terug  begin  verderprepost
[p. 20]origineel

Inleiding.

De verachting, waarmede men de Joodsche Natie, is alle de deelen der bekende wereld, behandelt; de haat en afkeer, welke men haar toedraagt, is eene zaak, die zo onbetwistbaar zeker is, als dezelve moeielyk te begrypen valt, inzonderheid in deeze verlichte eeuw, waarin de Koningen en Vorsten, om zo te spreeken, met elkanderen twisten om den eernaam van Vaders en Weldoeners hunner Onderdaanen.

De schriften van den Heer Voltaire zyn misschien 't gepaste middel om dit zedekundig vraagstuk op te lossen; deeze groote Man, geschikt om de wereld te verlichten, heeft, te midden van zynen afkeer van alle Godsdiensten, daar hy de verdraagzaamheid preekt, en allerlei slag van uiterlyken eerdienst met voeten treedt, teffens het ongelukkig vermaak genomen van de Joodsche Natie te verpletteren, enze afschuwelyk te maaken in de oogen van 't Heelal(1). Zyne aanbidders, of om beter te spreeken, de nieuwelingen, welke deeze vermaarde Man heeft weeten te maaken(2), zyn 't vaandel

[p. 21]origineel

en de zinspreuk van hunnen Apostel bestendiglyk gevolgd. Misschien heeft men hem en zyne aanhangers voor de oorzaak te houden, dat de Zedeleer van Jezus Christus, de eenvoudigheid van het Euangelie, zelfs ten nadeele van de Jooden(3), verward, en, om zo te spreeken, in een gesmolten wordt met de doodelyke verbysteringen der Priesterschaare. Alhoewel de Heer Voltaire, in zynen brief over de drie Bedriegers, (welke begint met eene verdediginge van Gods bestaan, en eindigt met schimpredenen op de Jooden en den Hr. Freron) zegt: Berisp den knecht, maar ontzie den Meester; zyne leerlingen, echter, hebben misbruik van zyne kundigheden gemaakt, en in hunne afdwaalingen, op het voetspoor van hunnen Apostel, de Joodsche Natie tot een voorwerp van hunne lompe spotternyen genomen. De wereld is, ongelukkiglyk, vervuld met zeer veele hoogmoedige en trotsche verstanden, maar met zeer weinig waare wyzen. Wat hoope viel 'er in deeze groote ongelykheid ooit voor de Jooden op te vatten, zelfs te midden der Wysbegeerte, die thans in Europa boven dryft? Het onderscheidend karakter van eene Natie wordt het best gekend uit de beschouwinge van de byzondere leevenswyze van der zelver leden, die, t' samen genomen eenig lichaam van Maatschappy

[p. 22]origineel

uitmaaken, vry van alle de hindernissen dier schoon schynende welleevendheid, welke tot het karakter van een' beschaafd Man behoort. Uit hunne byzondere wyze van leeven, en uit de betrekkingen met derzelver familien en vrienden, wordt hunne zedeleer en manier van denken en leeven eerst recht gekend: zonder dit in acht te neemen, zal men altyd kwalyk oordeelen, en gevolgen trekken, die verre van de waarheid verwyderd zyn. Iemand kan zeer wel zachtmoedig, beminnelyk en weldaadig zyn, wanneer hy zich buitenshuis bevindt, en door eergierigheid, verwaandheid, hoogmoed of eigenliefde genoodzaakt wordt, eene uitwendige vertooning te maaken van 'tgeene hy inderdaad niet is; doch uit het geen hy te zynent alleen is, en uit zyne kleine bedryven, waarin alleen de Natuur spreekt, valt met zekerheid te oordeelen, hoe 't met zyne ziel geschapen stâ. Werden 'er, derhalven, wel ooit persoonen gevonden, die genoegzaame belangeloosheid, in vereeniginge met eene zuivere liesde voor de waarheid, en wysbegeerte zonder vooroordeelen bezaten, welke zich de moeite gegeeven hebben, om de Jooden van naby te bestudeeren, en in hunne huizen te verkeeren, zonder vreeze van daar over gelasterd te zullen worden? Heeft men wel ooit hunne afwykingen vergeleeken met hunne behoeften, met hunne op te voeden talryke huisgezinnen, met hunne bekrompen middelen om zich te redden, met hun gering genoegen van te bestaan in het gezigt van zo veel versmaadinge, en eindelyk met de noodwendige onachtzaamheid in het onderhouden van de regels der welvoegzaamheid? Neen. Dat geluk heeft den Jooden tot nog toe nooit mogen gebeuren. Alles wat hun behoort, alles wat van hun voortkomt, of eenige betrekking tot hen heeft, wordt, zo niet al met de uiterste strengheid

