Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

Aan E. du Perron

 

[...] en heb dezelve de naam van Oost-Indise spiegel gegeven, dewijl daarin niet alleen veel zaken die algemeen zijn worden gevonden en die van anderen zijn beschreven, maar omdat in dezelve veel bijzondere voorvallen en handelingen van bijzondere personen en bijzondere gevallen worden verhaald. Dit is hetgene waarvan in deze O.I. spiegel gehandeld wordt en dat ongeveinsd bij de ander is gesteld, en zonder iemand gelijk men zeit de honing om de mond te smeren.

 

Nicolaus de Graaff in de Voorreden bij zijn Oost-Indise spiegel (1703)

[p. 11]

Inleidingaant.

Je n'aime pas la grande littérature.
Je n'aime que la conversation écrite.
paul léautaud in Marly-le-Roy

Wie na de Nederlandse letterkunde de Indisch-Nederlandse letterkunde in studie neemt komt een nieuwe wereld binnen. Hij zal er zich in het begin wat onwennig in voelen; hij zal zoeken naar wat hem vertrouwd is maar ziet verschijnselen die hem vreemd zijn en verhoudingen die hij niet kent. Niet alleen blijkt het landschap anders, zijn de mensen anders, zijn de sociale relaties anders, ook de vormen waarin de schrijvers zich uitdrukken zijn anders. De onderzoeker wil een ordening aanbrengen in zijn stof, maar merkt dat zijn criteria niet bruikbaar zijn. Hij wil van ‘stijlsoorten’ uitgaan of van litteraire genres maar ziet dat hij nergens uitkomt; hij wil een indeling maken op grond van litterair-historische categorieën maar vindt geen houvast.

Eerst als hij langzamerhand vertrouwd is geraakt met die ‘nieuwe wereld’ zal hij zich realiseren dat zijn litteraire onderscheidingen niet relevant zijn omdat de Indisch-Nederlandse letterkunde zo weinig ‘litteratuur’ is. Als hij zou willen spreken over de stijlkenmerken van het barokdrama of het renaissanceproza of over het Frans classicisme, is hij spoedig uitgepraat; als hij litterair-historische begrippen als verlichting, romantiek, nieuwe zakelijkheid zou willen gebruiken, blijken ze te weinig karakteristiek; als hij uit wil gaan van litteraire genres als het verhaal, de novelle of de roman zal hij merken dat ze langs lijnen van geleidelijkheid overgaan in de memoire, het dagboek, de brief, het feuilleton, de brochure of het pamflet. Tot de Indisch-Nederlandse letterkunde behoren litteraire en niet-litteraire genres: zowel de romans van Daum als de brieven van Walraven of Van der Tuuk, zowel de verhalen van Alberts als de grootse evocatie van de Indische bergnatuur door Junghuhn (in een werk met tabellen, lengtedoorsneden, hoogtekaarten en klimatologische gegevens), zowel De tienduizend dingen van Maria Dermoût als de beschrijving van de kleine wereld van schelpen,

[p. 12]

zeedieren, planten en bomen door Rumphius, zowel de poëzie van Resink als de brochures van Multatuli over vrije arbeid, zowel de satirische fragmenten van Johannes Olivier in zijn Aanteekeningen gehouden op eene reize in Oost-Indië als Het land van herkomst van Du Perron. Hoe verder we in de tijd teruggaan hoe meer we op niet-litteraire vormen uitkomen tot we aan het begin bij het reisjournaal beland zijn. Hier gaat elk formeel criterium de mist in. Onze zeventiende-eeuwse pikbroeken (zoals De Haan ze telkens in zijn grote werk Priangan noemt) bleken, onder de indruk van wat ze op hun ‘avonturelijcke reysen’ gezien, gehoord en ondervonden hadden, soms beter te kunnen schrijven dan de in de litteratuur geschoolde gebruikers van ‘pronkwoorden’. Dan beseffen we meer dan ooit hoe weinig zin een ordening naar genre of stijl heeft, vooral voor een letterkunde als de Indische die geen litteraire traditie kent. Het ontbreken hiervan is een van haar meest opvallende kenmerken. En dit is niet verwonderlijk. Ze kwam uit een samenleving voort waarin het beoefenen van litteratuur geen voor de hand liggende bezigheid was. Hetgeen overigens niet wil zeggen dat er geen behoefte tot schrijven is geweest. Die was er zeker. Busken Huet noemde Indië voor de schrijvers een ‘melkkoe’. Er is ontzettend veel over Indië en het Indische leven geschreven: met verwondering, met haat en liefde, met bitterheid, met kritiek en verrukking, al naar de ervaringen van de betrokkenen en naar de wijze waarop zij deze persoonlijk hebben verwerkt in reisbeschrijvingen, verhalen, romans, dagboek-bladen, brieven. Misschien in brieven in de eerste plaats, want allen schreven zij hun brief naar huis, sommigen zelfs boeiend en meeslepend. Men heeft weleens gezegd dat de Indische letterkunde zich uit de ‘brief naar huis’ ontwikkeld heeft. Er valt wel iets voor te zeggen - maar niet alles. Zelfs als de ‘Indischgast’ (zo wordt hij genoemd) over typisch Indische toestanden en typisch Indische mensen schrijft, blijft zijn blik op het moederland gericht - maar niet altijd. Een zekere Rouffaer die op zijn reis door Indië van 1885 tot 1890 zijn ogen goed de kost gaf, schreef in zijn (onuitgegeven) aantekeningen dat vele Europeanen die al jaren achtereen in Indië woonden vaak zo ver-indischt waren dat ze nauwelijks meer een band met het moederland voelden. Ze hadden andere belangen gekregen; ze waren grondig veranderd. Dit wordt bevestigd door wat in 1856 de journalist W.L. Ritter schreef die hier als sociale waarnemer optreedt: ‘[...] dat een Europeaan waar hij

