Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 18]

I De tijd van de ‘Loffelijcke Compagnie’

1. Oost-Indische reizenaant.

De Nederlanders hebben zich in de zestiende en zeventiende eeuw veel moeite gegeven hun moedertaal tot ontwikkeling te brengen. Het waren in de eerste plaats de humanisten en renaissancisten die naar het voorbeeld van het buitenland de weerbarstige en ruwe grondstof van de gesproken taal trachtten te vormen tot een geschaafd en beschaafd geschreven Nederlands. Het Latijn, zoals ze dat bij hun klassieke auteurs hadden gevonden, stond hun hierbij als ideaal voor ogen. Maar daarnaast - met niet minder liefde voor de moedertaal - waren er ook voor wie het Latijn niet normatief kon zijn, wel de levende volkstaal. De Amsterdammer Breero spotte quasi-nederig, maar in werkelijkheid zeer zelfbewust, met de ‘hooggeachte meesteren der wijdberoemde Latijnser tale’, en van zichzelf schreef hij: ‘Ik heb meer de gewoonte dan de kunst gevolgd.’ De gewoonte, dat was de taal die hij sprak en die hij hoorde: het Amsterdams.

 
Hier hebdy maar een slecht gerijm
 
Dat niet en riekt naar Griekse thijm
 
Noch Rooms gewas, maar na 't gebloemt
 
Van Holland klein, doch wijdberoemd.
 
Al heeft 't geen uitheemse geur,
 
't Is Amsterdams!

Er zijn in onze letterkunde twee stromingen geweest, schreef Busken Huet: die van de ‘stelselmatige humanisten’ en van de dichters, die in de verte de volkstaal in het oog hielden en er blijk van gaven haar wonderlijk goed te kennen - zoals de deftige Hooft en de deftige Huygens,

[p. 19]

speciaal in hun blijspelen. Toch hebben zij zelf het schrijven ervan niet meer dan als een soort divertissement beschouwd. Hun ander werk, met inbegrip van hun brieven, stelden zij ongetwijfeld als litterair genre ‘hoger’. De volkstaal zelf als vanzelfsprekend medium van haar gebruikers - en dat was ze voor Hooft, Huygens of Vondel niet - vinden we óók terug in vele scheepsjournalen en reisverhalen die in de zeventiende eeuw bijzonder populair waren. Ze vertegenwoordigden de ontspanningslectuur van die tijd, de brede stroom onder die van de litteratuur in engere zin. Ze vervulden dezelfde functie als de volksboeken in de middeleeuwen. Alweer Huet - de onvolprezen inaugurator op het terrein van de geschiedenis van onze letterkunde - heeft met nadruk op deze verhalen gewezen en hij vroeg zich af of de schrijvers van de Nederlandse letterkundige geschiedenissen en samenstellers van bloemlezingen niet al te weinig aandacht hadden geschonken aan deze meestal in vierkant formaat uitgegeven volksboeken. Ze werden in de zeventiende eeuw gedrukt en nagedrukt, met Gotische letters en op slecht papier. Met de tekst werd soms door de drukker zeer vrijmoedig omgesprongen en bijna altijd vertoonden ze de sporen van een al te haastige correctie. Er moest immers tijdig aan de grote vraag voldaan kunnen worden! Verschillende bibliotheken in Nederland en ook die in Djakarta van het voormalig Koninklijk Bataviaasch Genootschap bezitten nog grote collecties van zulke uitgaven en uitgaafjes. De meeste zijn in onze tijd niet meer herdrukt. Wel zijn door de Linschoten-Vereeniging talrijke journalen, verslagen en dagregisters uitgegeven, betrekking hebbende op reizen naar en in de Oost (maar ook naar andere streken). Ze vormen een indrukwekkende reeks die naar het voorbeeld van de Engelse Hakluyt-Society tot stand kwam: wetenschappelijke, degelijk ingeleide en geannoteerde en met zorg geïllustreerde uitgaven van teksten die zoveel mogelijk op de oorspronkelijke manuscripten teruggaan. Maar voor een algemeen publiek vormen ze geen leesstof.

Het zou trouwens dwaasheid zijn te beweren of te doen voorkomen alsof veel van deze scheepsjournalen en reisverhalen als lectuur zouden kunnen dienen voor de hedendaagse lezer, ook niet als we tot een algemener wijze van uitgeven zouden kunnen overgaan. Daarvoor zijn ze vaak te lang; daarvoor bevatten ze te veel opsommingen, te veel zinloze details. De leesbaarder stukken - die overigens bijna nergens

[p. 20]

ontbreken - zijn ‘in fabelachtige en langwijlige verhalen ingeweven of daaronder geheel bedolven’, naar het oordeel van een achttiende-eeuwse uitgever van zulke reisverhalen. Ze missen in hun overvolledigheid de spanning die bij ons door een bepaald litterair arrangement wordt bewerkstelligd. En als ze ons nog op talrijke plaatsen boeien, doen ze dit krachtens het verhaalde of om de soms aan de oppervlakte tredende humor of om het vaak kenmerkende gevoel voor originele beeldspraak en detail (‘... het schip anders niet geleek als een klippe van ijs, alzo dat het zeer schrikkelijk was om aan te zien die in het schip waren. Ende die zeilen waren als deuren zo stijf bevroren’), of om de bijna laconiek aandoende toon waarmee schokkende en dikwijls gruwelijke gebeurtenissen worden verteld. Daardoor bewerkstelligen ze ongewild een litterair effect waar de tegenwoordige lezer niet vreemd tegenover staat. Iemand als Nicolaus de Graaff, over wie we straks nog uitvoeriger komen te spreken, kan bijvoorbeeld op bijzonder koelbloedige wijze een notitie maken over het ‘empaleren’ van een wat al te vrijpostige en misdadige slaaf: ‘Een Maleise slaaf heeft zijn meesters vrouw, bij dewelke hij lang had geboeleerd, wredelijk om het leven gebracht en nog enigen tot ter dood toe gewond. Deze werd enige dagen nadat hij de misdaad bedreven had, gevangen en kort daarna op de volgende wijze gerecht. De schuldige wierd levendig op een kruis gebonden en zijn rechterhand met een gloeiende tang afgeknepen. Daarna wierden beide armen en benen aan stukken geslagen en zo levendig van het kruis afgenomen en geëmpaleerd, dat is: een lange ijzeren pen wierd van onder bij zijn fondement in gestoken, dat hij achter bij zijn hals weder uitkwam, en alzo lieten zij hem op een rad op die pen zolang zitten totdat hij is gestorven. Doch de lijder leefde nog drie uren in de achtermiddag en eiste zo als hij op het rad nog leefde, altemets een pijp toebak en een dronk water.’

