terug  begin  verderprepost
[p. 43]

Hoofdstuk V
1730-1780

Er is geen periode, waarin de belangstelling voor persoon en werk van Bredero zo gering is, als in de jaren van 1730 tot 1780. De schaarse gegevens wijzen erop dat niet alleen de gedichten, zoals J. Wagenaar in 1765 zegt, ‘thans niet veel gelezen worden’ (1765; 395), maar dat ditzelfde ook voor het andere werk geldt.

Zo is er in de spectatoriale geschriften voor de beschouwing over het werk van Bredero al geen plaats meer. J. van Effen heeft terloops nog een goed woord over voor de kluchten (titels of schrijvers noemt hij niet), ‘in de welken de zeden en levenswyze van 't gemeene volk met de stiptste nauwkeurigheid worden afgeschildert en nagebootst’ (1732; 214), maar als dertig jaar later De Denker pleit voor ‘verbetering in de morsigheden van sommige oude Hollandsche stukjes’ (1764; 22), doelt hij op stukken die nog op de planken van de Amsterdamse schouwburg verschijnen, dus niet op werk van Bredero.

Wel, en zelfs grondig, heeft de voorman van het classicisme, Balthasar Huydecoper, Bredero gelezen. Ter verklaring en als commentaar op Vondels Ovidius-vertaling maakt hij ruim gebruik van het werk van ‘die platte Amsterdammer’ (1730; 555). Maar het is tekenend dat bijna al deze zestig citaten uit de tragikomedies zijn genomen, slechts drie komen uit het Moortje en twee uit Symen sonder Soetichheydt.

Was de belangstelling van het studentengezelschap Minima Crescunt te Leiden ook vooral taalkundig? Het lijkt er op. De leden van dit zeer selecte dichtgenootschap, dat in 1766 de stoot gaf tot de oprichting van de Maatschappij van Letterkunde, spraken over Bredero en maakten aantekeningen bij zijn werk. Zij droegen zelfs aan hun ‘buitenlid’ Rijklof Michaël van Goens op Bredero's werk te excerperen voor een woordenboek, naar J. Wille meedeelt in zijn studie over Van Goens (1937; 108), maar deze voltooide dit werk niet. Kalff weet bovendien te vertellen dat Van Goens bij herhaling werk van Bredero aan zijn vriend Ten Hove, Raad en Generaal Meester van de Munten, uitleende in 1781 (1910; VI; 602). Het verbaast daarom dat de naam van Bredero niet eens genoemd wordt in een discussie die Van Goens (onder het pseudonieum Le Philosophe sans Fard) in 1766 voert ‘over de voortreffelijkheit der oude en hedendaegsche poëten’. Zijn tegen-

[p. 44]

stander was. J. Macquet, arts, burgemeester van Zierikzee, dichter en theoreticus. In de Nieuwe Bydragen tot Opbouw der Vaderlandsche Letterkunde wordt de vergelijking uitvoerig uitgewerkt, maar hoeveel namen en voorbeelden de geleerde heren ook te berde brengen om hun meningen te staven, Bredero is daar niet onder. Ook in de Schets der gepreze Nederduitsche Dichtkunde van de predikant Adriaen Hardy van 1759, waar M. Hanot in De Nieuwe Taalgids de aandacht op vestigde, komt Bredero niet voor.

In 1774 schreef de Haarlemmer Willem Kops een Schets eener Geschiedenisse der Rederijkeren. Van Bredero maakt hij maar zeer terloops melding, maar opvallender is dat hij alleen Poot en Rotgans noemt als schrijvers die met de rederijkers de spot drijven, en de dichter van de Klucht van de Koe vergeet (1774; 294, 298). En in H. van Alphens Theorie der Schoone Kunsten en Wetenschappen, het werk dat door zijn nieuwe inzichten en andere waardering van het verleden een nieuwe periode inluidt, is alweer van Bredero geen sprake. Het enige blijk van werkelijke waardering is te vinden in een citaat dat Kalff in zijn Geschiedenis geeft, zonder de herkomst te vermelden, uit een pleidooi voor het burgerlijk toneelspel: ‘om die reden (nl. de afbeelding der werkelijkheid) zullen een Bredero, Hooft, Asselyn en Bernagie nimmer by ons vergeten, maar altoos met genoegen gespeeld en gelezen worden...... daar ze andersints om derzelver veeltyds laage onderwerpen, en gemeene straattaal, met veele reden, door 't gezond oordeel zouden afgekeurd en der vergetelheid opgeofferd worden’ (1910; VI; 602).

