De hiervoor gegeven schets van de waardering van Bredero van 1600-1950 berust op materiaal van verschillende aard. Voornamelijk geeft zij het oordeel weer van de specialisten die zich in de loop der jaren met het werk en de persoon van Bredero hebben bezig gehouden. Maar het thans nader te beschouwen begrip ‘waardering’ is toch iets heel anders dan het oordeel van Van Cappelle, Bakhuizen, Ten Brink, Verwey, Prinsen, Schepers, Knuttel en Van Rijnbach tezamen. Het omvat immers zoveel mogelijk het oordeel van allen, specialist of niet, die zich op enigerlei wijze met Bredero hebben ingelaten, en zelfs de mening van degenen die dat nauwelijks of niet hebben gedaan, maar die toch ‘iets’ van Bredero afweten. Vestdijk heeft in een opstel (1952; 44) waardering en roem van elkaar onderscheiden door roem een collectief en waardering een in hoofdzaak individueel verschijnsel te noemen. Door nu een gedetailleerde beschrijving van vele individuele waarderingen te geven ontstaat een beeld van Bredero's sociale functie dat genuanceerder is dan het oppervlakkige begrip roem.
Maar wil de gegeven schets werkelijk een beeld geven van Bredero's positie in de samenleving van vroeger en nu, dan is het nodig het historisch overzicht van de vorige bladzijden aan te vullen. Dat gaf immers naast de oordelen van de specialisten, die zich in artikelen, monografieën, litteratuurgeschiedenissen en inleidingen bij herdrukken uitspraken, alleen bij uitzondering, en dan vaak om een verouderd of merkwaardig standpunt te tonen, een beeld van een schoolboekje, een kranteverslag na een opvoering, een roman over Bredero of soortgelijke niet-wetenschappelijke bijzonderheden. Deze gaven de oordelen van de specialisten vaak een zeker perspectief, maar dan op de onnatuurlijke wijze van een toneeldecor. Immers, zij dienden ter aanduiding van een enkel in het oog springend detail, maar niet tot het geven van een doorlopende vergelijking tussen de individuele oordelen van de wetenschappelijke specialisten en de vaak nauwelijks meer individueel te noemen meningen van letterlievenden, schoolboekenschrijvers en encyclopedisten.
Het geven van zulk een doorlopende vergelijking - de enige wijze
om een juist beeld te geven van de ontwikkeling van de waardering van Bredero - stuit op verschillende moeilijkheden. In het eerste hoofdstuk is reeds uiteengezet, hoe bij gebrek aan een mogelijkheid om de persoon, de kennis en de mening van de lezer te benaderen, men zich moet beperken tot een analyse van het boek dat de lezer voor ogen krijgt. Zolang dat vergelijkbare werken van specialisten betreft, levert deze analyse geen bijzondere moeilijkheden op. Maar dit verandert, wanneer zeer verschillende produkten met elkaar vergeleken moeten worden. Wat betekent het oordeel in een kranteartikel of schoolboekje, vergeleken met dat van een wetenschappelijk specialist? Hoe is een roman over Bredero te vergelijken met een wetenschappelijke levensbeschrijving? Beide geven een oordeel over Bredero en dragen bij tot de kennis en waardering van zijn persoon en werk. De roman, met zijn grote oplaag, richt zich tot letterlievenden op een al of niet litterair niveau, die van het boek veelal zeer oppervlakkig kennis zullen nemen. De monografie richt zich tot enkele specialisten die er voor hun onderzoekingen of samenvattingen gebruik van maken, tot studenten die voor examens moeten weten wat erin staat, en tot de ook niet talrijke liefhebbers, wier belangstelling voor Bredero het gebruikelijke ver te boven gaat. Het is met andere woorden noodzakelijk na te gaan welke soorten van publikaties over Bredero verschenen zijn en een methode te vinden om deze ten opzichte van elkaar te beoordelen.