Tegenover dit soort wreedheden moet de zeventiende-eeuwse lezer overigens anders gestaan hebben dan wij en van enige litteraire werking bereikt door een ‘droge’ manier van vertellen van een op zichzelf gruwelijke werkelijkheid, kan toen geen sprake geweest zijn. De populariteit zal anders moeten worden verklaard; in ieder geval zonder onze hedendaagse criteria daarbij te betrekken. Dat overigens ook in de zeventiende eeuw kwaliteitsnormen golden, staat vast. Niet alle reisverhalen genoten immers dezelfde populariteit en het is niet alleen

[p. 21]

zo, dat die waarin de meeste avonturen stonden, het meest gelezen werden. Een van de meest geliefde verhalen - tot in de achttiende eeuw verschenen druk na druk - dat van de ongelukkige reis van Schipper Bontekoe, onderscheidt zich nú nog door zijn leesbaarheid van de andere reisverhalen of journalen. De wijze van vertellen - en dit betekent het hanteren van een litterair criterium - heeft zeker ter onderscheiding gediend. Toch verklaart dit nog niet de algemene populariteit van het genre in de zeventiende eeuw. Daarvoor hebben andere factoren gegolden die voor ons niet meer gelden, althans niet meer op dezelfde wijze. Veel meer dan nu moet men zich betrokken hebben gevoeld bij de gebeurtenissen, veel meer dan nu bevredigden deze verhalen een behoefte aan informatie, in de meest letterlijke zin des woords. Men wilde het onbekende leren kennen. De plotseling groter geworden wereld - veel groter dan ze ooit geweest was - wekte niet alleen de illusie van mogelijkheden waarin de verwachting kon groeien naar macht en rijkdom, ze werkte ongetwijfeld ook op de verbeelding en de zucht naar avontuur.

In 1584 schreef de toen twintigjarige Hollandse jongen Jan Huygen van Linschoten aan zijn ouders: ‘Mijn hart denkt anders niet nacht ende dag dan om vreemde landen te bezien.’ Van Linschoten was een van de eerste Hollanders die naar het Oosten voer, zij het in Portugese dienst. Op zijn zestiende jaar verliet hij - overigens met toestemming van zijn ouders - zijn ouderlijke woning in Enkhuizen en reisde naar Spanje waar één van zijn halfbroers reeds een bestaan had gevonden. Eerst ging hij in Sevilla wonen en leerde daar Spaans; een jaar later trok hij naar Lissabon. Vanuit Lissabon zeilde hij in 1583 met een vloot van ongeveer veertig schepen naar ‘Portugaels Indien’. Na een voorspoedige reis van vijf maanden en dertien dagen kwam hij in Goa aan. Hij bleef daar vijf jaar. Toen keerde hij terug. Ditmaal was de reis allesbehalve voorspoedig, maar hij behield het leven. Na zijn terugkomst begon hij zijn befaamd geworden Itinerario en zijn niet minder belangrijke Reys-gheschrift vande navigatien der Portugaloysers te schrijven die jarenlang als gezaghebbend hebben gegolden voor de kennis van Azië en de vaart op die gebieden. Ze zijn talrijke malen herdrukt en vertaald. Vertalingen in het Engels en Duits verschenen in 1598, twee Latijnse vertalingen in 1599 en een veel herdrukte Franse in 1610. In 1885 verscheen in de serie van de Hakluyt-Society nog een Engelse

[p. 22]

editie naar de vertaling van 1598. Na de oprichting van de Linschoten-Vereeniging werden alle werken van Van Linschoten uitgegeven naar de oorspronkelijke Nederlandse tekst. De eerste twee delen verschenen in 1910, het laatste deel in 1957. Men raadplege over deze uitgaven de Aantekeningen achterin dit boek.

De verschijning van de Itinerario in 1596 moet voor Van Linschotens tijdgenoten een openbaring zijn geweest; een onbekende wereld werd voor hen ontsloten, want ofschoon er talrijke verhalen in omloop waren van Nederlanders en buitenlanders die met de Portugese Indië-vaarten waren meegegaan, er was nog nooit iemand geweest die deze vreemde wereld zo uitvoerig had beschreven. Ze moet zich aan hen hebben voorgedaan als een wonderwereld. Men las of hoorde niet alleen van andere mensen en andere steden, van een andere leefwijze en een andere kleding, van andere opvattingen en een andere natuur, men las ook van de rijkdommen en schatten die in het Oosten te halen vielen, maar óók van de verschrikkelijke gevaren en ontberingen tijdens de reis. En men las - wat toen voor de Nederlanders zeer belangrijk was - Van Linschotens oordeel over de Portugezen. Dit oordeel, waarin hij wijst op de desorganisatie, de onkunde, de tweedracht en hebzucht, hebben in ieder geval de mythe aangetast van het onoverwinlijke koloniale Portugese rijk. En nu mag Van Linschoten zich enigszins verkeken hebben op de situatie - zoals de jongste biograaf van Van Linschoten, de Amerikaan Charles McKew Parr, aannemelijk maakt - de suggestie dat er in Indië voor ondernemende mededingers een mogelijkheid lag, bleek juist.

Van Linschoten voerde in zijn werk - dat veel meer dan een reisverhaal is - ook bouwstoffen en hulpmiddelen aan die tot dusver in Nederland onbekend waren. Zijn Reys-gheschrift bevat een overzicht van alle zeewegen naar Indië, door hem gecompileerd uit de handschriften van Spaanse en Portugese loodsen.

Van Linschoten en Plancius - in verschillende opzichten elkaars antagonisten - hebben de eerste Indië-vaart der Nederlanders mogelijk gemaakt: Van Linschoten door wat hij in zijn Itinerario en Reys-gheschrift vertelt en aan kennis verzameld heeft, de kosmograaf en kartograaf Plancius door zijn voor zulke ontdekkingstochten onontbeerlijke zeekaarten. Zonder de kaarten van Plancius en zonder het Reys-gheschrift als ‘navigatie-bijbel’ voer men niet uit. In andere scheepsjournalen

[p. 23]

wordt herhaaldelijk zowel aan dit Reys-gheschrift als aan de Itinerario gerefereerd.

Zelfs na al wat Van Linschoten in zijn Itinerario over de Portugezen geschreven had, wilde de Republiek voorlopig geen strijd. Te lang had men blijkbaar onder de druk geleefd van het geweldige, machtige Portugese rijk in Azië. De ontluistering door Van Linschoten was toen blijkbaar nog niet door alle hoogste en verantwoordelijke kringen aanvaard. In ieder geval durfden deze niet haar beleid erop te bouwen en aangezien ook Van Linschoten overtuigd was dat er een andere weg naar Indië bestond die zelfs ruim 2000 mijlen korter was, ging men hiernaar zoeken. Ze moest er zijn, meende men. Op grond van al te gebrekkige en deels legendarische gegevens, blijkt achteraf. Had de beroemde geograaf Hakluyt niet gezegd dat er een ijsvrije zee was benoorden Azië, waarvan ook Tacitus had gesproken, ‘een trage en bewegingloze zee die de gordel der aarde vormt, waar men het geluid hoort van de zon die opgaat.’ Hoeveel gezag de uitspraak van Tacitus gehad moet hebben in een tijd dat het gezag van de klassieken zo groot was, en hoe fraai dit citaat ons in de oren klinkt, zo'n zee bleek niet te bestaan.

Toch zijn er nog drie tochten naar het noorden ondernomen. De eerste waarbij Van Linschoten als ‘commies’ of ‘supercarga’ meevoer - hij kreeg de opdracht het journaal bij te houden - wekte nog zekere illusies; de tweede - en alweer ging Van Linschoten mee - werd een mislukking; de derde, de tocht van Barentsz en Van Heemskerk (met de overwintering op Nova Zembla), eindigde zelfs gedeeltelijk in een drama. We danken er overigens een van de meest indrukwekkende journalen aan; dat van Gerrit de Veer, diens ‘waarachtige beschrijving van zeilagiën ter wereld nooit zo vreemd gehoord.’ Het verhaal dat in de negentiende eeuw tweemaal in het Engels werd uitgegeven, is niet alleen belangwekkend, het is in zijn sobere verteltrant ook schokkend en aandoenlijk, maar het heeft slechts indirect iets met de Indië-vaart te maken.