[p. 23]origineel

veracht, ten minste met verontwaardiginge behandeld. Hadden de beide Buxtorfen en Bartolocci, met oogmerk om de Natie en haaren Godsdienst zwart 'te maaken,(4) de Rabbynen niet bestudeerd, wie weet, of niet alzo wel de naamrol der Joodsche Schryveren ware begraaven geworden, als de verrichtingen en bedryven, die hen met eere bekend zouden maaken in de historie des menschlyken geslagts. 't Is om deeze zelfde reden, dat de Jooden, die door zedelyke bedryven, en door gewigtige diensten, aan verscheiden Mogendheden van Europa beweezen, hebben weeten uitteblinken, geen plaats wisten te vinden in de Woordboeken der vermaarde Mannen. De vernuftige verzamelaars dier Werken zouden voorzeker dezelve niet ontsierd hebben, indienze daarin plaats hadden gelieven te verleenen aan zo veele Jooden, als zich op eene zeer voordeelige wyze onderscheiden hebben, en 't geluk hadden van vereerd te worden met eertytelen, die der Natie tot roem verstrekken. Te midden van zo veele tegenheden verdiende immers Bienvenida Abarbanel, in de XVI eeuw, de eere van verkoozen te worden tot de opvoeding van Donna Leonora de Toledo, dogter van den Onderkoning van Napels, en vervolgens gemaalinne van Kosmos de Medicis, Groothertog van Toskanen, welke deeze Joodin, tot haaren dood toe, met den naam van Moeder vereerde. Gracia Nassy, in Italie bekend voor eene Vrouw van zeer groot aanzien, aan welke de vermaarde Bybel van Ferrara

[p. 24]origineel

van 1533 werd opgedraagen, en die tot schoonschoon had den beroemden Hertog van Naccia, haaren neeve; de heldhaftige kuischheid van haare dogter Ester, die wel verdienen zou omstandiglyk gemeld te worden; Samuël Alvalensi, wiens heldendaaden, ten voordeele van den Koning van Fez, beschreeven zyn in de Kronyk van Xarises, opgedraagen aan Filips II, Koning van Spanje, en veele anderen, die leefden in de XVI eeuw, strekken der Natie grootelyks tot eere(5). In de jongst voorleeden eeuw ontbrak het ook niet aan Jooden van verdienste. Zulken waren inzonderheid Alexander en Alvaro Nunez da Costa(6). Machados(7). De Graaf de Belmonte, van wien Moreri spreekt in 't artikel van Amsterdam(8). De Texeira's(9); de Soasso's(10); de Molo's(11); de Mequita's(12). En

[p. 25]origineel

in onze tegenwoordige eeuw zouden de Baron d' Aquilar(13), de Gradis(14) en vooral Mozes Mendelszoon(15) wel verdienen genoemd te worden. De eertytels van Baron, van Graave, van Rentemeester enz. waarmede deeze Mannen, geduurende hun leeven, door de eerste Mogendheden van Europa, beschonken werden, verdienden wel voor de vergetelheid bewaard te worden, al ware het maar alleen om de zeldzaame vereeniging van deeze eertytelen met den ongelukkigen naam van Jooden; eertytelen, die dus grooter verdiensten en uitstee-

[p. 26]origineel

kender persoonlyke deugden onderstellen, dan of zy aan Christenen waren gegeeven geworden(16).