De publikaties over Bredero kan men, al stuit men soms op grensgevallen, in tien groepen indelen:
| 1) | Wetenschappelijke artikelen in tijdschriften en studiënbundels. Zij dienen ter aanvulling of wijziging van de voorstelling die de specialisten zich gevormd hebben. Zij richten zich dan ook alleen tot deze specialisten en verschijnen dus in een kleine oplaag. |
| 2) | Monografieën en uitvoerige studies. Deze zijn vooral bestemd voor de vakman, deels ter vernieuwing van zijn inzicht, deels als samenvatting van 1). Oplaag en verspreiding zijn groter. |
| 3) | Wetenschappelijke herdrukken van het werk van Bredero (dus geen schooledities). Deze worden gebruikt door vakmensen, die kennis nemen van de inleiding en vooral van de tekstverklaring. De oplaag is meestal niet groot, want de meeste lezers van stukken van Bredero zijn examenkandidaten die schooledities prefereren. Enkele bijzonder uitvoerige bloemlezingen, zoals Schepers ze in 1918 en 1923 verzorgde, zijn bij deze groep ondergebracht. |
| 4) | Wetenschappelijke handboeken. Vernieuwing is voor ieder onderdeel zeker geen eis, wel moeten handboeken ‘bij’ zijn en dat op eenzelfde niveau als de genoemde groepen. De kring van lezers of incidentele gebruikers is aanzienlijk groter dan bij de voorgaande groepen, maar de belangstelling blijft dicht bij het wetenschappelijk peil. |
| 5) | Populaire edities en bloemlezingen, vrijwel alle voor schoolgebruik. Vaak is het begeleidend commentaar zo summier dat het moeilijk is het oordeel van de schrijver vast te stellen. |
| 6) | Encyclopedieën en schoollitteratuurgeschiedenissen. De eerste geven een vereenvoudigd en vooral betrouwbaar verslag van de stand van wetenschap, bij de tweede speelt het persoonlijk inzicht van de schrijver een groter rol. Beide richten zich tot een publiek van ondeskundigen, hoeveel zij bijdragen tot de algemene waardering is moeilijk vast te stellen. Ook hier is de beknopte formulering er vaak oorzaak van dat het standpunt van de auteur ten aanzien van bepaalde vragen in het duister blijft. |
| 7) | Opvoeringen met recensies daarvan. Tot een werkelijk groot publiek richten deze gelegenheidsvoorstellingen zich niet, maar wel dragen zij, merkwaardig genoeg meestal in negatieve zin, tot de waardering van Bredero bij. |
| 8) | Artikelen in dagbladen en weekbladen. Deze verschijnen bijna uitsluitend bij bijzondere gelegenheden en bestrijken dan een zeer ruim publiek, zonder het te beroeren. |
| 9) | Door letterkundigen gegeven oordelen die niet gerangschikt kunnen worden onder 1) of 8). Afgezien van enkele studies die een meer litterair dan wetenschappelijk karakter dragen, zijn dit terloopse opmerkingen. Zij komen wellicht een groter publiek onder ogen, maar beïnvloeden de opvattingen over Bredero dan toch niet sterk. |
| 10) | Litteraire herscheppingen, romans of gedichten over Bredero. Ook deze richten zich vaak tot een zeer groot publiek, dat deze boeken overigens niet uit rechtstreekse belangstelling voor Bredero leest. Zij beïnvloeden het oordeel over Bredero dus zeer willekeurig, vaak zonder enige wetenschappelijke pretentie, maar niettemin diepgaand. |
De tien groepen zijn hier opgesomd in een dusdanige volgorde dat het aantal lezers toeneemt naarmate het wetenschappelijk karakter afneemt.
Was het mogelijk tien beschrijvingen van deze groepen als de beelden van een beeldengalerij achter elkaar te plaatsen, dan zou op deze wijze een werkelijk perspectivische schets van de waardering van Bredero gegeven zijn: op de voorgrond, zo dicht mogelijk bij ‘Bredero-zelf’, de zuiver wetenschappelijke meningen, daarachter, steeds verder van de ware Bredero verwijderd, de minder wetenschappelijke, en tenslotte de geheel onwetenschappelijke meningen. Stelt men zich dan de ‘gemiddelde lezer’ duizendkoppig aan de andere zijde van de galerij voor, dan verkrijgt men een beeld van de waardering over de hele linie op een bepaald ogenblik.
Op schrift is een dergelijke opstelling uiteraard niet mogelijk. Men zou zich daar kunnen behelpen met tien beschrijvingen, geput uit de tien groepen materiaal, maar dan al spoedig tot de conclusie komen dat de gegevens niet voldoende talrijk zijn om een regelmatig geschiedverloop uit te beelden. Bovendien zou een dergelijk werkstuk de lezer voor de onmogelijke opgaaf stellen tien geschiedenissen met elkaar te vergelijken en te combineren. Beter is het dus dit combineren van te voren te doen, door de tien historische overzichten samen te vatten tot twee. Het eerste omvat dan alle geschriften van wetenschappelijke allure, en is in de voorgaande hoofdstukken gegeven. Het tweede omvat de geschriften waarvan het doel niet wetenschappelijk, maar didactisch, populariserend of artistiek is. De grens tussen beide groepen ligt tussen vier en vijf. Wetenschappelijk van allure zijn tijdschriftartikelen, monografieën, tekstedities en handboeken, niet wetenschappelijk, niet met de bedoeling het oordeel over Bredero te verduidelijken of te herzien, zijn schooledities, bloemlezingen, litteratuurgeschiedenissen voor schoolgebruik, encyclopedieën, recensies, kranteartikelen, terloopse oordelen en bewerkingen van letterkundigen.
Enkele gegevens van de tweede groep zijn ter illustratie bij de geschiedschrijving van de eerste groep naar voren gebracht, maar een verwerking van alle gegevens, waardoor een volledige vergelijking mogelijk wordt, was daar niet aan de orde.
Om nu de geschiedenis van de waardering van Bredero, zoals die in de vorige hoofdstukken beschreven is - kortheidshalve kan men beter spreken van de officiële waardering - te vergelijken met de geschiedenis van de semi- of onwetenschappelijke waardering, de officieuze, is het niet noodzakelijk de geschiedenis van de officieuze groep voluit te beschrijven. De zeer talrijke, maar vaak ook zeer beknopte opmerkingen die over Bredero gemaakt zijn, zijn toch niet zonder
interpretatie en schifting tot een geschiedoverzicht te verwerken. Omdat het enig doel van zo'n geschiedoverzicht vergelijking met het eerder gegevene is, verdient het ver de voorkeur een andere methode van uitbeelden toe te passen, temeer als deze de mogelijkheid biedt niet enkele representatieve gegevens te verwerken, maar alle.
Nu is de enige methode om zeer veel gegevens op klein bestek met elkaar te vergelijken de statistische. Alleen als de vele bladzijden uiteenzettingen in getallen zijn uitgedrukt, is het mogelijk ze te overzien, te combineren en te vergelijken.