Tussen de eerste en de tweede tocht naar het noorden werden door anderen de mogelijkheden van de weg bezuiden de evenaar en langs de Kaap nader onderzocht. Cornelis de Houtman werd daartoe, zegt men, als een soort spion naar Portugal gezonden, maar het is waarschijnlijker dat hij als koopman ging ‘teneinde informatie te nemen op het stuk van de Oost-Indische en Molukse handel’, want over de weg

[p. 24]

zelf was men voldoende ingelicht. Begin 1594 was hij terug in Amsterdam. Toen begonnen de eigenlijke voorbereidingen die bijna een jaar duurden. Ofschoon het Reys-gheschrift en de Itinerario eerst in 1596 in druk zijn verschenen, blijkt toch dat van de inhoud van deze werken gebruik is gemaakt. Het is bekend dat de drukproeven van het Reys-gheschrift met De Houtman zijn meegegaan. Van Linschoten was ook van tevoren geraadpleegd. De route via de Kaap werd door hem bepaald. De Staten wilden botsingen met de Portugezen vermijden; daarom adviseerde Van Linschoten de koers op Java te richten, omdat daar naar hij meende nog geen Portugezen waren. En al bleek dit onjuist, mede door zijn advies is de grondslag van het latere Nederlandse koloniale rijk op Java komen te liggen. Alle besprekingen geschiedden ook ten overstaan van de geleerde Plancius. Op zijn kaarten en instructies werd naar Indië gevaren met door hem opgeleide stuurlieden.

De eerste tocht in 1595 met vier schepen onder leiding van Cornelis de Houtman, maakt niet de indruk slecht voorbereid te zijn, integendeel. Dat ze niet aan de verwachtingen beantwoordde, kwam door de onbekendheid met de situatie op Java, waar de Portugezen reeds waren en door het optreden van het wel wat ruwe ‘opperhoofd’. Van deze eerste scheepvaart naar Oost-Indië bestaan verschillende journalen, waaronder die van de jonge jurist Frank van der Does (1569-1645) die als adelborst meevoer. Zijn reisverslag Cort verhael ofte schypvaert enzovoorts is als alle journaals vrij droog, maar plotseling, bij bepaalde gebeurtenissen, voelt men de opwinding achter de woorden en zinnen; als hij bijvoorbeeld vertelt van een verraderlijke overval op één van de Hollandse schepen op de rede van Bantam: ‘... zo was ons nochtans wel een grote droefheid aan te zien die zo deerlijk vermoord lagen en zo schandelijk zonder enig kwaad vermoeden om de hals gekomen waren, want het schip anders niet, zo boven als beneden hem vertoonde alsof men in een slachthuis gekomen hadde hetwelk gans bebloed is van de beesten die hij gedood zou mogen hebben. Even gelijk was het schip gesteld van het mensenbloed dat te allerwegen de spuigaten uitliep, waarover het schip wel met recht een moordkuil mag genoemd worden. Dezelfde dag is ieder [der vermoorde personen] in zijn kleren in plaats van een doodkist met enige grote stenen aan haar lijf gebonden zijnde, overboord geworpen en gezonken, hetwelk wel droevelijk was om te zien...’

[p. 25]

De tweede scheepvaart onder de meer ontwikkelde Jacob van Neck slaagde volkomen; ze werd een doorslaand succes. Van Neck zelf is ook de schrijver van het reisverhaal dat zeer leesbare stukken bevat en dat men dan ook geboeid leest. Men heeft vooral Van Necks gevoel voor natuurschoon geprezen op grond van enkele fragmenten die telkens weer geciteerd worden. Op de thuisreis liet Van Neck de kust van Sumatra aandoen waar de zieken aan wal werden gebracht en waar water ingeladen werd. Van Neck zelf ging ook aan wal, ‘alzo het landschap mij vermakelijk dachte.’ Na van een banket in de open lucht te hebben verteld onder schaduwrijke bomen, zegt hij: ‘Uitermate contenteerde het gezicht de vruchtbare heuvelen en schone valleien. Daar zag men onder veel ombrose [schaduwrijke] bomen een rivierken zachtelijk henenvlieten; wat hoger, veel bezaaide akkers, divers van couleure, en opwaarts, het gebergte dat men de top door de wolken zag uitsteken. Langs de stranden daar de zee lieflijk op was spelende, kwamen veel van den lande, met haar dragende zeer goede vruchten die van de onzen werden gekocht en naar de schepen gevoerd die men daar sierlijk geankerd mocht zien tussen vele lustige eilanden.’

Het fragment valt inderdaad op omdat nergens elders uit de reisverhalen blijkt dat het tropische landschap in de ervaringen der mensen enigerlei rol heeft gespeeld. Het is op zichzelf curieus genoeg, maar de beschrijving is niet vrij van litteraire pretenties. Ze past zelfs gemakkelijk bij het renaissancistische genre van idylle en arcadia. Maar Van Neck was dan ook geen gewone pikbroek; hij was een man van intellectuele ontwikkeling en een aanzienlijk persoon die later burgemeester van Amsterdam zou worden.

Dr. F. de Haan heeft in het tweede deel van zijn Priangan in een bijlage (door hemzelf een ‘excurs’ genoemd) een alleraardigste beschouwing gegeven over het gevoel voor natuurschoon in de Compagniestijd. Hij laat met vele citaten zien hoe weinig men in de zeventiende en achttiende eeuw de Indische natuur los kon zien van de moederlandse en hoe de waardering voor de natuur steeg naarmate deze op de Hollandse ging gelijken, maar hij maakte voor enkelen een uitzondering. In de eerste plaats voor Rijklof van Goens (1619-1682), evenals Van Neck een aanzienlijk persoon: vijfmaal gezant voor de Compagnie naar Mataram en later zelfs gouverneur-generaal. Zijn geschriften bevatten een reisbeschrijving van ‘de weg uit Semarang na de hoofdplaats Ma-

[p. 26]

taram’, dwars door Midden-Java dus. Nu is de natuurschildering bij Van Goens allerminst plastisch, maar men merkt aan de keuze van zijn woorden hoe vooral de bergnatuur hem onmiddellijk ontroert en verrukt, zonder tussenkomst van litteratuur of iets anders. Tussen hem en de tropische natuur dringt zich nergens de herinnering aan de moederlandse en dit is achteraf ook te begrijpen. Van Goens was negen jaar toen hij met zijn ouders naar Indië ging; niet eerder dan op zijn zesendertigste kwam hij voor het eerst in Nederland terug. Zijn voorstelling van de natuur is van het begin af aan door het tropische landschap bepaald.