 

Iets meer kan men over Bredero vinden in de al eerder genoemde encyclopedieën, maar veel waarde kan men toch niet aan deze vermeldingen hechten, omdat zij meer op lectuur van voorgangers dan van Bredero berusten. Een uitzondering mag gemaakt worden voor het zesdelige Groot Algemeen Woordenboek van 1733, dat op naam staat van de letterkundige David van Hoogstraten, die echter in 1724 al stierf, en J.L. Schuer. De manier waarop Bredero daar beschreven wordt maakt geen onpersoonlijke indruk en is lovender dan verwacht kon worden. Bredero is ‘een snaaksch en boertig dichter’, zijn afbeelding van het ‘allerslechtste volkje’ is allernatuurlijkst en het verhaal hoe Bredero het materiaal voor zijn werk midden onder dit allerslechtste volkje verzamelde, wordt dan ook met begrip en plezier gedaan. Maar de lyriek kan in klassicistische oren geen genade vinden: ‘Zyn boertig en amoureus Liedboek en eenige andere mengeldichten hadt hy beter

[p. 45]

uit den druk gehouden, hadt hij eenigzins op eenen goeden naam te behouden gezet geweest......’ (1733; 380).

Het is aan deze vermelding te danken dat Bredero ook opgenomen wordt in de bijzonder omvangrijke achttiende druk van de Grand Dictionnaire Historique van L. Moréri die in 1740 in Amsterdam verscheen. In de druk van 1718 was er voor Bredero geen plaats, dat dat in 1740 anders is kan het best verklaard worden uit de aandacht die Van Hoogstraten hem schenkt. De tekst is trouwens een duidelijk uittreksel uit Van Hoogstraten (1740; 442). Ook Jan Wagenaar, de stadshistorieschrijver van Amsterdam, maakt van Van Hoogstraten gebruik. Wel heeft hij Bredero goed gelezen, hij citeert enige plaatsen uit de gedichten die bijzonderheden geven over het Amsterdamse toneel (1765; 395), maar zijn kenschets van Bredero is weer helemaal aan Van Hoogstraten ontleend (1767; 243). Ook voor de Mémoires pour servir à l'histoire littéraire des dix-sept Provincies des Pays-Bas van J.N. Paquot, te Leuven uitgegeven, heeft Van Hoogstraten als voorbeeld gediend. De opsomming van het werk van Bredero is er zeer gebrekkig (1768; 237).

 

Behalve in encyclopedieën kan men in deze periode dus vrijwel niets over Bredero vinden. Het enige dat voor een zekere bekendheid pleit in iets ruimer kring is een fragment van een gedicht van Ernst Willem Higt. Deze schreef in 1746 (hij was toen 23 jaar oud) een Lof der Tooneelpoësie, als toevoegsel bij zijn vertaling van de Redevoering over de Tooneelspelen, opgesteld door den wijdberoemden Samuel Werenfels, hoogleraar in de H. Godgeleerdheid en Welsprekendheid te Bazel. Beide werkstukken moesten dienen ter verdediging van het toneelspelen dat de studenten in Franeker beoefenden. Higt zegt daar van de toneelpoëzie:

 
‘Zij schetst de gierigheid belacchlijk voor onze oogen,
 
Wanneerze een Geeraard, of een' Warenar vertoont,
 
Die zich in al zijn zorg en spaaren vindt bedroogen,
 
En al zijne onrust ziet met spotternij beloond.
 
Zij doet een' snorker, die van hakken, klooven, kerven
 
Gansch windig opsnijdt in het afzijn van 't gevaar,
 
Op 't enkele gezigt van blank geweer besterven,
 
En in een laf gesmeek verandren zijn gebaar’ (1746; 55).

Dat in de eerste vier regels op Gierige Geraard uit de Spaanschen Brabander gedoeld wordt is duidelijk. Moeilijker is het om vast te

[p. 46]

stellen of in de volgende regels Hopman Roemer uit het Moortje getekend wordt, zoals Kalff veronderstelt (1910; VI; 566). In ieder geval acht de jonge Higt, die later rector te Alkmaar werd en bekendheid kreeg als Latijns dichter, zijn publiek zo goede verstaanders, dat zij ten aanzien van Bredero aan een half woord genoeg hadden.

 

Of deze opvatting juist was, en zeker of een ruimer publiek nog enigermate met Bredero's toneelfiguren vertrouwd was, mag na het bovenstaande betwijfeld worden. Dat Van Hoogstraten in 1735 ‘de toen nog onder het volk levende Bredero-traditie heeft vastgelegd’, zoals Albach het uitdrukt (Waardering; 1935; 5), klinkt in ieder geval te weids. Wel werd er in 1729 nog werk van Bredero opgevoerd, maar dat rechtvaardigt niet de mening dat er in deze periode nog iets van een Bredero-traditie is bewaard gebleven. In de jaren tussen 1730 en 1780, waarin de geest van klassicisme en dichtgenootschappen hoogtij viert, en het nieuwe zich nog maar onopvallend aankondigt, is de belangstelling voor Bredero tot het nulpunt gedaald.

prepostterug  begin  verder