Deze methode bevat uiteraard het nadeel dat alle teksten op een ogenblik door een nummer worden vervangen. Maar het element van interpretatie dat hierbij optreedt, is stellig niet groter dan wanneer men uit een grote verzameling teksten er enkele uitkiest en daaruit gedeelten citeert, met weglating van de rest.
De vergelijking tussen het verloop van de officiële en de officieuze waardering komt dus niet tot stand door van beide ontwikkelingen een geschiedoverzicht samen te stellen en daaruit conclusies te trekken, maar door een beschrijving te geven van het verloop van de officiële waardering en daarna zowel het materiaal van de officiële waardering als dat van de officieuze waardering te verwerken in een statistisch overzicht.
Uiteraard vergelijkt men niet twee grootheden zonder te weten op welke onderdelen men ze wenst te vergelijken. Ten aanzien van Bredero deden zich in de officiële waardering enige typische ontwikkelingen voor. Deze betroffen de periode waarin Bredero weer bekendheid verwierf en de motieven waarop deze nieuwe bekendheid berustte. Welke bezwaren golden tegen Bredero, hoeveel tijd nam het in beslag voor zij weerlegd werden? Welke kwaliteiten schrijft men Bredero toe als hij weer in ere komt, op welke wijze verplaatst zich de belangstelling van de spelen naar de lyriek? Hoeveel ingang vinden de theorieën van Prinsen en de bestrijding daarvan? Op deze vragen moet de vergelijking van de officiële en de officieuze waardering meer licht werpen. Daarom zijn deze vragen herleid tot een zestal standpunten, waaraan de verschillende oordelen over Bredero alle gemeten kunnen worden. Deze standpunten luiden:
| 0 | Bredero wordt niet vermeld. |
| 1 | Bredero's werk is van weinig belang omdat het te geringe litteraire kwaliteiten bezit. |
| 2 | Bredero's werk is aanstotelijk. |
| 3 | Bredero's werk is geestig tekenend of hekelend. |
| 4 | Bredero's werk is realistisch en persoonlijk. |
| 5 | Bredero's werk vertoont tragische aspecten. |
Elk in het verzamelde materiaal aanwezige commentaar is ondergebracht bij een van de bovenstaande standpunten, dus:
Onder 0 vallen de bloemlezingen en litteratuurgeschiedenissen die aan tijdgenoten van Bredero wel plaatsruimte geven, maar Bredero in het geheel niet vermelden.
Onder 1 vallen de negatieve beoordelingen van Bredero, op grond van zijn ongeletterdheid en gebrek aan scholing (voorbeelden leveren Jer. de Vries en M. de Vries).
Onder 2 zijn gerangschikt de afwijzingen van het werk van Bredero op grond van de onfatsoenlijke onderwerpen of de aanstootgevende wijze van behandelen van zijn stof, zoals van Bilderdijk, Brill en Van Eeden.
Onder 3 zijn samengebracht de verdedigingen van inhoud en wijze van behandeling van Bredero's werk. Over de lyriek wordt in deze oordelen weinig of niet gesproken, de kwaliteiten die geprezen worden zijn in de eerste plaats de humor, verder de zin voor werkelijkheid, de tekenachtigheid en de verheven doeleinden die Bredero met zijn schilderen van de ondeugd nastreefde. Een voorbeeld van de in deze groep verzamelde commentaren is het bekende artikel van Bakhuizen van den Brink. Maar ook vele onpersoonlijke en onduidelijke vermeldingen in leerboekjes e.d. zijn ondergebracht in deze groep, als de aanwijzingen om ze elders onder te brengen ontbreken.
Tot 4 zijn gerekend die oordelen waarin het persoonlijke element in Bredero's werk nadruk krijgt. De lyriek krijgt daarin voor het eerst een ruime plaats en wordt bewonderd om de zuiverheid en natuurlijkheid. De toneelwerken (het Moortje en de Brabander) worden geprezen om het realisme, een begrip dat, onder invloed van de beweging van tachtig, meer inhoud heeft dan in 3. De uitvoerige studies van Ten Brink passen in deze groep, typisch ervoor is evenwel het werk van Knuttel.
Tot 5 behoren tenslotte de beoordelingen die de volle nadruk leggen op het persoonlijke element in Bredero's werk en daarin de heftigste tegenstellingen zien. Er is in deze commentaren sprake van conflicten tussen lichaam en ziel, aarde en hemel, lust en liefde e.d.. Bredero wordt beschouwd als een schrijver die thuishoort in een later tijd dan hij leefde en die daardoor actueel is. De plaats die in deze beschou-
wingen aan de lyriek wordt ingeruimd is zeer groot, maar ook in het toneelwerk wordt deze innerlijke verscheurdheid aangewezen. Prinsen verschaft de duidelijkste voorbeelden.
Het blijkt zeer wel mogelijk ieder oordeel dat over Bredero gegeven is onder te brengen bij een van de genoemde standpunten. Een zeker niet toevallige maar wel gunstige omstandigheid daarbij is, dat de veranderende opvattingen over het toneelwerk gesteund worden door nieuwe waardering voor de lyriek, en dat nadere studie van deze lyriek dan weer leidt tot verdere veranderingen in de opvattingen over het toneelwerk. Daarom is het verantwoord de oordelen over toneelwerk en poëzie in één stelsel samen te vatten.