Een andere gunstige uitzondering maakte De Haan voor de overigens onbekende achttiende-eeuwer Johannes Hofhout (1740-1807), van wie een beschrijving overgeleverd is van een tocht van Jacatra naar het hospitaal Tjipanas, ongeveer honderd kilometer het binnenland in. Hofhout droeg veel minder dan bijvoorbeeld Van Neck de last van een litteraire traditie toen hij zijn reisverhaal schreef. Hij was nog maar achttien jaar en een eenvoudig pennist (schrijver) in dienst van de Compagnie. Misschien was juist zijn tekort aan litteraire scholing in dit geval een voordeel, want Hofhout is in staat ongehinderd en direct te observeren en te noteren zonder gebruik te maken van de vaste stijlfiguren die zich vooral in de achttiende eeuw overal tussendringen. Dit is zijn beschrijvingen ten goede gekomen, al ontkomt ook hij niet helemaal aan de verleidingen van het dichterlijk taalgebruik. Dan is de zon ‘de gulden toorts’ geworden of ‘schuift de gouden morgenstond het zwarte nachtgordijn weg.’ Eenmaal zelfs slaat hij midden in zijn verhaal aan het dichten, maar een dergelijke aanvechting houdt gelukkig niet al te lang stand en wordt gevolgd door een fragment als dit: ‘Op deze vlakte, waar alles gelukkig scheen, hielden wij ongelukkigen halte, werden met veel moeite ontladen en legden onze stramme, uiteengeschokte en gefolterde lichamen op de grasrijke grond ter verkwikking neer. Wij waren elkander geheel onbekend, want in de duisternis bij elkaar gekomen zijnde, zagen wij nu bij het licht eerst elkanders aangezicht, doch maakten, zoals het gemeenlijk onder ongelukkigen gaat, alras kennis. Hier zag men nu bij al de schoonheden der natuur welke ons deze landstreek vertoonde, een afgrijselijke groep van door ziekte gemartelde of met de dood worstelende stervelingen. Een zuivere lucht en een frisse teug bergwater verkwikten onze

[p. 27]

verdroogde borst en verslijmde tong, beide half verteerd door de vergiftigde lucht en het salpeterachtige water dat duizenden Europeeërs in het prachtig Batavia vermoordt. Ik voor mij gevoelde de kracht dier verandering en genoot schier een nieuw leven.’

Maar om op de reizen van De Houtman en Van Neck terug te komen, met deze twee ‘schipvaarten’ was de koers verkend en vastgelegd en steeds regelmatiger voeren er grotere en kleinere vloten naar en van Indië - hetgeen Busken Huet deed spreken van een soort trekschuitendienst. Dat deze ‘trekschuitendienst’ nog weleens haperingen vertoonde, blijkt juist uit de vele volksboekjes, waarin bij voorkeur sprake is van stormen, orkanen, gevechten met inboorlingen of Portugezen, honger, dorst en ziekten. Hoe regelmatig de vaarten misschien ook gingen, naar onze begrippen moet elke reis een beproeving zijn geweest. Als men zich de kleine ruimten indenkt, de spanningen onderling, de ruzies, de vechtpartijen, het slechte eten en drinken en vooral de beruchte scheurbuik, dan is dat voor ons al genoeg. Er behoeft geen schipbreuk meer bij te komen, om nooit meer - althans niet in alle ernst - aan een trekvaart te geloven. Maar een volksboek zonder schipbreuk en zonder een gedetailleerde beschrijving van de verschrikkingen, zou geen volksboek geweest zijn; het aantal beschrijvingen van ‘ongelukkige reizen’, is bijzonder groot. Ze vormen ongetwijfeld een speciale attractie. Een van de meest kleurrijke beschrijvingen van zo'n ‘ongelukkige reise’ die dan ook bijzonder populair werd is de Avonturelijcke reyse naer Oost-Indiën van Willem Ysbrantszoon Bontekoe. Ze werd vóór 1800 minstens zeventig maal uitgegeven. De populariteit blijkt ook uit een aantal vertalingen. Nog in de negentiende eeuw verschenen er Duitse en Franse vertalingen; er is er ook één in het Javaans en één in het Soendanees. Een Engelse editie kwam in 1929 uit. Fragmenten uit het reisjournaal treft men veelvuldig in bloemlezingen aan. De volledige tekst is na 1800 voor het eerst in 1915 door dr. G.J. Hoogewerff uitgegeven (herdrukt in 1930), en nog eens in 1952. De laatste uitgave onder de titel Journalen van de gedenckwaerdige reysen in de Werken van de Linschoten-Vereeniging is ook de beste en de volledigste, compleet met inleiding, bibliografie, bijlagen en registers.

Willem Ysbrantsz. Bontekoe werd op 27 juni 1587 in Hoorn geboren. Zijn vader was eveneens schipper (gezagvoerder), maar toen de zoon geboren werd heette hij nog geen Bontekoe. Die naam kregen

[p. 28]

hij en zijn drie zoons pas later. Zoals dit ook met de familienaam Brederode (Breero) het geval was, werd het gezin zo aangeduid met de naam die hun woning droeg en waar in de gevel een bonte koe gemetseld was. De zoon - de vader stierf in 1607 - voer op zijn dertigste jaar als schipper naar de Levant. Toen reeds achtervolgde hem het ongeluk. De ‘Bonte Koe’ (want zo heette ook het schip) werd door een Turkse zeeschuimer geroofd en daarna weer door Spanjaarden buitgemaakt. Men moet overigens niet getwijfeld hebben aan de kwaliteiten van Bontekoe als zeeman, want een jaar later kreeg hij de gevaarlijke opdracht een lading materiaal en krijgsvoorraad, waaronder 180 vaten kruit, naar Indië te brengen met het schip de ‘Nieu-Hoorn’. De ‘Nieu-Hoorn’ vloog in Straat Sunda in de lucht; Bontekoe werd echter gered. Vanuit Indië maakte hij nog een reis naar China met een vloot onder commando van Cornelis Reyersz. In oktober of november 1625 was hij in Nederland terug en vestigde zich weer in Hoorn. Of hij nog andere reizen gemaakt heeft, weten we niet, ook niet waar en wanneer hij overleden is. Twintig jaar na zijn terugkomst uit Indië ‘sleet hij in rust zijn jaren.’ Bontekoe was geen vermaarde persoonlijkheid en hij zou evenals zijn ongeluksreis geheel in de vergetelheid zijn geraakt als niet in 1645 of '46 een deel van zijn reisjournalen in handen was gekomen van de Hoornse drukker Jan Deutel. Deze schrijft dat hem ter hand gekomen is: ‘de beschrijvinge van deze gedenkweerdige Oost Indische reize van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, dewelke bij hem de vergetelheid al scheen opgeofferd te wezen, maar ik, die doorlezende, bevond ze waardig te zijn dat zij bij ons en onze nakomelingen in eeuwige gedachtenisse behoorde te blijven. Ik verzocht daarom aan hem die te mogen laten drukken, tot hetwelk hij niet wel gezind was, eensdeels omdat het bijna als vergeten en door de tijd oud geworden waar, anderdeels omdat hij die niet met zulken stijl en hadde beschreven, bekwaam naar zijn meninge, om gedrukt te mogen worden. Eindelijk na veel vriendelijke verzoekingen en aanmaningen van enige zijner goede vrienden, bewilligde hij hetzelve.’ In juli of augustus 1646 kwam het van de pers. Het is het meest gelezen volksboek geworden in de zeventiende en achttiende eeuw. Weinigen zullen in onze tijd het reisverhaal van Bontekoe geheel gelezen hebben, maar een ieder kent de naam Bontekoe en weet dat hij letterlijk de lucht in gevlogen is en het er toch nog ongehavend af heeft gebracht. Iedereen weet ook

[p. 29]

dat hij liedjes gezongen heeft om zijn leven te redden. Dit laatste dank zij Potgieters ‘Liedekens van Bontekoe’ en de anecdotische aankleding daarvan - die overigens de historie tart. Maar voor de meesten van ons is de naam van Bontekoe onvergetelijk geworden doordat één van de aardigste jeugdboeken die wij kennen erop geïnspireerd is: De scheepsjongens van Bontekoe van de schrijver Johan Fabricius, een boek dat (terecht) nog altijd herdrukt en gelezen wordt. Ook door volwassenen waarschijnlijk.

