terug  begin  verderprepost
[p. 5]

Arui

aan vinu....

1976

[p. 6]
Arui
 
vraagt maar weinig
 
veel meer geeft zij terug
 
 
 
sterk aan
 
eerst door uitbuiting
 
nu door motieven
 
verzwakte
 
 
 
jij bent nog
 
niet waard
 
mijn tomatenaanplant
 
die de zorg heeft
 
van de kracht
 
van de juiste geest
 
met het alert
 
beminnende oog
 
van de boer
 
een speelbal
 
in de surinaamse
 
werkelijkheid
[p. 7]
 
zomaar
 
klim je een boom in
 
om daarna doelloos
 
te staren
 
krachteloos
 
de gedachten ingekleed
 
met een weelde
 
aan fantasie
 
zoals het
 
een plattelander
 
overvallen kan .... ....
 
 
 
wat wil je
 
een jong van tien elf
 
met een slinger
 
om de hals
 
in gedachten
 
de schutter uithangt
 
zich verslikt
 
in één van zijn
 
lekkerste happen
 
speelt als de held
 
verstomd
 
zich zorgvuldig
 
beziet
 
tweemaal zo groot
 
geschoren
 
met snor
 
en schoenen aan
 
een leren riem
 
aan zijn pantalon
 
over de borstrok
 
en het overhemd
 
met liefst
 
lange mouwen
 
tot onder de navel
 
 
 
.... .... verschrikt
 
bij te komen
 
terwijl je
 
een mier doodstrijkt
 
bedenkend
 
dat je klein bent
 
aan gezag onderworpen
 
zelden raak geschoten
 
af en toe
 
vlees op rijst proeft
 
dat smaakt en zich
 
herinneren doet
 
vaak genoeg
 
met knikkeren
 
hebt verloren
 
en in nog
 
geen drie maanden
 
jouw korte broek
 
met ingebouwde jarretels
 
waarover
[p. 8]
 
een willekeurig overhemd
 
vernieuwd krijgt
 
klim je de boom uit
 
om je dan
 
te realiseren
 
dat de koeien
 
op je wachten
 
je de jongeren
 
moet helpen baden
 
en de afwas
 
nog doen moet
 
waarna je losbarst
 
in een gezang
 
om nu aan alles en ieder
 
in de buurt te vertellen
 
dat je er bent
 
en als het ware
 
je te overtuigen van
 
het ouderlijk gezag
 
ren je naar mama toe
 
om te vragen
 
of je nu al
 
met de sikkel
 
om de schouder
 
naar het veld
 
mag vertrekken
 
waar de mieren
 
zo goed aarden
 
tussen de golvende
 
malse murena
 
en de groene scherpe
 
sarpat-pollen
 
in de plassen
 
de dhaniya
 
en de kena-ghas
 
ik weet niet meer
 
hoeveel malen
 
ik heb omgespit
 
die oppervlakte klei
 
te ontdoen van
 
titki en lanti-ghas
 
 
 
een grootte van
 
twee bij twee meter
 
werd een broze
 
vruchtbare
 
zwarte kleimassa
 
voor mijn
 
vijf tomatenplantjes
 
ontkiemd
 
om en bij ons machan
 
naast een hoge stille
 
awarapalm
 
waarvan ik de schaduw
[p. 9]
 
mij herinner
 
als mijn parasol
 
's middags
 
tijdens de afwas
 
het bleef niet bij
 
de vijf gaten
 
van koemest te voorzien
 
voor de kleine
 
zach te zesbladerige
 
neonaten uit
 
onbekend ouderschap
 
 
 
dagelijks
 
na school en middagmaal
 
holde ik
 
met een houwer
 
en een tjap
 
om weer eens te kijken
 
naar de weerloze
 
plantjes
 
die als teken
 
van de steeds
 
weer verloren strijd
 
tegen de hoge zon
 
hun krachtverlies
 
vertoonden door
 
de flauw hangende
 
blaadjes
 
 
 
de schade werd
 
allengs minder
 
wij waren
 
met ons zessen
 
de zon alleen
 
 
 
en ja ... ...
 