Natuurlijk zijn er commentaren die zich tussen twee standpunten in bevinden of er twee tegelijk vermelden, zonder dat is vast te stellen welk van beide de meeste nadruk krijgt. Het levert geen bezwaar op ze dan te beschouwen als half zo nadrukkelijke bijval voor beide standpunten.
Zeer verschillend is vaak de omvang en nadruk van verschillende commentaren. Een losse opmerking in een schoolboekje mag niet even zwaar wegen als een volledig artikel, een vluchtige theorie in een opstellenbundel is van minder belang dan een gedegen hoofdstuk in een handboek. Het was daarom nodig ieder commentaar niet alleen te beoordelen naar inhoud, maar tevens naar omvang en draagwijdte. Minutieuze exactheid was hierbij niet te verwezenlijken. Het gedicht Breeroo van Marsman vond stellig minder lezers bij de eerste druk in De Vrije Bladen, dan bij de derde druk van Porta Nigra, en bij de herdruk van Marsmans Verzamelde Gedichten was de verspreiding natuurlijk nog groter. Toch moest iedere herdruk wel een gelijke waarde worden toegekend, omdat er ook tal van gevallen zijn waarin over de verspreiding geen nadere bijzonderheden te achterhalen waren.
Anders is het gesteld met de omvang van verschillende commentaren. Monografieën, enkele omvangrijke en zeer op de voorgrond tredende artikelen (van Bakhuizen en Knuttel), uitvoerige inleidingen bij tekstpublikaties en de passages uit de grote, meerdelige handboeken werden geteld als een volledige vermelding van een bepaald standpunt. Halve vermeldingen waren alle andere publikaties van een zekere omvang, alleen de meestal grotendeels door feiten in beslag genomen commentaren in schoolboekjes en encyclopedieën en terloops en vluchtig uitgesproken oordelen werden nog lager gewaardeerd, als een kwart vermelding.
Per vijftig jaren (corresponderend met de hoofdstukken en dus onvolledig voor het laatste) werd het totaal aantal ‘stemmen’ vastgesteld dat voor ieder standpunt werd uitgebracht. Niet deze aantallen, maar het percentage dat ieder aantal stemmen van het totaal voor die halve eeuw representeert, is tenslotte vermeld in tabel I. Daarin staan per halve eeuw dus telkens twee cijfers bijeen. Het bovenste duidt aan hoe groot het percentage is dat in de officiële waardering van Bredero aan elk standpunt werd gegeven, het onderste geeft het percentage van de officieuze waardering. De vergelijking van deze percentages onderling dient dus aan de officiële waardering relief te geven. Voor de perioden vóór 1780 kon deze tabel niet volledig opgesteld worden, omdat de scheidslijn tussen officiële en officieuze waardering daar niet te trekken is. Bovendien zijn de totalen in die perioden zo gering dat het toevalselement grote invloed op de percentages uitoefent.

Door middel van strepen is voor iedere halve eeuw het theoretisch middelpunt aangegeven, het punt dus waar evenveel stemmen onder als boven uitgebracht zijn. Voor de officiële waardering is dit punt met een volle streep aangegeven, voor de officieuze met een gebroken streep1).
Deze gemiddelde opvatting lag voor de officiële waardering
| tussen 1630 en 1679 bij ‘geestig’; |
| tussen 1680 en 1729 bij ‘geestig’; |
| tussen 1730 en 1779 bij ‘aanstotelijk’; |
| tussen 1780 en 1829 bij ‘slecht’; |
| tussen 1830 en 1879 bij ‘geestig’; |
| tussen 1880 en 1929 bij ‘realistisch’; |
| (tussen 1910 en 1929 bij ‘tragisch’) en |
| tussen 1930 en 1950 bij ‘realistisch’. |
Maar in de officieuze waardering lag het gemiddelde
| tussen 1780 en 1829 bij ‘aanstotelijk’; |
| tussen 1830 en 1879 bij ‘geestig’; |
| tussen 1880 en 1929 bij ‘realistisch’ en |
| tussen 1930 en 1950 bij ‘tragisch’. |
Reeds hierboven is opgemerkt dat de uitkomsten voor de vroegere perioden met grote reserve beschouwd dienen te worden. Van weloverwogen en gemotiveerd oordelen is daar nl. weinig sprake, de meeste uitingen zijn ongenuanceerd en klakkeloos, zodat het zeer hachelijk is er exacte waarde aan toe tekennen. Toch is het tekenend dat al na 1630 kritiek wordt uitgesproken, dat de lof in de volgende perioden duidelijk zwakker wordt (resp. 67%, 52% en 46%) en dat de onbekendheid toeneemt (0%, 4% en 36%).
De herleving van de waardering na 1780 leidt ertoe dat in de officiële waardering de onbekendheid snel verdwijnt (van 36% naar 9%). Maar de tegenzin van classicistische zijde blijft dan zeer groot en richt zich veel meer op de litteraire aspecten (44%) dan op de morele (6%). Van bewondering op esthetische gronden is dan ook geen sprake, Bredero geldt als geestig en beeldend, maar eigenlijk nauwelijks als een kunstenaar. In de officieuze wetenschap is het oordeel veel negatiever, voor zover men Bredero kent (23% noemt hem niet), acht men zijn werk vooral onsmakelijk (45%).