Bontekoe heeft welbeschouwd drie Gedenckwaerdige reysen gemaakt: de ongelukkige uitreis, de reis naar China vanuit Indië en terug, en de thuisreis. We vinden ze alle in het volksboek van 1646 beschreven. Alleen van de beide laatste reizen zijn ook de oorspronkelijke journalen behouden. Dat dit niet het geval is met het eerste, verwondert ons niet. Van de ‘Nieu-Hoorn’ zal niet veel overgebleven zijn. Over het algemeen kunnen we zeggen dat het volksboek leesbaarder is dan de oorspronkelijke dagboeken al is het minder exact wat de feiten en data betreft. Maar dit behoeft litterair gesproken geen bezwaar te zijn. Vooral als we Bontekoe's verhaal leggen naast andere uit die tijd, valt het op hoe levend zijn voordracht is. Deze is volks, gespeend van alle zwaarwichtigheid en anecdotisch. Overal weet Bontekoe een verhaaltje van te maken, met vaak aardige details. Zijn opmerkingsgave is opvallend. Hij heeft ook een directe manier van zeggen. Er is bij hem inderdaad - zoals de litterair-historicus G. Kalff zegt - slechts een kleine afstand tussen indruk en uitdrukking. Misschien komt het daardoor dat we bij Bontekoe voortdurend een stem horen die bij de meeste andere schrijvers van journalen ontbreekt. Hij maakt de indruk midden in zijn verhaal te staan. Het is alsof we hem leren kennen, beter zelfs dan de gebeurtenissen en voorvallen die hij vertelt. Deze persoonlijke toon is ongetwijfeld zijn grote verdienste, maar dat de uitgever de tekst van fouten heeft gezuiverd en van een bruikbare interpunctie moet hebben voorzien, is zeer waarschijnlijk. In hoeverre hij bij zijn bewerking nog verder is gegaan, weten we niet; het handschrift waarnaar de Gedenckwaerdige reysen werd uitgegeven blijkt dat van een afschrijver te zijn, in ieder geval niet van Bontekoe zelf (zie De Nieuwe Taalgids, 1963, blz. 153).

Bontekoe moet een argeloos en goedmoedig man zijn geweest die in plaats van te bevelen en orders te geven liever zijn toevlucht nam

[p. 30]

tot ‘zoete woorden’ - waarmee hij overigens óók wel zijn doel bereikte. Hij zal niet ambitieus of ijdel zijn geweest. Dat hij zijn verhaal eerst niet voor de druk wilde vrijgeven en de argumenten die hij hiervoor aanvoert, wijzen er op. En hoogmoedig was hij allerminst. Meer dan eens bekent hij voluit de situatie niet meer in handen te hebben en neemt dan ten einde raad zijn toevlucht tot een meestal kort gebed. Daaruit put hij kracht en soms zelfs nieuwe ideeën. Zoals bij het incident met de inboorlingen op Sumatra, waar Potgieter zich voor zijn ‘Liedekens van Bontekoe’ op liet inspireren. Toen na de ramp met de ‘Nieu-Hoorn’ de bemanning in sloepen eindelijk aan land kwam, werd besloten dat Bontekoe met vier matrozen per inlandse prauw de rivier zou opvaren om levensmiddelen te kopen. Men kocht onder meer een buffel, maar die bleek zo wild dat men hem niet in de prauw durfde laden. Er werd besloten dat de vier matrozen in het dorp zouden blijven en dat Bontekoe naar de andere mannen zou terugkeren. Er bleek echter niemand bereid te zijn hem terug te roeien. ‘Ik greep er een of twee uit de hoop bij de arm en duwde ze naar de prauw toe,’ schrijft Bontekoe (en nu citeren we een fragment om tegelijk een indruk te geven van zijn manier van vertellen), ‘[...] gelijk of ik meester was en ik was boven half knecht niet. Ze zagen er zo vreselijk uit als bullemannen, doch lieten haar gezeggen en twee gingen met mij in de prauw. De een ging achter zitten en de ander voor, elk met een scheppertje in de hand en staken af. Zij hadden elk een kris op haar zijde steken, zijnde een geweer [wapen] of het een ponjaard was, met gevlamde kling. Doen wij wat gevaren hadden, kwam de achterste naar mij toe, want ik zat midden in de prauw, en wees dat hij geld wilde hebben. Ik tastte in mijn zak, haalde er een kwartje uit en gaf het hem. De voorste, ziende dat zijn maat wat gekregen had, kwam mede naar mij toe en bewees mij dat ook hij wat hebben wilde. Ik dat ziende, haalde weder een kwartje uit mijn zak en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede. Het leek of hij in twijfel was of hij het geld wilde nemen dan of hij mij wilde aantasten, hetwelk zij licht zouden hebben konnen doen, want ik had geen geweer en zij hadden, als verhaald, elk een kris op zijde. Daar zat ik als een schaap tussen twee wolven met duizend vrezen! God weet hoe ik te moede was. Voeren alzo voor stroom af, want daar ging harde stroom. Omtrent ter halver weeg zijnde, begonnen zij te tieren en te parlementen. Het scheen aan alle

[p. 31]

tekenen, dat zij mij om hals wilden brengen. Ik dit ziende, was zo benauwd, dat mij het herte in het lijf trilde en beefde van vreze. Keerde mij derhalve tot God en bad om genade en dat Hij mij verstand wilde geven wat mij best in die gelegenheid stond te doen. En het scheen of mij inwendig gezeid werd dat ik zingen zoude, hetwelk ik dede, hoewel ik in zulke benauwdheid was, en zong dat het door de bomen en bossage klonk, want de rivier was aan beide zijden met hoge bomen bewassen. En als zij zagen en hoorden dat ik zo begon te zingen, begonnen zij te lachen en gaapten dat men haar in de keel zien kon, zodat het leek dat zij meenden dat ik geen zwarigheid van hen maakte. Doch ik was heel anders in mijn herte gesteld als ik vertrouw dat zij meenden. Aldaar bevond ik metterdaad dat een mens uit vrees en benauwdheid nog zingen kan, en wij raakten temet zo verder voort dat ik de boot zag liggen. Doe ging ik overeind staan en wuifde ons volk die bij de boot stonden toe. Zij, mij gewaar wordende, kwamen dadelijk naar mij toe, bij de kant van de rivier langs, en ik wees tegen die twee dat zij met de prauw aan land zouden sturen, hetwelk zij deden, en wees haar dat zij voor heen lopen zouden, want ik dacht: zo zult gij mij altijd van achteren niet doorsteken. Doe kwamen wij alzo bij ons volk.’ Liep dit voorval nog goed af, het vervolg was ernstiger. Toen de buffel de volgende dag gebracht werd en zich weer wild gedroeg, gaf Bontekoe opdracht de pezen van de achterpoten met een bijl door te hakken. Dit wekte de woede van de inboorlingen op, die een dreigende houding aannamen. ‘Mannen,’ riep Bontekoe toen, ‘elk doe zijn best naar de boot toe, want snijden zij ons de boot af, zo zijn wij lijveloos.’ Het werd een sauve qui peut (‘Doe stelden wij het op een lopen, met alle man naar de boot toe.’). Men wist te ontvluchten, maar toen achteraf geteld werd, ‘bevonden wij,’ schrijft Bontekoe, ‘dat wij zestien man verloren hadden, waarover wij tezamen hartelijk bedroefd waren, haar beklagende, doch dankten evenwel de Here dat wij daar allemaal niet waren omgekomen.’

