Bredero behoorde tot de zeer bekende dichters van zijn tijd. Tijdens en kort na zijn leven is zijn werk veel gedrukt en gespeeld. Bekend is de mededeling van zijn vriend Samuel Coster, in de Voorrede tot de Spelen van Bredero van 1617: ‘Het is immers de waerheyt, dat van den tweeden Iulij 1615. af, tot April 1616. toe, 'twelck minder is als thien achter een volgende maenden, het Oude-mannen Goodshuys door den vlijt ende neersticheyt van ons Tween, over de twee duysent guldens, boven alle onkosten, ghenoten heeft, behalven dat de Camer noch soo aen kleeren als ander behoefticheden daerby grootelicx is verrijckt. Ende dat inde drye iaren tydts oft daer ontrent die Breroo by de Camer geweest is, het voorsz Gods-huys meer inkomst gehad heeft, als in alle de voorgaende iaren dat voor 'tselve by de Camer gespeelt is geweest’ (1883; 621).
Maar uit dezelfde voorrede valt af te leiden dat Bredero en Coster toch niet algemeen geliefd waren: ‘'Ten is nu (Godt betert) sommige nydige Ba-Bokken niet ghenoech, dat de Poëten, die voortyts tot last waren, huydensdaegs tot verlichtinge van de Staet zyn: sy beloonense noch daer en boven, in plaets van eer en ryckdom, met laster en achterklap’ (1883; 621). Verweer tegen ‘laster en achterklap’ neemt in Bredero's werk een ruime plaats in. In zijn inleidingen bij de spelen, die door hun drastisch realisme zeker tot kritiek aanleiding konden geven, is er voortdurend sprake van, maar ook in de liefdespoëzie komt dit thema herhaaldelijk aan de orde. De veronderstelling is dan ook uitgesproken, door J.J. Gielen in De Nieuwe Taalgids (1935; 385 e.v.), dat Bredero het middelpunt zou zijn geweest van een heftige, waarschijnlijk in pamfletten gevoerde strijd. Tot dusver ontbreekt voor deze opvatting elk bewijs in de vorm van ook maar één enkel geschrift. Wel dragen vele lofdichten een uitgesproken defensief karakter, en ook is er een enkel spoor van kritiek van hogerhand in een gebeurtenis die zich in 1616 in Arnhem afspeelde: ‘In dezen winter hadden eenige Borgers voor, om, door de Tooneelspelen van den Amsterdammer Gerbrand Adriaenz Bredero opgewekt, zijn Roddrick ende Alphonsus te vertoonen; edog het werdt hun op den 26. Februarij afgeslagen; denkelijk, en dus met het grootste recht, omdat de per-
sonen van Nieuwen-Haen en Griet Smeers in dat Treurspel voor 't meest een taal uitslaan waar door kuische ooren gekwetst worden’ (1790; 269). Bredero's werk en de niet zo talrijke gegevens die over de ontvangst er van bekend zijn geven hem soms meer het aanzien van een bekende, maar omstreden, dan van een populaire figuur. In ieder geval mag men uit de grote bekendheid, die Bredero stellig tijdens en kort na zijn leven bezat, niet besluiten tot een algemene positieve waardering.
Rechtstreekse bewijzen voor die grote bekendheid vormen in de eerste plaats de zeer talrijke uitgaven van zijn werk. Unger heeft er in zijn in 1884 verschenen en bij de uitgave van de verzamelde werken in 1890 door hemzelf en later door Van Rijnbach aangevulde bibliografie tot 1630 ruim dertig geteld. Dat zijn de volgende edities:
| 1616 | Rodd'rick ende Alphonsus Griane Lucelle |
| 1617 | (Rodd'rick ende Alphonsus, Griane, Lucelle)*)
Moortje |
| 1618 | Spaanschen Brabander Spaanschen Brabander Klucht van den Molenaer |
| 1619 | Lucelle Spaanschen Brabander Stommen Ridder Verzamelde kluchten |
| 1620 | Verzamelde kluchten Nederduytsche Rijmen Symen sonder Soetichheydt Rodd'rick ende Alphonsus Stommen Ridder Moortje |
| 1621 | Lied-boeck**)
Griane |
| Spaanschen Brabander Lucelle |
|
| 1622 | Verzamelde spelen Lied-boeck Klucht van de Koe Verzamelde kluchten |
| 1623 | Angeniet |
| 1629 | Symen sonder Soetichheydt Klucht van den Molenaer Hoogduytschen Quacksalver Angeniet |
In de periode tot 1630 is dus van Bredero's verzamelde spelen één editie verschenen. Daarenboven waren er drie edities van de verzamelde kluchten en twee van het Lied-boeck, en van dat laatste moeten in ieder geval nog drie uitgaven tijdens Bredero's leven zijn verschenen. Van de spelen kreeg de Spaanschen Brabander vier en Lucelle drie aparte uitgaven. Maar er zijn zo weinig nadere gegevens voorhanden, bijvoorbeeld over oplagen, dat deze getallen met grote voorzichtigheid beoordeeld moeten worden.