[p. 13]

ook geboren moge zijn, in Indië een geheel ander wezen is dan in het land waar hij het eerste levenslicht aanschouwde en ofschoon een vreemdeling in het land zijner keuze vereenzelvigt hij zich daar toch zodanig met alles wat hem omringt dat hij wel niet meer als Europeaan beschouwd kan worden [...] hij wordt Indisch burger.’ Een observatie als deze is veelzeggend, vooral ook omdat de schrijver zelf onderworpen wordt aan het proces van acculturatie dat na korter of langer tijd een ander mens van hem maakt: ‘De Europeaan die zich naar Indië begeeft legt als het ware de oudere mens af om de nieuwe aan te nemen.’

Hoe vaak kan men dit, in telkens andere bewoordingen, lezen in vergeelde brieven en Indische romans en hoe dikwijls hoorde men dit uitspreken, ook later nog toen de communicatiemiddelen al verbeterd waren en het moederland dichterbij gekomen was. De Europese samenleving in Indië - misschien kunnen we beter spreken van verschillende samenlevingsvormen - was en bleef een andere dan die in het moederland. In deze andere, in de loop der tijden veranderende maatschappijvorm, ligt de sleutel voor ons begrip van een in het Nederlands geschreven letterkunde met andere onderwerpen en thema's en andere verschijningsvormen dan de moederlandse. Alleen door de Indisch-Nederlandse letterkunde in verband te brengen met het wisselend maatschappijbeeld, kunnen we haar interpreteren en iets begrijpen van de positie van de Indische schrijver. Zonder sociaal perspectief kan de beschrijving niet anders dan parafraserend en commentariërend zijn en de behandeling van de schrijvers niet anders dan biografisch.

Het ontbreken van een litteraire traditie en van een litterair klimaat in Indië kunnen we afleiden uit de structuur van de samenleving. Daarin was geen plaats voor litteratoren; daarvoor was de toplaag niet gedifferentieerd genoeg. Letterkundigen vielen maatschappelijk gesproken overal tussen en schrijvers als Greshoff en Du Perron hebben dit kort voor de oorlog nog pijnlijk moeten ondervinden. Om in de samenleving geïntegreerd te worden moest men ‘iets’ zijn: ambtenaar, planter, officier, huisvrouw, gouvernante, onderwijzer of desnoods geleerde, maar geen letterkundige. Toch waren er ambtenaren, planters, gouvernantes enzovoorts die tot schrijven kwamen, zelfs van letterkunde, maar dan vielen ze buiten het reglement van maatschappelijke orde. Sommigen trokken hieruit hun consequenties en bedienden zich

[p. 14]