Na 1830 verandert het beeld snel, alleen in de officieuze waardering is er nog een aanzienlijke groep die Bredero niet kent (19%). De kritiek op de slechte vorm laat men in wetenschappelijke kringen gemakkelijk vallen (van 44% op 7%), de krasse inhoud blijft een moeilijk punt (van 6% op 12%). Toch is, voor het eerst sinds een eeuw, de waardering weer voornamelijk positief, en bovendien is deze positieve waar-
dering ook voor het eerst gedifferentieerd, men krijgt oog voor de artistieke aspecten van Bredero's werk (13%) en ook al voor het menselijk element in zijn werk (7%). De officieuze waardering, ook positief, is daaraan nog niet toe.
Tussen 1880 en 1929 is van negatieve beoordeling al haast geen sprake meer in de officiële waardering (5%). De onpersoonlijke waardering voldoet dan ook niet meer, men zoekt een dieper zin achter Bredero's humor en heeft meer bewondering voor de zo menselijke lyriek. Gedurende een korte tijd trekt de romantische visie de meeste aandacht (van 1910 tot 1929 52%), maar daarna is toch de meerderheid een minder extreme zienswijze toegedaan (56%, tegen 40% vóór de extreme visie).
Maar op dit punt is het verschil tussen de officieuze en de officiële waardering opvallend. Al vóór Prinsen zo heftig de romantische mening naar voren bracht, was deze populair, en ondanks de steeds nadrukkelijker kritiek van wetenschappelijke zijde, nam deze populariteit sterk toe. Tussen 1910 en 1919 spreekt in de officieuze waardering 65% zich voor de romantische visie uit, tussen 1920 en 1929 70%, van 1930 tot 1939 82% en van 1940 tot 1950 zelfs 83%! De tegenstem van Knuttel en Van Rijnbach vindt buiten de kring van wetenschappelijke werkers vrijwel geen weerklank: tussen 1930 en 1939 nog bij 16%, in de jaren na 1940 slechts bij 11%. De viste van Prinsen, verdiept door Coster en Marsman en gepopulariseerd door hele en halve letterkundigen, vindt in bijzonder veel ruimer kring aanhang dan de gereserveerde mening van Knuttel en Van Rijnbach, Wie zich dan ook een voorstelling wenst te maken van de opvattingen die over Bredero in deze jaren gangbaar zijn, weidser gezegd van de betekenis van Bredero voor het Nederlandse volk, doet verkeerd als hij alleen de vaklitteratuur over Bredero raadpleegt.
Verschijnselen van algemene geldigheid voor de verhouding tussen officiële en officieuze waardering laten zich uiteraard niet vaststellen op grond van deze gegevens. Niet alleen is het verwerkte materiaal daarvoor te weinig omvangrijk en volledig, bovendien is de vergelijking gemaakt naar aanleiding van bepaalde vragen, wat natuurlijk de strekking ervan ten zeerste beperkt.
Het voor de hand liggende verschijnsel dat nieuwe opvattingen eerder in de officiële dan in de officieuze waardering optreden, heeft maar een enkele uitzondering. Zo wordt het ‘realistische’ standpunt voor het eerst door iemand van de buitenwacht beleden, nl. door Bowring. Oude opvattingen, zoals Bakhuizen en Prinsen ze bestreden, lijken
langer stand te houden in de kring der wetenschap dan daarbuiten, daar zijn de veranderingen absoluter. Wellicht hangt dit samen met het verschijnsel dat de mogelijkheid tot discussie, en ook de behoefte daaraan, buiten het terrein der wetenschap vrijwel ontbreekt.
De sterke voorkeur voor de ‘tragische’ visie kan ook herleid worden tot een ander verschijnsel van algemene geldigheid, namelijk de onmiskenbare voorkeur die het grote publiek onder alle omstandigheden toont voor de meest sensationele of minst ingetogen versie van een verhaal. Geen wonder dat de Bredero van Prinsen of Coster zich beter leent voor de rol van romanheld dan de Bredero die Knuttel beschrijft
Bij het verwerken van het materiaal van de officieuze waardering van Bredero bleek het niet mogelijk ook rekening te houden met de van Bredero opgenomen gedichten in bloemlezingen, waarin de samensteller zijn keus niet geheel of slechts gedeeltelijk had gemotiveerd door een beeld te schetsen van Bredero. Een indeling van de gedichten over de zes groepen zou een sterk subjectief element in de methode brengen en moest dus achterwege blijven. Niettemin is het van belang om na te gaan of de meest gekozen en dus bekendste gedichten van Bredero een voorkeur doen blijken die samenhangt met de motieven voor veranderingen in de waardering van Bredero. Dit blijkt duidelijk het geval te zijn.
Bredero schreef meer dan 200 lyrische gedichten. Als de belangstelling voor zijn werk herleeft komen ook de lyrische gedichten meer onder de aandacht, vooral als na ongeveer 1850 verschillende schoolbloemlezingen gaan verschijnen. In het verzamelde materiaal, dat zeker op dit gebied niet volledig is, zijn 120 publikaties waarin gedichten van Bredero zijn opgenomen. Niet hierbij zijn gerekend de gedichten die ter behandeling van ‘technische problemen’, zoals de chronologie van Bredero's lyriek of om bepaalde karaktertrekken van Bredero te tonen, zijn gepubliceerd. Ook de gedichten in romans of novellen over Bredero zijn niet meegeteld. Alleen die gedichten zijn verwerkt, waarvan meer dan de helft is opgenomen.