Duidelijke conclusies zijn uit deze gegevens niet te trekken, of het moest zijn dat de tragikomedies, die gedurende zeer lange tijd vrijwel geen aandacht hebben getrokken, in Bredero's jaren niet veel minder in tel waren dan zijn ander werk.
Over de opvoeringen in deze tijd is weinig meer bekend dan hun financieel resultaat en enkele premièredata. Worp noemt daarvan (1920; 20): Rodd'rick 1611, Griane 17 september 1612, Klucht van de Koe 1612, Symen sonder Soetichheydt vermoedelijk ook 1612, Klucht van den Molenaer 1613, Lucelle vermoedelijk 1614, Moortje 1615, Spaanschen Brabander 1617. Bij repertoireopgaven van 1622 tot 1632 vond Worp geen sporen van opvoeringen van Bredero, hetgeen natuurlijk niet bewijst dat zij er ook werkelijk niet geweest zijn, maar wel overeenkomt met het geringe aantal uitgaven in deze jaren. Behalve het gebeuren in Arnhem is er geen spoor van opvoeringen buiten Amsterdam.
Iets meer aanwijzingen voor het succes van Bredero's werk ver-
strekken de navolgingen. In Bredero's eigen tijd waren zij minder talrijk dan in de jaren na zijn dood. De bekendste navolger was W.D. Hooft, zowel zijn stuk Jan Saly uit 1622 alsook Andrea de Pierde, peerdekooper van zes jaar later doen Kalff (1910; V; 163) en Te Winkel (1923; 420) aan Bredero denken. Het stuk Sistiliaen van G.A. Duirkant (1628) heeft komische intermezzo's die ook van Bredero afgekeken kunnen zijn (1910; V; 97).
Ogenschijnlijk veelzeggender zijn de talrijke lofdichten die de verschillende uitgaven van Bredero's afzonderlijke en verzamelde werken inleiden, en die tezamen afgedrukt zijn in de uitgave van de verzamelde werken van 1890. De lofdichten uit de zeventiende eeuw kan men vergelijken met de teksten van de boekomslagen van tegenwoordig. Zij hebben geen ander doel dan het wekken van een gunstige indruk voor het boek dat de lezer in handen heeft. Naarmate het werk dat zij begeleiden ons minder aanstaat hechten wij er minder waarde aan, te vertrouwen zijn zij in ieder geval nooit.
Een juist beeld van de waardering van Bredero op een bepaald moment geven de vele lofdichten bij zijn werk dus nimmer. De nadruk en veelvuldigheid waarmee Bredero met Terentius, Plautus en andere klassieke schrijvers wordt vergeleken betekent niet dat men hem hoger stelde dan al zijn tijdgenoten, maar wel dat men hem niet minder achtte. En daaruit volgt dat de lofdichten toch ook niet geheel zonder betekenis zijn. Uit de verheerlijkingen van Bredero blijkt dat men hem niet geringschatte en er blijkt ook uit, zij het niet zeer duidelijk, van welke aard de waardering voor Bredero was.
Twee eigenschappen worden zijn toneelpoëzie bij voortduring en in allerlei nuancen toegeschreven: boertigheid of humor en stichtelijkheid. Bijna steeds gaat de boertigheid voorop, en dikwijls draagt de opmerking over de stichtelijkheid een defensief en verontschuldigend karakter. Dit valt vooral op bij de lofdichten op het Moortje en de Spaanschen Brabander, waarin de grenzen van het fatsoen nogal ruim zijn genomen. Een enkele maal is de toon zelfs heftig:
De opvatting die in de twintigste eeuw opgang heeft gemaakt, nl. dat Bredero een tragische, gespleten figuur zou zijn geweest, en dat dit uit het toneelwerk valt af te lezen, wordt door geen tijdgenoot gedeeld.
Uiteraard vallen in de lijkdichten de accenten nog wat zwaarder. Het begrip onsterfelijkheid is met de dood verwant, daarom is het niet verwonderlijk dat de jonggestorven dichter herhaaldelijk onsterfelijk wordt genoemd. Ook bij de lijkdichten blijkt dat Bredero vooral als een humoristisch dichter wordt beschouwd. Het bekende gedichtje van J. van den Vondel levert een gaaf voorbeeld:
Maar niet alleen Thalia, de muze van het blijspel, betreurt Bredero.
schrijft A.v. Mildert in een kort lijkdicht. Bredero gold als een dichter van ‘boert en stichtich dicht’ (1890; II; 334), hij schreef ‘spelen treurich, bly, en lietsjes deftich, kluchtich’ (1890; II; 331).
