over schijnt te maken is nieuws over Leasowes. Zeg het me nu Colin, hoe lang nog, wanneer’? Hij voelde hoe haar nagels zich in zijn vlees boorden, langzaam zakten ze op de vloer neer.

 

Van mond tot mond ging het nieuws over heel Coronie: ‘Leasowes is overstroomd’!

De nacht na de overstroming zaten ze op de vloer in het negerziekenhuis om Colin heen. Op het moment dat Franklin iets wilde zeggen, hief Colin zijn hand op. Ze hoorden voetstappen op de gang. Verschrikt keken ze elkaar aan. De deur ging open en Peggy kwam de kamer binnen. De mannen schoven een eind op om de oude vrouw die wakker was geworden en erbij wilde zijn, te laten zitten. ‘Jullie behoeven je niet bezorgd te maken over de overstroming, het water zal langzaam weer naar zee, waar het vandaan kwam, stromen. Ik zal jullie vertellen, wanneer we tot aktie moeten overgaan. Wanneer de granmanster en de officiersster aan de hemel samenkomen, zullen we toeslaan. We zullen de balaas verslaan en de plantages zullen dan aan ons toebehoren. De bakras zullen als slaven voor ons werken. Jij, Denmark, zal Granman

[p. 51]

van het land worden en Franklin je foetoeboi. Ik wil jullie vragen voorlopig je bezoeken aan mij te staken. Ik laat jullie wel door Peggy weten, wanneer je weer moet komen. Gaan jullie nu en verzamel alle wapens waar je de hand op kunt leggen. Bewaar ze goed, maar wel onder handbereik, want we zullen ze nodig hebben. We zullen net als de andere slaven in andere delen van de wereld, die ontwaakt zijn en zich bewust van hun kracht, in beweging komen. Ik verzeker jullie, dat we zullen zegevieren’! Colin onderbrak de zegewensen en gerustgesteld verlieten ze het negerziekenhuis.

Zoals Colin had voorspeld, was het water geleidelijk aan weggestroomd, maar een groot deel van de aanplant was er door vernield. De slaven onder aanvoering van Kwadjo hadden de dambreuk hersteld. Op de geheime bijeenkomsten die door Franklin en Denmark op de omliggende plantages werden gehouden, groeide Colins aanhang gestadig. Velen sloten zich, na het drinken van sweri, bij de beweging aan. Het verhaal dat de overstroming van Leasowes door Colin was voorspeld, verspreidde zich even snel als de stank van de rottende katoenpitten in de putten achter de plantages.

 

‘We kunnen beter op de galerij gaan zitten, de tuin is door de overstroming in een modderpoel veranderd, zoals je zelf kunt zien’. De landdrost volgde Mackintosh op diens voorstel naar de galerij. Nadat zijn gast tegenover hem had plaatsgenomen, gaf William Mackintosh Ifa een wenk en zij bracht de wijn en sigaren. Ifa begreep dat er iets belangrijks zou worden besproken en treuzelde, maar de

[p. 52]

masra beduidde haar dat ze moest gaan. De landdrost vulde zijn glas, nam een slok en smakte met z'n lippen. William Mackintosh volgde het voorbeeld van zijn gast en keek zenuwachtig om zich heen alsof hij zich wilde overtuigen dat niemand meeluisterde.

‘Ik heb je laten komen omdat er hier vreemde dingen gebeuren’, zei bij na een korte poos. ‘Je weet dat die idioot van een Colin zijn huis in brand heeft gestoken. Ik heb hem daarvoor in het negerziekenhuis laten opsluiten. Het gebeurde net nadat de slaven van het veld waren teruggekeerd. Ik wilde Colin aanvankelijk laten geselen, maar ik vermoedde dat daar moeilijkheden van zouden komen, want God mag weten waarom ze allemaal opzien tegen die gek. Hij bleef ook nadat hij door Kwadjo werd weggeleid, rustig. Hij zit nu al tien dagen gevangen en ik heb sindsdien geen problemen meer gehad. Wat mij verwonderde, was dat toen de plantage overstroomde de negers bijzonder rustig bleven, alsof ze zoiets hadden verwacht. Kwadjo vertelde me dat de dambreuk niet door het water was ontstaan, maar dat iemand had gesaboteerd’. De landdrost slaakte een kreet van verbazing en schoof zijn stoel naderbij.