In deze 120 bloemlezingen staan 887 gedichten van Bredero, waarvan 174 verschillende. Gemiddeld komen deze gedichten alle dus ruim vijf maal in een bloemlezing voor. Gedichten die meer dan tien maal zijn gepubliceerd hebben dus een ruime voorkeur. Dit zijn er zeventien, die zijn gerangschikt in tabel II.
| 1 | 't Sonnetje | 50 maal |
| 2 | Vroegh in den dageraet | 42 maal |
| 3 | Arent Pieter Gysen | 39 maal |
| 4 | Wat dat de wereld is | 30 maal |
| 5 | Al ben ick schoon Liefje | 28 maal |
| 6 | Ick sieje wel | 24 maal |
| 7 | De Minne die in mijn hartje leyd | 18 maal |
| 8 | 0 Jannetje mijn soete beek | 18 maal |
| 9 | Vaert wel mijn lief | 17 maal |
| 10 | O levendige God | 17 maal |
| 11 | Wie boven al zijn God bemint | 16 maal |
| 12 | Snachts rusten meest de dieren | 16 maal |
| 13 | Dieuwer is verlieft | 13 maal |
| 14 | Mijn zieltje schreyt | 13 maal |
| 15 | Moy Aeltjen | 12 maal |
| 16 | Waer is nu dat hart | 11 maal |
| 17 | Haarlemsche drooghe harten | 11 maal |
Uit deze opsomming mag natuurlijk niet worden afgeleid dat het meest gekozen gedicht ook altijd het meest bekend is geweest, of dat analyse van de meest geciteerde gedichten inzicht verschaft in de waardering van Bredero's poëzie op ieder ogenblik. Want de frequentie waarin de gedichten herdrukt zijn is zeer ongelijk. Het meest herdrukte gedicht, 't Sonnetje, verscheen bijvoorbeeld van 1870 tot 1890 14 maal in bloemlezingen, het bijna evenveel herdrukte Vroegh in den dageraet werd in diezelfde periode maar 3 maal gekozen. Maar in de periode van 1930 tot 1950 sloeg de voorkeur om: toen verscheen 't Sonnetje 3 maal en Vroegh in den dageraet 14 maal.
Als het slechts twee gedichten betreft is een dergelijke verandering van voorkeur gemakkelijk te analyseren, maar bij zeventien gedichten zijn de onderlinge verschuivingen moeilijker te vergelijken. Daarom zijn ook hier de gegevens in een statistisch overzicht gerangschikt. In tabel III is ten eerste voor ieder tiental jaren sedert 1800 aangegeven hoeveel maal een gedicht in een bloemlezing is opgenomen, en ook is bepaald in welk jaar ieder gedicht de helft van het totaal aantal malen gekozen is. De volgorde waarin de gedichten zijn gerangschikt is door deze middelpunten bepaald. Naarmate immers zo'n middelpunt dichter bij 1950 ligt, is de belangstelling voor het gedicht verhoudings-
gewijs moderner, en de opeenvolging van de gedichten geeft dus aan hoe de voorkeur zich in de loop der jaren heeft verplaatst.

Interpretatie van tabel III dient zich vooral te richten op de volgorde, waarin de verandering van voorkeur duidelijk wordt. Zeer opvallend is daarbij dat de gedichten die in het Lied-boeck onder de boertige zijn gerangschikt, alle in de bovenste helft zijn terechtgekomen en dus minder aan de moderne smaak beantwoorden. De amoureuze gedichten krijgen later belangstelling en aandachtige gedichten openen en sluiten de rij.
Zwaar en persoonlijk is de toon van de beide aandachtige gedichten die de laatste tijd zo in aanzien zijn gekomen, dat zij tegenwoordig tot
de meest geciteerde verzen van Bredero behoren. 35% van alle herdrukken van O levendige God en 37% van Wat dat de wereld is werd gepubliceerd tussen 1940 en 1950! Deze gedichten spreken heftig van wanhoop en berouw; de sterke voorkeur, vooral bij ‘gewone’ lezers, voor de tragische visie op Bredero, vindt in deze gedichten duidelijke voorbeelden.
De waardering voor Bredero's liefdespoëzie bereikt haar hoogtepunt in de periode van 1910 tot 1930 en gaat dus vooraf aan de voorkeur voor de tragische aandachtige, gedichten, Naar stemming sluiten de meest gekozen amoureuze gedichten daarop duidelijk aan. Vooral de onderaan in de tabel staande liefdesgedichten hebben een enigszins tragische toon, en dit kan ook gezegd worden van het enige aandachtige gedicht in deze groep, Mijn zieltje schreyt. Alleen de liefdesliedjes Ick sieje wel en De Minne die in mijn hartje leyd zijn luchtiger, zij waren dan ook getijktijdig in aanzien met de meer ‘realistische’ boertige gedichten over Dieuwer, Jannetje en de Haarlemsche drooghe harten. In het eerder in aanzien zijnde boertige gedicht Al ben ick schoon. Liefje niet machtig ryck ontbreekt het realistische element van de andere boertige gedichten. Het lijkt het meest op de moraliserende aandachtige gedichten die de rij openen en die op de moderne lezer een onpersoonlijke indruk maken: Wie boven al zijn God bemint en, zoals Coster het noemde, ‘het nare 't Sonnetje’ (1924; 142).