van een schuilnaam. Het grote aantal pseudoniemen in de Indische letterkunde is even opvallend als de late en zeer late debuten. Niet alleen Multatuli - die immers al veertig was toen de Havelaar uitkwam - debuteerde laat, ook Walraven, Friedericy, Alberts, Breton de Nijs en Vincent Mahieu zijn pas na hun veertigste jaar met hun eerste werk uitgekomen en Maria Dermoût debuteerde zelfs op drieënzestigjarige leeftijd. Aan het leven buiten een litteraire traditie zijn voor- en nadelen verbonden. De nadelen liggen voor de hand (de schrijver is te veel op zichzelf aangewezen), de voordelen zijn minder vanzelfsprekend en toch biedt het leven buiten de litteratuur voordelen. De schrijver verliest zijn pretenties en wordt minder bezwaard door de verplichting litteratuur te bedrijven; zijn impulsen worden minder geremd, hij voelt zich vrijer en kan spontaner schrijven. Letterkundige stromingen en stijlen hebben ongetwijfeld hun invloed doen gelden - niet zo vaak overigens - haar eisen zijn voortdurend doorkruist door de eisen van het verhaal. Want het vertellen is in Indonesië - zowel bij Indonesiërs als bij Nederlanders - altijd in hoog aanzien geweest. Een goed verteller of voordrager genoot in de dorpsgemeenschap een groot gezag, soms groter dan dat van het dorpshoofd. Een goede verteller onder Europeanen was overal reçu. Wie een ‘mooi verhaal’ kon doen (de vaste uitdrukking ervoor) kon er zelfs promotie door maken. Het vertellen bracht zijn waarde dubbel en dwars op en werd daarom met overgave bedreven. De hele wijze van leven in Indië werkte ertoe mee. Als er in Indonesië geen litteraire traditie in de gewone betekenis van het woord geweest is, dan toch wel een andere en een zeer sterke, een verteltraditie, die ondenkbaar is zonder het grote avontuur in de tropen, zonder de Indische eenzaamheid en het Indische ‘plantenleven’, zonder de Indische sociëteiten met hun befaamde ‘kletstafel’ en zitjes, zonder de Indische huizen met hun wijde voor- en achtergalerijen, met hun terrasjes en platjes. Er bestond in het Indische leven - vooral in vroeger tijd maar ook nog later - bij afwezigheid van andere afleiding, een onweerstaanbare behoefte tot praten en kletsen, tot eindeloos ‘bomen’.

‘Waarover wordt in Indië gesproken?’ vroeg Rouffaer zich af. ‘Over personen, of men praat over Indische toestanden en dat alles met een openhartigheid die aan het ongelooflijke grenst.’ Juist in deze openhartigheid lag de mogelijkheid tot dramatiseren, tot grotere en kleinere verschuivingen in de werkelijkheid waaruit het verhaal ontstond. Zo

[p. 15]

werd de Indische letterkunde uit de conversatie geboren. Maar die conversatie kon van alles inhouden en ze kon overal op uitlopen: op louter informatie, op zaligprijzing en lof (‘heilig Indië’) maar ook op kritiek, op gemopper, gekanker en geroddel. Het is opvallend hoeveel er in Indië gekritiseerd is, hoe fel en - inderdaad - hoe openhartig. We behoeven niet uitsluitend aan Multatuli te denken; hij stond lang niet alleen, hij heeft talrijke voorlopers en opvolgers gehad. De welsprekende redevoeringen van Van Hoëvell in de Kamer (in twee delen gebundeld), geschreven voor en na de verschijning van de Havelaar, vormen één doorlopende aanklacht tegen het regeringsstelsel en bestuur. Er is in de Indische samenleving (welbeschouwd een samenleving zonder wortels) opvallend veel geprotesteerd, gemopperd, gekankerd en geroddeld. En we kunnen niet anders zeggen dan dat er onder de Indische schrijvers voortreffelijke kankeraars en roddelaars zijn geweest. Olivier bijvoorbeeld, en Daum, Bas Veth, Walraven en vele anderen. Hun verwoede kritiek en bijtende spot zijn vaak kostelijke lectuur.

Alle voorwaarden voor het geroddel en gekanker waren aanwezig. Een sterk heterogene samenleving die zich voortdurend verdeelde in groepjes, in coterietjes en afzonderlijke individuen (‘Ieder leeft hier op en voor zichzelf’ schreef een ‘Oudgast’ in 1897); de eeuwige scheidingslijnen tussen blank en bruin, tussen hoog en laag, de korte carrières en vele overplaatsingen, het altijd slechts oppervlakkige contact, ze hebben de vorming van hechte gemeenschappen verhinderd. Hiertegenover stond geen gemeenschappelijk cultuurfond, geen of weinig intellectuele ontwikkeling, geen hechte familiebanden, geen ontwikkeld ‘esprit de corps’. Het ‘veelhoofdig monster der kwaadsprekerij’ (Daum) kon ongehinderd door de kantoren sluipen, de huizen en sociëteiten. Er schijnt, als men de Indische romans en andere geschriften geloven wil, vooral in het oudere Indië, hartstochtelijk geboomd, gekletst en geroddeld te zijn. Nu moeten we een onderscheid maken tussen een domme en giftige roddel en een roddel op afstand, met niveau. Voor deze tweede vorm is nogal wat nodig. In de eerste plaats nieuwsgierigheid, een voortdurend levendige belangstelling die zich voor alle menselijke overwegingen interesseert, die door niets geremd wordt, door geen morele of fatsoensoverwegingen, om te kunnen toegeven aan die onoverwinlijke behoefte zich te bemoeien met andermans geheimste

[p. 16]

roerselen. Er is mensenkennis voor nodig om goed te kunnen roddelen en ook kennis van de maatschappelijke verhoudingen, een intuïtieve intelligentie en verbeeldingskracht. Een vrij aanzienlijk deel van de Indische letterkunde is uit deze soort veredelde roddel geboren. Natuurlijk zijn niet alle roddelaars schrijvers - ze zijn het alleen in potentie - en niet alle schrijvers roddelaars, maar we kunnen ons geen goede roddelaar indenken als een slecht verteller. Zo'n typisch talent was in de jaren tachtig en negentig de schrijver P.A. Daum die onder het pseudoniem Maurits een tiental Indische romans schreef en die zich daarin als een voortreffelijk kenner van Indische toestanden en van Indische mensen ontpopt. En als een voortreffelijk verteller.