[p. 27]origineel

In tegenstellinge van dit alles hebben wy niet noodig, een historie te vervaardigen van de veelvuldige onheilen, die de Joodsche Natie, zo de oude als hedendaagsche, heeft ondervonden; noch de yslykheden der vervolginge te melden, welke zy heeft ondergaan, en waarvan de vermaarde Heer Dohm een ontzettend geschiedverhaal heeft medegedeeld. Het is voor het overige niet zeer te verwonderen, dat, in de eeuwen van barbaarsheid, onkunde en lompe onbeschaafdheid, toen de Jooden genoegzaam de eenige geleerden in Europa waren, de haat, nyd, en bovenal de geldgierigheid, hen hebben doen vervolgen met eene wreedheid, welke die van tygers zelfs te boven gaat, volgens de aanmerkinge van Vader Simon(*) en verscheiden anderen. Paus Paulus IV. zeide, op eene beschuldiging, tegen de Jooden ingebragt: ‘zonder mynen goeden Jesuït ware ik verdoemd: want ik zou de Jooden zeer te onrecht hebben doen ombrengen. Ik bidde God, dat het hem moge behaagen hen te bekeeren; maar zo lang ik leeve (hy stierf in den jaare 1559) zal ikze noch haaten noch ontrusten’.(§). Dan, dat men in de jongst

[p. 28]origineel

verloopen eeuw, eeuw van fraaie konsten, en zo schitterende voor Frankryk, dewyl dezelve eenen Descartes Corneille, Boileau, Racine, en dergelyke overvliegende vernuften, zag gebooren worden; dat men daarin, zeggen wy, den Jooden van Metz in een ysselyk pleitgeding hebbe betrokken, en Raphaël Levi, op den 17 van Louwmaand 1670, leevende verbrand(17); dat Lodewyk de XIV, die de open brieven van Hendrik den II, als ook die van Hendrik den III bevestigde, en zelfs de schikkingen ten voordeele der Jooden verder uitbreidde, ten jaare 1656, zyn zwart Wetboek te voorschyn hebbe gebragt(18); dat de Kooplieden van Parys de allerhaatlykste lasteringen tegen de Jooden hebben uitgebraakt, in hun Smeekschrift van 1765 of 1766(19); dat men het Schendschrift hebbe gedrukt, welk bekend is by den naam van Observations d' un Alsacien, over de zaaken der Jooden in den Elzas, en waarvan de Schryver gehouden wordt voor een' der voornaamste werkbaazen van valsche kwytbrieven(*); en dat, tot overmaat van wederwaardigheden,

[p. 29]origineel

de Wethouders van Essequebo en Demerary, onderdaanen der Nederlandsche Republiek, zich niet ontzien hebben, de Jooden met allerhande scheldwoorden en lasteringen te overlaaden(20); zyn dat niet zo veele zaaken, waar over ieder mensch van gezond verstand moet verwonderd staan, en die hem traanen van medelyden met deeze ongelukkige Natie uit de oogen moeten persen? Onder zo veele smaadheden, met welke hunne diep doorwonde harten te worstelen hebben, zyn het alleen de Republiek der Vereenigde Nederlanden, de doorluchtige Josef de II., de weldaadige Lodewyk de XVI, de welbeminde Frederik Willem en Leopold van Toskanen. enz. enz. van welken zy eenig heil te wachten hebben. Mogten de Werken van den Heere Dohm, en vooral zyne onpartydigheid, doordringen tot voor de troonen der Vorsten; en mogten, in navolginge van hem, de Wysgeeren zich verwaardigen, om hunne stemmen met de zyne te vereenigen, ten einde eens eerlang die gelukkige omwenteling tot stand kwame, waar door alle onderscheiding van eene, sedert bykans 18 eeuwen, gehaate en vervolgde Natie voor altoos verbannen wierd! Om aan de bevorde-