Vele onderzoekers waarschuwen ervoor aan de termen boertig, amoureus en aandachtig, die in Bredero's tijd conventionele waarde hadden, niet te veel betekenis toe te kennen. In het bovenstaande wordt deze opvatting niet weerlegd, enkel wordt aangetoond hoe de veranderende waardering voor Bredero zich ook uit in een andere voorkeur voor gedeelten van zijn lyrisch werk, en hoe men in deze voorkeur een duidelijke verschuiving kan zien optreden van onpersoonlijk aandachtig naar realistisch boertig, dan naar steeds persoonlijker en uiteindelijk smartelijk amoureus en tenslotte naar tragisch aandachtig. In deze ontwikkeling worden de veranderingen in de algemene waardering van Bredero duidelijk, zij het later, weerspiegeld. Daarbij is het niet verwonderlijk dat het beeld dat uit de bloemlezingen naar voren treedt overeenstemt met dat van de officieuze waardering van Bredero. Bloemlezingen hebben immers maar zelden een wetenschappelijk karakter, het zijn meestal schoolboeken. Volgens het inzicht van de samensteller bevatten zij een beperkt aantal gedichten en prozastukken van belangrijke schrijvers. Maar de inhoud wordt niet alleen bepaald op grond van litterair-esthetische of litterair-historische overwegingen. Bij een
figuur als Bredero kan het heel goed voorkomen dat gedichten te lang, te moeilijk of te onfatsoenlijk bevonden worden voor schoolgebruik.
Is reeds hierin een aanwijzing gelegen dat de gegeven statistieken met een zekere voorzichtigheid geraadpleegd moeten worden, dit is nog meer het geval omdat ook de bloemlezingen die niet voor schoolgebruik zijn bestemd, zeer verschillend van aard zijn. Naast bloemlezingen uit het werk van Bredero alleen, zijn er ook selecties uit zeventiende-eeuwse lyriek, uit religieuze, amoureuze of humoristische gedichten, uit zingbare liederen, sonnetten enz. Ook hier hebben dus de litterair-esthetische of litterair-historische motieven niet alleen tot opneming of weglating van bepaalde gedichten geleid.
Daar komt nog bij dat het materiaal van bijeengebrachte bloemlezingen stellig niet volledig is, en dat iedere bloemlezing die er nog bij zou komen een verschuiving in de onderlinge verhoudingen zou teweegbrengen.
De statistiek die al deze verschillende gegevens samenvat, mag dus niet beschouwd worden als een tot in details verantwoorde rubricering van alle gedichten van Bredero in bloemlezingen. Zij geeft alleen een zo bruikbaar mogelijk overzicht van het aanwezige materiaal. Het is er, vooral bij de beschrijving van de officieuze waardering, bepaald niet om te doen geweest deze onderlinge verhoudingen in absolute formules vast te leggen, waarin de stand van zaken ten aanzien van Bredero's lyriek in bepaalde perioden was weergegeven. Bedoeld was alleen een overzichtelijke rangschikking te geven van een hoeveelheid materiaal, die op iedere andere wijze gerangschikt onoverzichtelijk zou zijn.
Deze rangschikking geeft enig inzicht in de waardering die ‘het publiek’ voor Bredero's poëzie gevoelt. Maar hoe weinig intensief men zich de belangstelling van het grote publiek voor Bredero in het algemeen moet voorstelen, laat zich afleiden uit een drietal steekproeven, genomen in 1957.
Deze steekproeven, die alleen tot vermoedens, zeker niet tot berekeningen kunnen leiden, werden genomen in openbare leeszalen in Amsterdam, Delft en Gorinchem. Navraag werd gedaan naar de uitleenfrequentie van boeken van en avcr Bredero. Daarbij bleek dat het Moortje en de Brabander met een zekere regelmaat worden uitgeleend. Maar de gedichten van Bredero komen vrijwel niet in omloop.
Deel III, met het Lied-boeck, van de verzamelde werken van 1890 is sinds 1928 in Gorinchem achttien maal uitgeleend, daarnaast is in
Gorinchem alleen de iets meer gebruikte bloemlezing van Schepers. In Delft leenden vier lezers sinds 1950 het Lied-boeck in de editie van Van Rijnbach, van de in Delft aanwezige bloemlezingen van Verwey en Buitennist Hettema en de Sonnetten van de Schoonheyt in Gijsens editie werd nog minder gebruik gemaakt. In Amsterdam zijn de getallen, in verhouding tot het aantal lezers daar, niet veel gunstiger.
De voorkeur voor Bredero's toneelwerk is niet anders te verklaren dan dat het veel eenvoudiger is een toneelstuk voor een ‘leeslijst’ te lezen en (of) te excerperen, dan een bundel poëzie. Want de werken van Bredero, alle bibliothecaressen verklaren het ongevraagd, worden bijna alleen uitgeleend voor ‘leeslijsten’, dus aan leerlingen van middelbare scholen en kweekscholen en aan studerenden voor akten. Onder die laatsten zal men ook de lezers van werken over Bredero moeten zoeken. In Delft zijn die aangewezen op het boekje van Prinsen, in Gorinchem kunnen zij kiezen tussen Prinsen en Poort, alleen Amsterdam kan een goede keus bieden: Ten Brink, Prinsen, Poort, Knuttel, het Brederoo-album, Moltzers artikel over het Liedboeck en de bibliografie van Unger. Het aantal uitleningen van deze boeken stemt overeen met dat van de poëzie.
Stukgelezen is in alle drie de bibliotheken de roman van A.M. de. Jong, veel minder gretig wordt Exels roman gekozen. Maar men leest deze boeken alleen als roman, dus niet met de bedoeling iets over Bredero te leren.