in tien dagen
 
was het zover
 
 
 
ze leken
 
te hebben gekozen
 
en zich
 
te hebben begeven
 
op het pad
 
van leven en plicht
 
 
 
nog eens een week
 
en zie ... ...
 
daar staan ze trots
 
zo groen als mogelijk
 
zo statig
 
als de bamboespruit
 
mijn geest bekorend
 
en tot zich lokkend
[p. 10]
 
voor ook soms
 
in mijn verbeelding
 
bestaand onkruid
 
op die dag
 
die
 
onvergetelijke dag
 
waarop mijn tranen
 
niet rijpen wilden
 
mijn keel
 
verdroogde en
 
pijn deed
 
mijn spraak
 
verstomde
 
de gedachten
 
versteenden
 
de ogen
 
zich sloten
 
 
 
om niet te zien
 
laatstaan
 
te begrijpen
 
dan wel
 
zich te herinneren
 
die plant
 
vol leven
 
donzig zacht
 
 
 
maar nee ... ...
 
 
 
die vlaag
 
ging mij voorbij
 
en ik moest weten
 
om mij te wreken
 
op het kwaad
 
dat had getroffen
 
de één
 
van de vijf
 
die uitgeblust
 
mij
 
treiterend aankeek
 
 
 
was het
 
om mij te plagen
 
 
 
alsof het
 
geen pijn deed
 
 
 
heel gewoon
 
is te sterven
 
 
 
zo gewoon
 
dat ik
 
het verspoedigde
 
met een ruk
[p. 11]
 
en een ommezwaai
 
was ik de
 
oude weer
 
mij vastklampend
 
aan de overige
 
hoopte ik
 
en verwachte
 
de beloning van
 
al was het maar
 
één enkele tomaat
 
vandaag is de
 
zoveelste dag
 
dat ik zo dichtbij
 
mij zit af te vragen
 
wanneer
 
de eerste bloesems
 
mijn verwachtingen
 
zullen strelen
 
 
 
ik zie ze hangen
 
zo open
 
als mijn pupillen
 
ik tel
 
ik tel
 
tot voorbij
 
het zelfbehagen
 
om dan te zeggen
 
van nee
 
ze komen heus wel
 
en te glijden
 
van de gehurkte zit
 
in een meer
 
kruipende houding
 
om als het ware
 
te golven
 
als mijn plantjes
 
dat kunnen
 
gevangen in de stroom
 
van de noordoost-passaat
 
 
 
ik steek mijn nek uit
 
met mijn handen
 
op de rand
 
van de met gras
 
begroeide aarde
 
en het zwarte
 
brokkelige klei
 
om mijn neus
 
te doen overtuigen
 
van de geur
 
van mijn planten
 
 
 
het zijn er
 
nog maar vier
 
ik ruik aan één
[p. 12]
 
tussen de andere
 
en mijn pupillen
 
 
 
ik voel aan mijn zinnen
 
hoe aan haar gezogen word
 
om te worden
 
een gestalte in mij
 
 
 
nu ik ontnuchterd ben
 
hoor ruik voel
 
zie en proef ik
 
mijn wezen in haar
 
mijn plant
 
al draagt zij
 
nog geen tomaten
 
ga tuier lalki
 
maar opnieuw
 
en kom
 
snel terug
 
je moet nog
 
naar de pelmolen
 
 
 
ja ma
 
zeg ik
 
en start mijn motor
 
richt hem de dijk op
 
om vliegensvlug
 
te razen
 
tussen al dat groen
 
langs de weg
 
naar de stilstaande koe
 
die mij hoort naderen
 
en dankbaar verwelkomt
 
zwaaiend met de staart
 
 
 