[p. 30]origineel

ring van deeze gelukkige omwentelinge mede te werken, zullen wy, niettegenstaande onze geringe kundigheden, onder de oogen van het Publiek, en wel inzonderheid onder die van onzen hooggeschatten Weldoener, den vermaarden Heere Dohm, brengen, de Historie der Jooden, gevestigd in Suriname, om daar door, zo veel in ons is, te staaven het geen gemelde Heer, in zyn Werk over de Staatkundige hervorminge der Jooden, heeft staande gehouden: ‘dat, naamelyk, de Jooden in 't algemeen al zulke goede medeburgers konnen worden als de Christenen, zo dra men hun zulks toelaat’. Deeze stelling, gestaafd door blyken, die reeds voorheen door ons zyn gemeld, of in het vervolg van dit Werk staan gemeld te worden, zal men onweerlegbaar beweezen zien, doordien de Republiek der Vereenigde Nederlanden, haar krediet en koophandel uitbreidende, van haare bezittingen en stichtingen in Amerika de verblyfplaats der vryheid en de toevlugt der ongelukkigen heeft gemaakt, welke, door kracht van aan hun beweezen weldaaden, nuttige burgers en getrouwe onderdaanen der Republiek zyn geworden.

(1)Men zie zyne verhandeling over de Verdraagzaamheid, welke niet anders kan worden aangemerkt, dan als eene verhandeling van enkele Wysgerige Geestdryvery.
(2)Men erinnere zich zyn eigen zeggen: ‘Ik deed meer in mynen tyd dan Luther en Calvin’. Brief aan den Schryver van de drie Bedriegers.
(3)Paus Gregorius IX. betuigde in hun voordeel, dat zy geenszins schuldig zyn aan die misdaaden, welke hun van de Christenen worden te laste gelegd, alleen maar, om, door 't misbruiken van den Godsdienst, aan hunne goederen te komen, en eenige kleur aan hunne eigene geldgierigheid te geeven; en in den jaare 1236, schreef hy nog eenen brief van Ricti, gedagtekend den 9 van Herfstmaand, waarin wordt gezegd: dat de Christenen ongehoorde wreedheden tegen hen oeffenden, zonder in aanmerkinge te neemen, dat zy aan de Jooden de gronden van hunnen Godsdienst hebben dank te weeten. Brief van zekeren Mylord aan zynen Correspondent te Parys; London 1767, bl. 25 en 62.
(4)Om des laatsten haat tegen de Jooden te kennen, heeft men maar alleen in zyne Rabbynsche Boekzaal de kwaadaartige beschuldigingen te leezen, weike door hem tegen den Rabbi Manasse in Holland zyn uitgebraakt. Men zie daarover de A{l}gem. Histor. uit het Engelsch vertaald. Tom. 23. bl. 582 en 583.
(5)Zie de Nomologie van Aboab. II D. bl. 304 en volg. Amst 1629.
(6)Alexander en Alvaro Nunez da Costa waren Agenten van 't Hot van Lissabon in Holland: wegens deezen en de volgenden, kan men nazien 't geen Gregorio Leti heeft in zyn Compendio delle virtu Eroiche. II D. bl. 123.
Francisc. Xavier d' Olivera, Geheimschryver van het Gezantschap des Konings van Portugal, op zyne reize in Holland.
Brieven van eenige Jooden aan den Hr. de Voltaire. Tom. I. bl. 20 en volg. Parys 1775.
(7)Machados was een der gunstelingen van Koning William, en deeze Vorst erkende, dat dezelve groote diensten aan zyne legers in Vlaanderen had beweezen.
(8)De Graaf de Belmonte werd door het Hof van Madrid als Agent in Holland gebruikt, en vereerd met den tytel van Baron, en vervolgens met dien van Graaf door den Keizer.
(9)De Texeira's waren Agenten van wege den Koning van Zweeden in Holland en te Hamburg.
(10)Soasso werd door den Koning van Spanje tot Baron van Avernas verheven.