In Batavia werd Bontekoe door niemand minder dan de Generaal Jan Pietersz. Coen ontvangen, ‘en [wij] verhaalden het hem al, van stuk tot stuk.’ Daarop antwoordde Coen nogal laconiek: ‘Wat helpt het, dat is een groot ongeluk.’ Hij liet Spaanse wijn schenken en toastte op Bontekoe's behoud. Vanuit Batavia ging Bontekoe, zoals reeds eerder gezegd is, naar China, maar langzamerhand begon hij last van

[p. 32]

heimwee te krijgen, ‘bevindende het spreekwoord waar en uit de ervarendheid bekrachtigd: ieder vogel is gaarne daar hij uitgebroed is’. Dan volgt de thuisvaart die nauwelijks minder ongelukkig was dan de heenreis. Vermoedelijk heeft Bontekoe er daarna genoeg van gekregen. Hij komt op geen enkele scheepsrol meer voor. Dezelfde argeloze manier van vertellen als van deze anti-held vinden we ook bij de krankbezoeker (geestelijke verzorger) Seyger van Regteren (1600-1645). Zijn Journael, gehouden op de reyse ende wederkomste van Oost-Indien wordt door zijn persoonlijke verhalen sterk verlevendigd. Het werd in 1639, zes jaren na zijn behouden thuiskomst, te Zwolle uitgegeven. Eén van zijn aardige verhalen is het verslag van deze behouden thuiskomst. Hij maakte de reis met zijn vrouw en dochtertje aan boord die telkens in zijn journaal optreden. Als het schip Texel binnenloopt, komt het in moeilijkheden doordat het strandt, terwijl een storm opsteekt. Het dreigt letterlijk in het zicht van de haven te vergaan. De vrouwen en kinderen (negen in getal) worden in een loodsboot genomen en aan land gebracht. Seyger van Regteren smeekt de opperkoopman hem ook naar land te doen brengen, maar deze antwoordt: ‘Neen, het zal beter zijn dat wij voort bij malkanderen blijven en zien wat uitkomst dat God de Here ons verlenen zal.’ Van Regteren mist echter het godsvertrouwen van de koopman en, schrijft hij, ‘mijn hart meerder strekkende naar mijn huisvrouw en kind, zo heb ik mijn slag waargenomen en ben in een [ander] loodsboot gesprongen dat van het schip afstak om naar het land te varen.’ Hij komt echter met het kleine loodsbootje in ‘zo grote nood ende gevaar als ik van mijn ganse voyagie nog niet gehad hadde.’ Toch schikt het lot zich ten goede: hij wordt met zijn gezin verenigd en zelfs het schip, waarin zijn have en goed zitten, loopt de volgende ochtend vroeg de haven binnen. Hij eindigt, zoals te verwachten was, met een gebed: ‘God zij lof, prijs ende ere in eeuwigheid. Amen.’

Al is het aantal schepen dat in de zeventiende en achttiende eeuw de Nederlandse havens uitzeilde om duizenden mijlen verder overzee handel te drijven, in verhouding tot de gehele Nederlandse koopvaardijvloot nooit zo groot geweest, het waren er toch nog altijd een dertigtal per jaar. Als men dan bedenkt dat voor elke reis, op elk schip een journaal werd bijgehouden, en daarna, dat vanaf het midden van de zeventiende eeuw door drukkers een ware jacht is ondernomen op

[p. 33]

deze journalen, of verhalen die hieraan werden ontleend, dan kan men zich enigszins een indruk vormen van de stroom van boeken en boekjes die loskwam. De lectuur is zo omvangrijk, dat we niet kunnen denken aan een weloverwogen keuze. De ene schrijver is alleen bekender geworden dan de ander en de ander heeft andere dingen gezien dan de een, maar het gaat bij hen allen om hetzelfde: de beschrijving van het onbekende ‘tot stichtelijk vermaak van onze nieuwgierige landgenoten’, zoals de ziekentrooster Wouter Schouten zich uitdrukte in zijn Oost-Indische voyagie (1676). En daarvoor was het noch voor hem noch voor de anderen nodig zich van litteraire taal te bedienen. Ze waren geen schrijvers of dichters en pretendeerden dit ook niet te zijn. Er waren er wel die het aan hun intellectueel of sociaal aanzien verplicht achtten ‘pronkwoorden’ te gebruiken, de meesten echter schreven een gestyleerde of nauwelijks gestyleerde volkstaal, die onderling slechts in nuances verschilt. Voor de kennis van de zeventiendeen achttiende-eeuwse taal zijn deze volksboeken onontbeerlijk. Ze vulden bovendien een ruimte op tussen het volk en de litteratuur in engere zin. Voor nogal brede lagen van de samenleving - dit blijkt uit het grote aantal uitgaafjes - dienden ze als ‘goede en goedkope lectuur’ en vervulden daarmee een sociale functie. Wat de schrijvers in de eerste plaats wilden en ook deden, was de lezers op een aangename en leesbare wijze voorlichten over vreemde en onbekende landen, waardoor allen deel konden hebben aan dat ene grote avontuur van de zeventiende eeuw: de ontdekking van de andere wereld. Ze moet voor hen hetzelfde geweest zijn als voor ons een andere planeet. Hun verhalen gingen over vreemde streken, vreemde zeeën, vreemde mensen, vreemde zaken en dingen, kortom over een nieuwe, exotisch ervaren wereld. Hun ‘krachtig aandringende reislust’ heeft hen opgewekt deze te gaan zien en zó vervuld lijken ze daarvan en zozeer zoeken ze het in volledigheid, dat de beschrijvingen weleens eindeloos lijken. Maar plotseling, midden in zo'n beschrijving, worden we getroffen door een taalgebruik zo verrassend en beeldend dat we het hele tafereel voor ons zien, zoals bijvoorbeeld bij dezelfde Wouter Schouten in zijn beschrijving van een storm: ‘De razende wind met bruine wolken verzeld nam nog en al meer en meer toe. Het schip werd door de hemelhoge waterbaren des grondelozen oceaans gedurig als tot dit onmetelijk vak des afgronds neergebonsd en dan staag wederom na omhoog als tot

[p. 34]

in de wolken hemelwaarts opgevoerd, en slingerde zo verschrikkelijk dat niemand kon gaan of staan, zodat wij deze angstvallige nacht in doods benauwdheid overbrachten. De droevige dageraad zondags de 15de van februari gekomen zijnde, konden alsnog geen schepen zien, veel min de zee en donkere wolken van malkander onderscheiden van wegens de dikke nevel en mottige lucht. Doch scheen nu dees bulderende storm een weinig af te nemen; dies de gesmolten hoop een weinig begon te leven, maar helaas, het was maar voor een korte stond, want 's morgens omtrent te acht uren, begon de wind weder en dat nog verschrikkelijker als ooit te bulderen; dies de zee, nog langs hoe meerder ontsteld, staag aan met ijselijke stortings het gehele schip bedekte en overstroomde, zodat wij niet anders dan een subiete ondergang voor ons en alle de mensen tegemoet en voor ogen zagen; ja, de verschrikkelijke waterbaren die niemand van ons ooit zo verschrikkelijk hadde gezien, kwamen nu zulke zware slagen en bonzen tegen het achterschip geven, dat alles aan stukken en brokken van malkander scheen te breken.’