ik was nauwelijks
 
de hoek om
 
of ik ving
 
een glimp op
 
van de tegenligger
 
en besefte
 
dat het gedaan was
 
vertelt een chauffeur
 
die zijn auto
 
totalloss terugvindt
 
na al die ellende
 
van die ene dag
 
 
 
zo verging
 
het mij ook
 
toen ik zag
 
dat ik nu
 
kwijt was geraakt
 
één van de vier
 
aan mijn
[p. 13]
 
moeders misschatting
 
 
 
vergoeden zou ze mij
 
met een ah-hoi
 
zij had te vertellen
 
de grote regisseuze
 
ik figureerde maar
 
zonder inspraak
 
 
 
daarom moest
 
lalki maar ontgelden
 
het kwaad van een jong
 
nog niet eens
 
in de puberteit
 
 
 
met ettelijke pijnlijke
 
striemen op haar huid
 
kon ze onder de jamun
 
haar beklag doen
 
aan wie
 
moest ze zelf maar weten
 
wie werkelijk helpen zou
 
was de denkende domme
 
ook vertegenwoordigd
 
in mij
 
nu haar vergeven
 
naderend met
 
een vredelievende lach
 
mijn vader
 
werkt in loondienst
 
een boer
 
is hij ook
 
slechts bij
 
planten en oogsten
 
van de rijst
 
waarvan de opbrengst
 
haar eigen onkosten
 
niet meer dekt
 
 
 
hij wil er zelfs
 
van af zijn
 
 
 
dat verloederende werk
 
vanaf zijn jeugd
 
misschien daarom
 
dat hij het kijken
 
niet waard vond
 
mijn plantjes
 
mijn werk
 
kosteloos en toch fraai
 
 
 
mijn moeder begrijpt
 
mijn enthousiasme
 
niet eens
[p. 14]
 
nog minder
 
mijn leed
 
sinds de vorige dag
 
vind ik niet
 
volmaakt meer
 
mijn werk
 
dat getroffen werd
 
door omstandigheden
 
buiten mijn macht
 
 
 
nog even schattig
 
kijken ze mij aan
 
nog altijd
 
ontvangen ze mij
 
met hun kinderlijke
 
vriendelijkheid
 
maar kijken
 
doe ik toch
 
naar dat
 
broze oppervlak
 
een obsessie
 
die twee hoopjes
 
klei
 
één met een krater
 
de ander
 
met een stomp
 
geen vergelijk met
 
wat zo dichtbij nog
 
haar ahirva danst
 
nog minder met
 
mijn gevoel
 
voor evenwicht
 
wel
 
in overeenstemming
 
met het lot
 
van de boer
 
die zo jong al
 
ervaren moet
 
het onrecht
 
zonder pardon
 
zo fris als
 
de ochtend
 
zo vriendelijk
 
als de morgenzon
 
ondergaat ze
 
het gekrijs
 
ieder jaar weer
 
 
 
die kleuters
 
wier lijven
 
in de banken
 
sidderen
 
verward zijn
 
door deze
[p. 15]
 
eerste
 
echte scheiding
 
lokt
 
de kinderjuf uit
 
tot
 
het wijze gezegde
 
van
 
het went wel hoor
 
 
 
een drenkeling past
 
de triomf
 
van het gevecht
 
tussen leven en dood
 
zijn longen
 
vol zout
 
is het minste
 
dat hij lust
 
 
 
en toch .... ...
 
de dagen van de ezel
 
veranderen
 
zegt men
 
al krijgt hij
 
geen gouden horens bij
 
bevrijding is er pas
 
wanneer een gevangenschap
 
is geweest
 
wijsheid na onwetendheid
 
 
 
vandaag ben ik dan
 
ontvankelijk
 
voor deze wijsheid
 
als ik zie mijn
 
drie knuffelobjekten
 
de zon
 
met overgave begroeten
 
zo stil
 
als deze wijsheid
 
zo lang zich
 
in mijn hart verborgen
 
dit moment verkiest
 
van mijn bereidheid
 
te aanvaarden
 
deze nieuwe realiteit
 
van de drie
 
jubelende genieters
 
met als begeleiders
 
het kratertje
 
en het stronkje
 
met mij er tussen
 
is het best
 
gezellig weer
 
je ziet glinsteren
 
het vocht aan de haren
[p. 16]
 