(11)Francisc. Molo nam in Holland de zaaken des Konings van Polen waar.
(12)Dard. Bo. de Mesquita was Resident van den Prinse Ch. Ernst, Markgraaf van Brandenburg, Hertog van Pruissen, en Algemeen Agent in Holland van wege den Hertog van Brunswyk Lunenburg: zyn schoonzoon was Francisc. Fernando Mora, die met aanzienlyke waardigheden, zo in Brazil als in Toskane, is bekleed geweest: verder kan men over hen nazien de stichting der Jooden in Holland, door Miguel de Barrios, op het einde.
(13)De Baron van Aquilar werd door den Keizer tot Baron verheven, en door de Koninginne van Hongarie, als haar Rentemeester gebruikt: met verlof van de Keizerinne Koninginne is hy naar London vertrokken, en aldaar gestorven in den jaare 1764 of 1765. Brief van een' Milord. bl. 56.
(14)Gradis is in Frankryk al te zeer bekend om eene opzettelyke vermelding noodig te hebben: 't zy ons genoeg, ten zynen opzigte, maar alleen aan te haalen, 't geene de Hr d' Arnaud van hem verhaalt in zyn boek, getyteld; des delassements de l' homme sensible. Tom. II. bl. 49; hebbende de somme gelds, door hem ten voordeele zyner Schuldenaaren opgeofferd, verre over de 200 duizend guldens beloopen.
(15)Hoe groot is niet de vermaardheid van den Hr. Mendelszoon? Zyne Werken, in bykans alle taalen van Europa overgezet, worden met groot recht voor meesterstukken van scherpzinnigheid in de Overnatuurkunde en goede Zedeleer gehouden.
Wy zouden deeze lyst, zonder merklyke moeite, kunnen vergrooten met verscheiden andere persoonen der Natie, die in de voorgaande eeuw hebben uitgeblonken, en wel inzonderheid met zulken, die groote Werken hebben voortgebragt; gelyk Don Anthonio Henriques Gomes, Isabel de Correa, Silveira, era verscheiden anderen.
(16)In de XII eeuw werden door de Jooden, omtrent Nimes, Universiteiten of Akademien gesticht. De Natie bragt toen Mannen voort, die door hunne geleerdheid aller achtinge verdienden. Rabbi Abraham, Hoogleeraar te Vauvert, zag zich omringd van zeer veele leerlingen, zelfs uit ver afgelegen gewesten. By 't geschenk zyner kundigheden voegde hy menigmaal een gedeelte zyner goederen, om dus zyne behoeftige voedsterlingen in hunnen bekrompen slaat te ondersteunen. Men zie de Beknopte Historie van de Stad Nimes, gedr te Amst. 1767, bl. 24 en 25. En 't geene inzonderheid onze opmerking verdient, is, dat de Schryver zich daarin aldus uitdrukt: ‘Indien wy geen zekere gedenkstukken hadden over dit gedeelte van de historie des menschelyken verstands, (naamelyk de weetenschappen) zou men hedendaags naauwelyks konnen gelooven, dat een Jood zo groot eene edelmoedigheid bezat; en dat het deeze Natie is, waaraan men de wederopkomste der weetenschappen en fraaie konsten verschuldigd is’. Men zie ook den Baron de Kloots in zyne Brieven over de Jooden, van bl. 69-73. van Colmenar in zyne Jaarboeken van Spanje en Portugal IV D. bl. 8. Als ook Josephus Scaliger, Schryver van de zestiende eeuw, over de jaaren der Jooden, in 't VIII Boek. Misschien was het eerste Heldendigt, dat over de Sterrekunde in 't licht verscheen, dat van den Rabbi Guebirol, Schryver van de XII eeuw; alhoewel zyn leerstelsel ganschelyk gegrond is op dat van Ptolomeus, 't welk toen ter tyd algemeen was aangenomen.
