begin  verderprepost
[p. 2]

met dank aan Geert Koefoed,
die mij hielp met vertalen
en de inleiding schreef

 

[p. 3]

Wie wil wonen op de oever
Waarom koerst hij naar de zee

Maṉge ghaṯ pe jiwan jhele
Kaheṉ naw samundar khewe

Wat neemt een volk dat noodgedwongen emigreert, mee? Zijn taal, zijn religie; zijn waarden en angsten; zijn eigen ordening in machtigen en machtelozen; herinneringen, heimwee en hoop. Al dit eigene komt in den vreemde onder druk te staan. Het lijkt haast een natuurwet te zijn, dat de immigrant, in het nieuwe land, als de minste der minsten moet beginnen en ondanks zijn ekonomische onmisbaarheid als indringer wordt beschouwd en geminacht.

Volgende generaties, die zich aan het al te harde lot hebben ontworsteld, hebben de neiging het verleden bedekt te houden.

Jit Narain heeft het lot van de emigrant/immigrant in deze bundel konkreet uitgebeeld, door zich in te leven in het leven van de hindostaanse kontraktarbeiders in Suriname en hun nazaten.

Van 1873 tot 1916 zijn er 34.000 hindostanen als kontraktarbeiders naar Suriname geëmigreerd. De behoefte aan goedkope en werkwillige arbeidskrachten voor de plantages was de drijfveer voor het Nederlandse goevernement. Aan Indiase kant was de ook toen al aanwezige voedselschaarste het motief van de emigranten zelf en van het Engelse goevernement om eraan mee te werken. Ronselaars, kwistig met beloften, waren de uitvoerders van deze, voor Nederland en Engeland, voordelige
[p. 4]
handel. De omstandigheden waaronder de immigranten in Suriname kwamen te werken, verschilden echter nauwelijks van de nog maar kort geleden afgeschafte slavernij. Zelfs de slaven-barakken bleken nog bruikbaar (Sandew Hiram Van Priary tot De Kom).
Na beëindiging van het kontrakt vestigde het merendeel der hindostanen zich blijvend in Suriname, als kleine landbouwers op toegewezen ‘grondjes’.

De gedichten beschrijven de harde strijd om het naakte bestaan, de bitterheid om het verloren gaan van dromen, de weerloosheid tegen oude en nieuwe angsten, de konflikten tussen generaties. Deze geschiedschrijving in de vorm van poëzie is een eerbewijs aan deze harde werkers onder haast niet te harden omstandigheden, en heeft daarnaast een konkrete aktuele betekenis omdat honderd jaar later een deel van de Surinaamse bevolking (onder wie de dichter) zich weer in de positie van emigrant/immigrant bevindt en de daarmee verbonden dilemma's, angsten en pijnen ervaart. Jit heeft deze gedichten geschreven in zijn moedertaal, het Sarnami, de in Suriname uit Indiase dialekten ontstane taal die de geschiedenis van de hindostanen in Suriname belichaamt. Als een van de eerste en produktiefste Sarnami-dichters levert hij een belangrijke bijdrage aan de emancipatie van deze taal, die nog nergens officieel erkend is, nauwelijks beschreven en door velen als onvolwaardig, verbasterd Hindi wordt beschouwd, als een gebrekkig platte-landstaaltje.

Aan de vertaling heb ik, als niet-kenner van het Sarnami, meegewerkt door samen met Jit (die zelf ook in het Nederlands dicht) te zoeken naar een verwoording in het Nederlands die dicht bij het Sarnami moest blijven, zowel in inhoud als in beeldspraak, en tegelijk op zichzelf enig poë-

[p. 5]

tisch gehalte zou bezitten. Het verschil in regellengte laat zien dat het Nederlands wel minder kernachtig is; dit komt deels door een verschil in grammatika, deels door de noodzaak van parafrases van Sarnami woorden zonder Nederlands ekwivalent. Wie geen Sarnami kent, raad ik aan toch de Sarnami teksten te bekijken om een indruk te krijgen van de vele assonanties, die bij de vertaling grotendeels verloren zijn gegaan.

 

Geert Koefoed

prepost  begin  verder