Met de structurele veranderingen in de Indische maatschappij, vooral na de Eerste Wereldoorlog, met het proces van europeanisering en normalisering, met het ontstaan van een kwalitatief betere bovenlaag en een verandering van leefwijze en omgangsvormen, raakten het gekanker en de roddel op de achtergrond, al verdwenen ze niet meteen. In de Indische dagbladpers, in de ‘ouderwetse’ zeer persoonlijk gerichte polemieken van journalisten als Wybrands, Thomas, Beretty of Zentgraaff kon ze zich nog vrij lange tijd uitleven - dank zij overigens de medewerking van het publiek. In de letterkunde raakte ze op de achtergrond, maar de verteltoon bleef. Ze blijkt karakteristiek voor een groot deel van de Indische litteratuur. Er loopt een ononderbroken lijn van de eerste scheepsjournalen en reisbeschrijvingen, over de Oost-Indise spiegel van Nicolaus de Graaff, over de romans van Daum, naar Du Perron, Walraven, Maria Dermoût, Beb Vuyk, Friedericy en anderen, kortom naar die hele groep die na 1935 begon te schrijven, die na de oorlog daarmee doorging en zichzelf voortdurend aanvullend, een intensieve litteraire bedrijvigheid ontwikkelde. Het is opvallend dat deze naoorlogse ‘Indische schrijvers’ vóór alles vertellers zijn gebleven.

Al is de Indisch-Nederlandse letterkunde uit een andere traditie voortgekomen dan de Nederlandse, ook uit een andere stijltraditie, al vereist de bestudering ervan andere hulpmiddelen, ze is toch niet los te denken van de Nederlandse; ze hoort er vanzelfsprekend bij. ‘Echte kunst, in de kolonie door Europeanen voortgebracht’ schreef Du Perron eens in een boekbespreking ‘is bovendien al zeer gauw ingedeeld bij de kunst van het moederland, en terecht.’ Men zou de Indische litteratuur eenvoudig als Nederlandse litteratuur kunnen beschouwen en

[p. 17]

in een boek over de Nederlandse letterkunde kunnen onderbrengen op dezelfde wijze als dat nu met de Vlaamse letterkunde gebeurt, zonder onderscheid te maken. Maar wat voor de Vlaamse letterkunde zonder veel moeite mogelijk is, omdat men haar naar dezelfde principes van stijl en genre kan indelen als de Nederlandse, blijkt voor de Indisch-Nederlandse letterkunde veel moeilijker te gaan. En dit is na wat in het begin van deze inleiding gezegd is ook begrijpelijk. De gebruikelijke indeling in de verschillende litteratuurboeken is voor de Indische letterkunde niet relevant. Sommige schrijvers zijn nog wel in te passen, andere niet. De minste moeilijkheid leveren figuren op als Multatuli, Huet of Couperus die voor het letterkundig leven in Nederland van betekenis zijn geweest. Men kan Huet bij Huet indelen, Multatuli bij Multatuli en Couperus bij Couperus; men kan ook Daum nog onderbrengen, bij het naturalisme bijvoorbeeld, zij het onder enig voorbehoud. Met verschillende andere schrijvers, vooral van na de oorlog, kan men hetzelfde doen, maar het wordt bijzonder moeilijk een passende plaats te vinden voor Valentijn, voor Rumphius, Junghuhn, Van Hoëvell, Van der Tuuk, Walraven en verschillende anderen. Natuurlijk is het mogelijk, zoals dat vroeger met de Vlaamse letterkunde gebeurde, een afzonderlijke rubriek te maken van ‘Indische schrijvers’ of ‘Nederlandse schrijvers uit Indonesië’ als een welkome aanvulling van de Nederlandse letteren, maar de Indische letterkunde als geheel integreren in de Nederlandse kan men niet. Ze is nu eenmaal voortgekomen uit een geheel andere culturele en sociale situatie, ze heeft andere verschijningsvormen dan de Nederlandse, met een lichte voorkeur voor de niet-litteraire genres. Ze ziet er eenvoudig anders uit en hierin ligt de rechtvaardiging voor een afzonderlijke behandeling van de Indische letterkunde.