die trillen
 
bij het opnemen
 
van de zachte
 
heldere zonnestralen
 
 
 
het doffe groen vergaat
 
in alle tederheid
 
en wat dan ontstaan
 
zijn de projekties
 
in mijn gedachten
 
van deze
 
onvervalste eenheid
 
van de elementen
 
der natuur
 
in vorm plaats en ruimte
 
 
 
mijn planten zijn verweven
 
met de aarde
 
die de voorbeschikte vorm
 
alle reliëf geeft
 
 
 
samen met de zon
 
verbonden met de ruimte
 
tellen ze mee
 
in de kringloop
 
van komen zijn
 
en gaan
 
 
 
mijn trots vergaat
 
in het verloop
 
van de kwelling
 
met een bewustzijn
 
dan niet meer
 
van een dromer
 
maar één
 
van een boerenjong
 
zonder glans
 
liefkozing en
 
enige helderheid
 
in het bestaan
 
zonder de tederheid
 
van het gemak
 
in het leven
 
en liefdevolle
 
bejegening
 
van de medemens
 
zonder iets
 
om het niets
 
te kunnen miskennen
 
raak je de wal
 
lijkt het schip
 
inorde
 
klim je aanboord
 
kantelt het schip
 
aan die zijde
[p. 17]
 
voor de boer
 
in ons suriname
 
bestaat slechts
 
een komen en een gaan
 
het zijn laat hij telkens
 
over aan de kinderen
 
hoe lang
 
zal nog duren
 
dit boerenbestaan
 
met de handen
 
op de zak
 
red jij
 
nauwelijks
 
het leven meer
 
een eigentijdse prijs
 
moet je vragen
 
maar die kost telkens
 
een deel van die bron
 
waaruit de kracht
 
wordt geput
 
tot de prestatie
 
van elke dag
 
in engere zin
 
leeft hij niet
 
om het koesteren
 
van idealen
 
of zich nuttig te maken
 
aan vriend vijand
 
en zichzelf
 
het goede te bejegenen
 
of het kwaad te verdelgen
 
 
 
hij leeft
 
met de grillen
 
is het niet
 
van het staatsbestel
 
dan van de natuur
 
in en om hem heen
 
vaker beide
 
 
 
konservatief reaktionair
 
landbezitter racist
 
vaak dit alles
 
in één woord gelijk
 
ingekleed met jaloezie
 
haat en superioriteit
 
hare malik
 
was hij maar werkelijk rijk
 
 
 
veertig jaren zijn
 
ruim geweest
[p. 18]
 
om te weten
 
en te verwerpen
 
die nationale geest
 
van de nationalist
 
uit de stad
 
die een ziekte erbij werd
 
voor zowel
 
het land als zijn dienaar
 
één die werkelijk voor sterft
 
de ander altijd in naam
 
 
 
de boerenjong
 
die zo lang nog gaan moet
 
leert al gauw de principes
 
door het onderwijs
 
om niet te aanvaarden
 
de modder de tegenslag
 
en die vuile huid
 
van de ouders familie
 
en gaon ke log
 
 
 
vergeet het ... ....
 
het was lang niet
 
zover met mij
 
 
 
ik moest en wilde
 
aanvaarden ook
 
de drie overgebleven
 
mijn plantjes
 
met dezelfde hoop
 
wachte ik
 
de verwerkelijking af
 
die telkens zelf bepaald
 
wanneer de tijd rijp is
 
te verklappen de essentie
 
van waar het om gaat
 
geboren te zijn
 
in een gezin
 
op het platteland
 
minderwaardig zeggen ze
 
waarook .... ....
 