Van die ‘lietsjes’ is in de lijkdichten overigens maar weinig sprake. Wel worden zij bezongen in de lof- en lijkdichten die de uitgave van het Lied-boeck van 1622 inleiden. Over het algemeen drukken deze zich zeer weinigzeggend over Bredero's lyriek uit. Sommige noemen en omschrijven de begrippen boertig, amoureus en aandachtig. Slechts één gedicht, ondertekend Hope troost, geeft een interpretatie die doet
zien dat ook in Bredero's tijd een enkeling de aandachtige poëzie voor werkelijke bekeringsgedichten houdt:
Het is moeilijk te zeggen of dit gedicht werkelijk een eigen mening en interpretatie geeft of niet meer is dan een parafrase van Bredero's tekst onder de gravure die de aandachtige liederen inleidt:
Maar in ieder geval geeft het sonnet van meer toegewijde aandacht voor de inhoud van de liederen blijk dan de veelal bombastische verheerlijkingen in de andere lof- en lijkdichten.
Van meer betekenis is natuurlijk vergelijking met Bredero in een lofdicht bij werk van een ander schrijver. Zo zegt P.F. Harlingensis Pictor dat de Friesche Lust-Hof niet voor Bredero's Lied-boeck onderdoet:
Kalff heeft gewezen op een minder rechtstreekse maar veelzeggender loftuiting in 1623 in de Klucht van Giertjen Wouters van J. Franssoon. Een knecht voegt daar zijn meester toe, als deze zichzelf bestempelt als ‘poeta laureatis’:
De niet bijzonder talrijke gedichten van Bredero die in het werk van andere schrijvers of in verzamelbundels zijn opgenomen zijn misschien ook als blijken van waardering te beschouwen. Maar omdat het niet goed mogelijk is de mate van waardering van Bredero uit het voorkomen van zo'n enkele tekst te bepalen, is van een opsomming, zoals Unger die geeft, afgezien. Het belangrijkste is wellicht dat in het stuk Geraert van Velsen Lyende van Suffridus Sixtinus van 1628 Bredero's lied van Arent Pieter Gysen door een van de personen wordt gezongen. Dit stuk is vaak opgevoerd en enige malen herdrukt, opmerkelijk is bovendien dat zelfs in een herdruk van 1663 van dit gedicht alleen de eerste regels in de tekst staan, men kende het blijkbaar dus nog.
Noch de lofdichten die Bredero bij het werk van anderen schreef, noch de gedichten van hem in een liedboek zoals Den Bloemhof van de Nederlantsche Ieught van 1608 (andere voorbeelden vindt men in de inleiding van Van Rijnbach bij het Lied-boeck) kunnen het inzicht in de waardering van Bredero's lyriek verdiepen. En ook invloed van zijn verzen op het werk van tijdgenoten is moeilijk aan te wijzen. Schepers heeft gewezen op enkele ontleningen door J.J. Starter, zonder twijfel een bewonderaar van Bredero's werk. Maar het sterkste voorbeeld dat Schepers noemt, duidelijke navolging door Boudewiin Jansen Wellens in 1616 van de Sonnetten van de Schoonheyt, bezit niet veel kracht, daar Bredero's auteurschap van deze gedichten toen niet bekend was en nu niet algemeen erkend wordt (1914; 66). Weevers heeft
nog gewezen op mogelijke beïnvloeding bij een gedicht van M. Opitz van 1624 (1938; 195).
Wat er verder aan getuigenissen over Bredero ter beschikking staat, is maar pover. In de bewerkte brief van P.C. Hooft aan de Oude Amsterdamse Kamer van 1607 is sprake van:
In de opdracht van zijn Sinne- en Minnebeelden van 1618 geeft J. Cats een iets genuanceerder aanduiding van zijn oordeel over Bredero. Hij prijst eerst Heinsius en Hooft,
Opitz, de Duitse bewonderaar van Heinsius, noemt in de inleiding van zijn Teutsche Poëmata van 1624 met bewondering ‘Roderick und Alfonsus, Griane, Spanischer Brabanter (,?) Lucella, Stummer Ritter’, naast werk van Hooft en Coster (1914; 23).
Samenvatting van het in dit hoofdstuk bijeengebrachte materiaal toont hoezeer Bredero in de eerste plaats gold als een bekend, en misschien ook wel enigszins omstreden, schrijver van kluchten, blijspelen en tragikomedies. Ook zijn lyrische poëzie bleef na zijn leven bekend.
Het beeld van de waardering van Bredero moge door het voorgaande enig relief hebben gekregen, verrassende perspectieven worden daardoor niet zichtbaar. Zijn bekendheid past in het raam van de tijd, waarin de deftige Hooft zijn Warenar schreef en, wat later, Huygens zijn Tryntje Cornelisdochter. Vele opvallende schrijvers van kluchten en liederen werkten in dezelfde trant, en ook de schilders Brouwer, Van Ostade en Steen drukten zich op vergelijkbare wijze uit. Het realisme van Bredero, dat ook verwant is met het realisme van de Reinaert en van Woutertje Pieterse, was in zijn tijd verbreid en gewaardeerd en Bredero gold als een der vooraanstaande beoefenaren van dit genre. Opvallend bij de waardering van Bredero's realisme is eigenlijk alleen dat voor zijn tijdgenoten niet het werkelijkheidsgehalte, maar de humor en de stichtelijkheid ervan de meest gewaardeerde eigenschappen waren.