Soms weet men niet meer of het door de gebeurtenissen zelf komt of door de wijze van vertellen dat we getroffen worden. Zijn het schokkende details of is het de kroniekachtige schrijfwijze die het effect bewerkstelligt, of is het juist de wisselwerking daartussen? In ieder geval betekent schrijven ook gevoel voor detail hebben en het vermogen deze zo in de tekst te kunnen plaatsen dat ze kúnnen schokken.

In 1942 verscheen een uitgave in facsimilé van de Korte beschryvinghe van de ongeluckige weer-om-reys van het schip Aernhem door Andries Stokram, oorspronkelijk uitgegeven in 1663. Daarin komt een verslag voor waarin de verschrikkingen worden verteld van een tocht - in januari 1662 - van ruim een week in een open boot, zonder eten of drinken, nadat de ‘Aernhem’ nabij Mauritius vergaan is. Hier volgt ter illustratie een kort fragment: ‘De 17de januari de wind en het weer als voren. Smeten een man of twee die van dorst gestorven waren overboord, hebben dezelve zout water gedronken, hetwelk haar het hart deed afbranden en haar onlijdelijke dorst dede lijden. Wij niets hebbende om onder te schuilen, moesten overdag in de zon en 's nachts in de koude zitten. Dronken zo ons eigen water, vragende anderen of zij van hun water niets en konden missen. Daar waren enigen die haar water niet drinken konden. Sommigen dronken zout water waarvan

[p. 35]

zij buiten haar zinnen wieren en kort daarna storven. Anderen die daar een exempel aan namen leden liever dorst zoveel zij konden, hopende dat het God wel zoude verzien en helpen ons te landen of zenden ons een regen om het hart te laven.’ Het is in al zijn onhandigheid en soberheid een schokkend fragment. Maar niet alleen dit is leesbaar; het hele - overigens korte - verhaal is het in hoge mate. Stokram en een groepje bleven het langst op het eiland Mauritius. De anderen waren al successievelijk door schepen opgepikt. Toen ze ten slotte door een Hollands kaperschip aan boord werden genomen, had Stokram acht maanden geleefd op een wijze als Robinson Crusoë eerst een eeuw later doen zou, in een omgeving die Daniel Defoe aan reisverhalen als die van Stokram zou ontlenen. Lang duurde de reis op het kaperschip niet. Met nog twee anderen werd Stokram op Sint Helena weer aan land gezet. De beschrijving van dit eiland - niet te lang en niet te kort, naar lengte weloverwogen in het geheel - is doeltreffend zonder één poging tot fraaiigheid. Het eiland ligt er in de oceaan, schrijft Stokram, ‘als een boei in de Spaanse zee,’ ‘een zeer hoog en bergachtig land, zulks dat het gemeenlijk met de wolken bedekt is. Het land is in zichzelve droog en asachtig en ook de bomen die er uit de aarde in grote menigte zijn. Het heeft geen ander wezen en aanzien alsof het half verzengd ware, gelijk in het algemeen al die eilanden het vuur zeer onderworpen zijn.’

Dat het ook anders en slechter kan, toont ons het overigens niet heruitgegeven verslag van dezelfde ongelukkige reis door de ziekentrooster van de ‘Aernhem’, een zekere Simon van Kerckhoven. Het is niet zoals dat van Stokram in de vorm van dagelijkse notities geschreven; het is in zoverre persoonlijker dat de schrijver zich telkens tussen het verhaal dringt met allerlei beschouwingen en moralisaties en toch is zijn proza kleurloos. Na een paar bladzijden weten we het al. Hij mist wat juist Stokram bezit: een oog voor het levende detail en een gevoel voor proporties. Waaruit alleen maar weer blijkt dat ook voor dit on-litteraire genre kwaliteitsnormen de doorslag geven.

Wij lezen deze reisverhalen ongetwijfeld met andere ogen en een andere instelling dan de tijdgenoten en verbazen ons waarschijnlijk over andere dingen dan zij. We verbazen ons minder over de beschrijvingen van vreemde koninkrijken, toernooien, feesten, zeden en gewoonten of over een opsomming van bijvoorbeeld inheemse vruchten

[p. 36]

of edelstenen, maar destemeer over de verschrikkingen op zulke Indië-vaarten. En waar we ons nog het meest van al over verwonderen, is dat verschillende van deze schrijvers die jarenlang zijn weggeweest, telkens weer scheep zijn gegaan - ondanks alles. En het is beslist onjuist aan te nemen dat alleen ‘zucht naar gewin’ hen daartoe dreef. Als we ons hun positie indenken, wordt alles begrijpelijk. Een jarenlang verblijf in een andere wereld, met een leefwijze die hemelsbreed van die in het moederland verschilde, moet velen ongeschikt hebben gemaakt voor een rustig bestaan in het vaderland. De botsingen met de omgeving, met de eigen familie in de eerste plaats, zullen talrijk zijn geweest. Ze werden vreemdelingen in hun eigen land; ze konden niet meer wortelen, voelden zich onrustig en gingen soms ten einde raad maar weer op reis. ‘Door het reizen,’ schreef de achttiende-eeuwse marine-arts Pieter van Woensel, ‘verkrijgt men een zekere ongerustheid, een woelachtigheid, een ontevredenheid met de plaats waar men is. Ik ken lieden die er ellendige martelaars van zijn. Het enige middel tegen die kwaal is juist hetgeen ze vermeerdert: het reizen-zelf.’ (Geciteerd uit het maandblad Tirade, mei 1959, nr. 29.)