‘Gisteren vertelde George, een slaaf die ik een tijd geleden van John Wilkins overnam, mij dat Colin geheime bijeenkomsten in het negerziekenhuis houdt, waar een komplot wordt gesmeed om een omwenteling teweeg te brengen’. William Mackintosh had moeite zijn stem normaal te laten klinken. ‘Ik wilde je daarom vragen de militairen onmiddellijk in te schakelen om die vervloekten onschadelijk te maken voordat er moeilijkheden komen’.

[p. 53]

Er verscheen een sluw lachje om de lippen van de landdrost die aandachtig had zitten luisteren. William Mackintosh ging onrustig verzitten schonk zijn glas opnieuw vol, terwijl hij zijn gast verwachtingsvol aanstaarde.

‘Ik ben het met je eens, William, de beste manier om een opstand te onderdrukken, is ingrijpen voor die begint. Maar als je problemen wilt voorkomen, mijn beste William, zullen we de soldaten er niet bij moeten halen, althans nu nog niet. De komst van soldaten zou nu meer kwaad dan goed doen. De slaven zouden hierin gevaar zien en zeker overgaan tot verzet plegen. Dit is een aangelegenheid die we zelf zullen moeten oplossen. We moeten onverwacht en vooral voorzichtig toeslaan’. Mackintosh was een andere mening toegedaan: ‘Als we het zonder de soldaten zouden doen, zou het uit de hand kunnen lopen’, opperde hij. De landdrost nam een teug en schudde peinzend het hoofd. ‘Maak je niet druk, William, we zullen de vervloekten een lesje leren dat ze niet gauw zullen vergeten’.

 

In de donkere voortuin van het negerziekenhuis hielden William Mackintosh, de landdrost en Kwadjo zich verborgen. Ze zagen licht in de kamer van Colin, hoorden z'n stem, maar konden niet verstaan wat hij zei. Op een wenk van de landdrost ging Kwadjo, gevolgd door het drietal naar de achterkant van het huis. Kwadjo bleef staan en met zijn hand aan het oor luisterde hij gespannen. Hij ontstak de lantaarn die hij bij zich had en gevolgd door de anderen met de geweren in de aanslag, gingen ze de trap op. Kwadjo gaf een duwtje tegen de deur die knarsend openging. Op de gang gekomen, stormden ze

[p. 54]

Colins kamer binnen. De vrouwen gilden en na hevig verzet van de mannen waarbij Mackintosh een snee in het gelaat opliep, werden ze in boeien geslagen. Aan de giftige haat in Kwadjo's ogen zag Colin dat deze niet zou aarzelen hem te doden, als hij daartoe de opdracht van Mackintosh zou krijgen. Door het besef dat hij verraden was, sloeg Colins wanhoop om in een laaiende woede.

‘Wat jullie ook doen, de vrijheid die op komst is, zullen jullie niet meer kunnen tegenhouden. Het heeft geen zin ons gevangen te nemen om dat te voorkomen. Anders zouden jullie alle slaven hier in Coronie en zelfs in heel Suriname moeten gevangennemen’, brulde hij ze toe.

Het vuur dat in de ogen van William Mackintosh verscheen, was een duidelijk signaal dat de ontploffing op komst was. Hij gaf Colin een slag tegen de buik met de kolf van zijn geweer. ‘Smerige honden, ik zal jullie allemaal laten radbraken, versta je dat’, schreeuwde hij, terwijl zijn speeksel Colins gelaat besproeide. Z'n ogen stonden wild en zijn lippen trilden. ‘Laten we hier weggaan, mannen, anders bega ik nog een moord. De vrouwen nemen we mee’, beval de landdrost. Pransa, Peggy en Princes werden de gang opgeduwd. De mannen werden geboeid achtergelaten, waarna de deur zorgvuldig werd gesloten. Franklin, Colin en Winst zaten verslagen op de vloer.

 

Voor Coronie, waar na de plaag van de groene rupsen die vele katoenaanplantingen had vernield, in geen jaren iets opzienbarends was gebeurd, betekende het beramen van een samenzwering een meer dan belangrijke gebeurtenis. Op aanwijzing van de verrader, de slaaf George, werden

[p. 55]

nog drie slaven van de plantage Novar gevangengenomen en in het koetshuis van John Wilkins op Burnside opgesloten. Onder de slaven in Coronie heerste een gespannen sfeer, een sfeer van afwachten. De planters begrepen spoedig dat ze iets moes