zelfs in
 
laatstaan
 
buiten dit bedrijf
 
nee .... ....
 
met veel verdriet
 
helaas
 
verdrijf
 
kijk naar die twee stieren
 
vernederd door de bekwaamheid
 
van drie honden
 
die waken voor het wel en wee
 
van de boer
 
die 's nachts al wakker is
[p. 19]
 
te verslepen zijn manden
 
vol tayerblad en boulanger
 
 
 
mijn broer
 
knikt van nee
 
hij denkt dat
 
het bokken zijn
 
horens ziet hij
 
wat ik tot voor kort
 
voor oren aanzag
 
 
 
maar waarom zitten ze
 
de stieren achterna
 
beide hebben toch
 
dezelfde belangen
 
 
 
ik neem aan
 
dat hier
 
om het grasland
 
te doen is
 
 
 
voor de bokken
 
lijkt de toekomst
 
weer gezegend
 
voor de stieren
 
is hoogstens
 
het heden overbrugd
 
 
 
hee ... ... ...
 
het doet mij
 
aan aja denken
 
die altijd zei
 
doe vandaag
 
wat je morgen
 
ook kunt
 
schuif dat deel
 
opzij
 
welke je heden
 
onverstandig
 
aan het opmaken
 
bent
 
 
 
maar zou het
 
waar zijn
 
al die figuren
 
in de wolken
 
ze zeggen dat daar
 
de tuin is van god
 
 
 
ik weet het niet
 
zeg ik
 
verward en onwetend
 
laat ons mijn tuin
 
'ns gaan bekijken
 
of de natuur daar
 
al zover is
[p. 20]
 
bloesems wil ik zien
 
die mij dragen zullen
 
over de golven
 
van de daad
 
naar de konklusie
 
van het verstand
 
gemengd met
 
gevoelens van geluk
 
 
 
een prijs
 
die jij jezelve schenkt
 
als kind
 
in een boerengezin
 
waar komplimenten
 
schaars zijn
 
evenals de middelen
 
tegen elk
 
toekomstig geweld
 
een aanslag
 
wordt het telkens
 
van het spiegelbeeld
 
op het objekt
 
dat door elke
 
denkbare schutting
 
heen getrokken wordt
 
om op te gaan opnieuw
 
in het schouwspel
 
van de wolken
 
onder regie van
 
jehova's jezus
 
christus misschien
 
ik zag hem komen
 
een man in het zwart
 
met een blanke huid
 
van wie ik gehoord had
 
als zijnde een luitenant
 
in het leger van hun god
 
 
 
hoe naderbij hij kwam
 
hoe groter werd zijn kruis
 
nietiger zijn verschijning
 
strakker zijn hoofd
 
wijder die pupillen
 
verbaasder zijn gezicht
 
trager zijn gang
 
waggelend zijn lijf
 
houterig zijn benen
 
duizelig zijn geweten
 
onzeker zijn daad
 
van een paar schoenen
 
voor de boerenjong
 
in naam van
 
jezus christus
 
de zoon van zijn god
[p. 21]
 
de pater stort neer
 
de valse melodie verklinkt
 
en nauwelijks bekomen
 
van de verwondering
 
zie je ze komen
 
zonder ontzag
 
voor levenden en doden
 
het echte leger
 
van de westerse beschaving
 
de schoenen opeisen
 
in de vorm
 
van mijn diensten
 
voor het heil
 
van de mensheid
 
in wezen een kudde blanken
 
die voor mij maar
 
hun bijbel het beste achten
 
voor zichzelf
 
mijn plantjes
 
waarvoor ze ook
 
onderhandelen willen
 
dan niet zonder bedreiging
 
ik zie de knoppen
 
en voel de spanning
 
tenslotte zich ontladen
 
in de klanken
 
van de taal
 
welke in de verte
 
zich verzoenen
 
met de stilte
 
van de morgen
 
weerspiegeld in de kikker
 
nog met gesloten ogen