(Hier by voegen de Schryvers nog eenige digtkundige stukken, om, door eene vergelykinge daarvan met Voltaire en Rousseau, aantetoonen, dat het hunnen Rabbynen aan geen verhevenheid in deezen tak der fraaie weetenschappen ontbreekt; doch dewyl wy hiervan geen verslag konnen geeven zonder het reeds vertaalde wederom te vertaalen, gaan wy dit met stilzwygen voorby.)
Wat het Overnatuurkundige betreft; daaromtrent raadpleege men de Schriften der Rabbynen Jeuda Levi en Bahie van de XII eeuw, inzonderheid hunne verhandelingen over het bestaan en de eenheid van God, en over de Onsterflykheid der ziele; dezelve zonder vooroordeel vergelykende met die der hedendaagsche Overnatuurkundigen, en daarna uitspraak doende. Dan, ongelukkiglyk zyn het deeze Schriften niet, welke men leest en overweegt om 'er over te oordeelen. De Talmud met deszelfs droomeryen en Oostersche verdichtselen (volgens de beschryving, welke 'er onze tegenpartyen van geeven) is bykans het eenige waarmeê zich de oordeelkundigen bezig houden: heeft, by voorb. de Marquls d' Argens, in zyne verstandige gedenkschriften over het menschelyk verstand, wel zo veel onderzoeks omtrent het eerste als omtrent het laatste te koste gelegd? Doch is de Talmud nog hedendaags in weezen, en heeft de vermaarde Maimonides 'er eene uitlegginge van gegeeven, zyn 'er niet insgelyks veele anderen? Heeit Newton, de groote Newton, dien niet insgelyks verklaard? Hoedanig ook de droomeryen van alle de Rabbynen samen genomen mogen zyn, behelzenze wel meer en grooter lompheden dan de Preeken en Godgeleerde droomen van verscheiden andere Natien? Zie de Mem. du Marq. de Pombal. Tom. III. p. 176, 230, en verscheiden anderen.
(*)Bibliotheque Critique. Tom. I. p. 115, 116, en 118. Tom. III. p. 12, en 13.
(§)V. Louis Guyon diverses Leçons. Tom. II. p. 485.
(17)Men zie het beknopt verhaal van 't Pleitgeding, den Jooden aangedaan te Metz, zo als hetzelve is gedrukt te Parys by Leonard 1670. De aaneengeschakelde leezing der stukken, die als zo veele bewyzen der voorgewende misdaad worden bygebragt, dat de Jooden een Christen kind op Paaschdag geofferd zouden hebben, moet noodzaaklyk den staatkundigen en bittersten rechtsgeleerde zelfs tot ergernis verstrekken.
(18)Het zwarte Wetboek, gedrukt in 1680 of 1682. Nooit ontving eenig boek eenen tytel, zo overeenkomstig met deszelfs inhoud als deeze. Dezeive schynt meer de zwartheid der geestdryvery en der godsdienstige onverdraagzaamheid aan te duiden, dan wel de kleur der Negers, die 'er den tytel aan heeft gegeeven.
(19)Men zie de brieven van eenen Mylord aan zynen Correspondent te Parys.
(*)Zie de Staatk. Hervorming der Jooden van den Heere Dohm. p. 106.
(20)Men zie de Brieven over Demerary en Essequebo, tusschen Aristodemus en Sincerus. Tom. I. bl. 70. gedr. te Amst. 1785. Eysemenger en alle de vyanden der Jooden te samen, waren voorzeker niet meer op hen gebeeten dan deeze Areopagiten (Rechters) van Demerary en Essequebo, (toebehoorende aan eene Republiek, die de Jooden op eene luisterryke wyze wist te beschermen) onder het oog en tot verbaazing van 't gansch Heelal, en dat nog in deezen tyd, en wel alleen uit vreeze van hen tot mededingers in hunne ongelukkige Kolonien te zullen verkrygen. Wy zullen in 't vervolg wat nader over dit Werk spreeken, maar ondertusschen hier alleen aanmerken, dat deeze Heren veel eer om hunne eigene vervallen zaaken behoorden te denken, dan ten nadele van eene andere Natie te schryven. Zie de Post van den Neder-Rhyn van den 15 Aug. 1787. No. 65.
prepostterug  begin  verder