Natuurlijk moet men bij deze opsomming in aanmerking nemen dat in vele algemene bloemlezingen, geschiedenissen van de letterkunde en soortgelijke boeken heel wat meer werk van en over Bredero is opgenomen dat ook lezers zal vinden, en vooral, dat de ware liefhebber uit eigen kast leest. Maar ter uitbreiding van zijn bezit is deze gebonden aan slechts twee werken van Bredero die op het ogenblik in boekwinkels voorhanden zijn: de kleine bloemlezing in de Klassieke Galerij van R.V. vanden Bussche O.P. en de aardig verzorgde schooleditie van de Klucht van de Koe, uitgegeven bij Meulenhoff.
Dit alfes stelt wel duidelijk in het licht dat van een genuanceerde waardering van Bredero alleen sprake is bij de specialisten en de ware liefhebbers, welke laatsten zo weinig talrijk zijn dat zij aan de antiquarisch verkrijgbare Bredero-uitgaven genoeg hebben. Voor zover er van een waardering van Bredero bij het Nederlandse volk gesproken kan worden, bestaat deze uit herinneringen aan hetgeen op de middelbare school is behandeld, in perioden van herdenken uit hetgeen in de kranten de aandacht trekt, en verder uit een vage bekendheid met het citaat
‘Het kan verkeren’, al of niet verlevendigd door herinneringen aan A.M. de Jong of Marsman.
Dat een opvoering van een toneelstuk van Bredero in deze omstandigheden tot een succes in ruime kringen kan leiden, is dan ook niet te verwachten. Dat bleek het duidelijkst bij de opvoering van het Moortje, gespeeld door het Gezelschap van de Nederlandse Toneelmanifestatie in het kader van het Holland-Festival 1957. In een bijzonder sterke bezetting (Paul Steenbergen als Koenraat, Myra Ward als Moy-Aal, Hans Kaart als Kackerlack, Guus Hermus als Roemert, Magda Janssens als Geertruy en regisseur Ton Lutz als Lambert), met een verrukkelijk decor van Nicolaas Wijnberg, werd hier een buitengewone opvoering gegeven. Maar ondanks de zeer goede pers, de festivalsfeer, de unieke gebeurtenis van een bezetting van een dusdanig niveau in een prachtig verzorgde opvoering, was het enthousiasme en de toeloop matig. Wel was er geen sprake meer van terughoudendheid in verband met de ruwe taal, zodat het vonnis van Flanor: ‘Altijd te plat voor anderen dan letterkundigen’ (1885; 109), in de tegenwoordige tijd niet meer van toepassing lijkt. Maar toch leek het of alleen letterkundigen het stuk bezochten, op de gewone toneelliefhebber oefende zelfs dit Moortje geen aantrekkingskracht uit. De lange monologen, hoe voortreffelijk ook gebracht door een Hans Kaart of Ton Lutz, halen alle vaart uit het stuk, en ook de dialogen zijn vaak langgerekt, onhandig en niet ter zake, temeer omdat de moeilijk begrijpbare tekst niet te snel gespeeld kan worden.
Het laat zich aanzien dat een opvoering op gelijk niveau van de Spaanschen Brabander meer succes zou oogsten. Jan Musch heeft dat menigmaal bewezen, het laatst bij zijn afscheid in 1952 (al had deze opvoering geen goede pers). Men kan zich bovendien afvragen of de hedendaagse neiging tot afbreken van de traditionele toneelconstructie geen nieuw materiaal zal vinden in dit stuk, dat zo vaak met een revue is vergeleken.
Toch is het aan geen twijfel onderhevig dat de blijspelen van Bredero weinig kans hebben tot het nationale repertoire te gaan behoren, zoals de Gijsbrecht en Elckerlyc. Litterair en vooral dramatisch schieten zij naar hedendaags begrip te kort. Absoluut gemeten staan de Klucht van de Koe en de Klucht van den Molenaer hoger, zij zijn gaver en evenwichtiger. Op lager peil staan de tragikomedies, ook na de hernieuwde aandacht die zij gekregen hebben blijven het leesdrama's.
En de lyriek? Als er één deel van zijn werk is, waardoor Bredero in
deze tijd groter bekendheid zal kunnen krijgen, dan is het zijn lyriek. De taalmoeilijkheden zijn hier vermoedelijk minder groot dan bij de blijspelen, en Bredero's rechtstreekse manier van zeggen en zijn is zeker in staat drie eeuwen te overbruggen. Een bijzonderheid van deze tijd die in dit opzicht extra kansen lijkt te bieden, is daarbij de groeiende belangstelling voor het goede chanson. Vele van zijn gedichten hebben precies de eigenschappen, men zou ze boertig, amoureus en aandachtig kunnen noemen, die in chansonteksten passen. Het verdient zeker aanbeveling een aantal van Bredero's gedichten door middel van moderne melodieën een ruimer bekendheid te geven.
Maar afgezien hiervan geldt ook nu wat Binnendijk in 1946 schreef: ‘ten aanzien van Bredero fundeert zich de waardering niet op litterair-historische overwegingen, doch op een onmiddellijk meebeleven zijner menschelijke existentie’ (1946; 36). Bredero's poëzie bezit het vermogen onmiddellijk te ontroeren en te blijven ontroeren. Voor de moderne middelen van litteraire massa-communicatie, zoals pocketboeken, tekstbewerkingen en radiovoordrachten, lijkt de poëzie van Bredero een bijzonder dankbaar object.