Het leven van de scheepschirurgijn Nicolaus de Graaff, voorzover we dit uit de betrekkelijk schaarse gegevens kennen, is er voor om dit getuigenis te illustreren. Waar en wanneer hij precies geboren is, is onbekend. Hijzelf vertelt dat hij in Alkmaar zijn opleiding tot chirurgijn kreeg en dat hem toen ‘de lust beving de Wereld te bezien, dewijl ik [hij] dagelijks veel van deszelfs wonderheden hoorde verhalen.’ Daarom nam hij dienst bij de Oost-Indische Compagnie, temeer waar hij meende op zijn reizen veel ervaring te kunnen opdoen, ‘alwaar bijzondere accidenten, gewonden en gekwetsten voorvallen.’ Hij zeilde eind april 1639 uit en was in augustus 1643 in het vaderland terug. Kort daarop is hij vermoedelijk getrouwd. Een paar maanden later was hij weer op zee, alweer op weg naar Indië; hij kwam in juli 1646 terug. Als we verder letten op de data, dan zien we dat hij, nadat hij zijn vijfde reis had gemaakt (ditmaal naar Brazilië), voor het eerst langer dan enige maanden aan de wal bleef, om nauwkeuriger te zijn, drie jaren. De ‘grote armoede, honger en kommer,’ die hij op de laatste reis geleden had, zullen vermoedelijk invloed uitgeoefend hebben op zijn besluit. Daarna maakte hij met onderbrekingen van slechts enkele maanden, soms een jaar, kortere reizen naar de Noordzee, naar de Middellandse

[p. 37]

Zee (met De Ruyter), naar Portugal, naar Denemarken en elders. In 1668 nam hij weer dienst bij de Compagnie en ging voor de derde maal naar Indië; hij bleef ruim tweeëneenhalf jaar weg. Daarop volgt de langste periode dat hij aan land bleef: bijna vier jaren. Het lijkt wel of hij het plan heeft gehad zich te vestigen. Hij kocht een huis in Egmond aan Zee en nam een benoeming aan tot schepen van de stad. Maar in 1676, een jaar hierna, voer hij weer weg om niet eerder dan in 1679 terug te keren. In 1680 werd hij diaken van de Kerkeraad. In 1681 blijkt hij ‘ziekelijk na den lichame.’ Toch is hij anderhalf jaar later weer op reis gegaan; eerst naar China, toen naar Batavia en vandaar via de noordkust van Java, naar de Molukken. In 1686 of begin 1687 was hij weer in Bantam en Batavia. Op 13 augustus 1687 kwam hij ‘door Gods genade in behouden haven aan.’ Die behouden haven was de rede van Texel. Hiermee beëindigde hij zijn laatste en zestiende reis. Tussen al zijn reizen door huwde hij tweemaal, kreeg en verloor hij kinderen, werd hij diaken en later zelfs burgemeester van Egmond. Na 1687 - hij was intussen al over de zestig - heeft hij geen reizen meer gemaakt.

Nicolaus de Graaff was een ‘merkwaardige man’, zoals de uitgever van zijn Reisen hem wat erg vaag karakteriseert; een vrij rusteloze figuur naar het schijnt, een vindingrijk en ervaren chirurgijn en ... een uitstekend verteller. In zijn manier van schrijven zit vooral een vaart die de anderen missen. De Graaff heeft niet alleen gevoel voor het detail, maar ook voor het komische. Zo toont hij zich een meester in volksetymologieën. De Groot Mogol van Aurangzib heet Orang Chef; de plaats Soemenep (op het eiland Madura) heet Samme Nap en de Hindoe-godheid Juggernaut, noemt hij Jan Garnaat. Maar hij is vooral sterk in wat wij nu ‘understatement’ zouden noemen, zoals reeds gebleken is uit een citaat op bladzijde 20. De manier waarop hij over een verrassend geslaagde ingreep vertelt, typeert hem volkomen: ‘ons dagelijks op het eiland Barbados verversende en eens boswaarts wandelende, vonden wij leggen een Engelse jongen, oud omtrent veertien à vijftien jaar. [...] is gestruikeld tegen een steentje waardoor hij voorover op zijn buik is nedergevallen, verbrekende de brandewijns flessen die hij in de bocht van zijn hemd tussen zijn armen en blote lichaam droeg aan gruis, kwetsende de ganse buik dat er de darmen en ingewand heeft uitgehangen, en na hem opgericht en het gedarmte

[p. 38]

zoveel het doenlijk was van de vuiligheid als gebroken glas en zand gereinigd, hebben de ingewanden weder ingebracht en de wonde gehecht zoveel de tijd en plaats toeliet.’ In een hangmat werd de patiënt naar de woning van zijn heer gebracht die aan De Graaff het verzoek deed de jongen verder te behandelen. ‘De jongeling wederom aangetast en de hechtingen losgemaakt, hebbe al het gedarmte wederom tot de wonde uitgedaan in een vlakke mout of houten bak en de darmen nauwkeurig bezichtigd of die met glas doorsneden of gekwetst waren en de vuiligheid schoon afgewassen met lauwe, zoete melk; hebbe deszelve het gevoegelijkst weder in het lichaam gebracht en toen zoveel hechtingen gelegd als daar van node zijn, gevende hem na het verband een hartsterkend drankje en de naaste morgen een buikzuiverend middel, daar na enige uren een bekwame stoelgang op volgde, hetwelk te kennen gaf dat de darmen niet gekwetst en alles op zijn behoorlijke plaats was. Deze jongeling is in de tijd van vijf weken voor het merengedeelte tot zijn vorige gezondheid onder des Heren zegen hersteld.’

Over alle zijn zestien reizen heeft De Graaff verslag uitgebracht, de ene keer wat uitvoeriger dan de andere. Ze werden in 1701 voor het eerst uitgegeven onder de reeds genoemde titel Reisen enz. In 1704 kwam een herdruk ‘vermeerderd uit des auteurs naargelaten geschriften’, waaruit blijkt dat De Graaff in dat jaar reeds overleden was. Reeds in de eerste druk was aan zijn boek een merkwaardig geschriftje toegevoegd: de Oost-Indise spiegel, dat gelukkig ook in 1930 bij de nieuwe uitgave door de Linschoten-Vereeniging werd opgenomen. En dat ondanks de bezwaren die de verzorger van deze uitgave, de kapitein ter zee Warnsinck ertegen aanvoert. Hij vindt de schrijftrant van de Oost-Indise spiegel ‘minder beschaafd’ dan die van de Reisen en de kritiek op de Bataviase maatschappij, in het bijzonder op het vrouwelijke deel daarvan, wel wat al te vinnig. Alsof deze dingen als waarde-criterium kunnen gelden! Anderen oordelen anders over de Oost-Indise spiegel. Du Perron noemde het ‘het bewogenste proza dat de Companjiestijd heeft opgeleverd’ en nam er een fors stuk uit over in zijn De Muze van Jan Companjie (1939). Het staat centraal in deze bloemlezing; niet om zijn lengte, maar eenvoudig omdat het het meest leesbare stuk is. Het houdt het midden tussen een gewone land- en stadsbeschrijving zoals er vele in die tijd waren, en een zedekundige satire die ‘ongeveinsd is gesteld zonder iemand de honing om de mond te smeren.’

[p. 39]

Na een korte, informatieve inleiding over de stad Batavia en ‘derzelver inwoonders’, komt De Graaff hoe langer hoe meer op dreef tot hij over de leefwijze van de Europeanen komt te spreken. Dan barst hij los, in het bijzonder tegen de ‘Oostindische vrouwtjes’, zoals ze ‘uitgedost en gekleed’ op zondag naar de kerk gaan: ‘Dus zitten ze bij honderden in de kerk opgepalleerd als geparelde poppen te pronken; de minste van hen allen schijnt eer een prinses dan een burgers vrouw of dochter te wezen, zodat er de Hemel zelfs af walgt!’ In zijn kritiek maakt hij overigens - ere wien ere toekomt - geen onderscheid tussen blank, bruin of zwart. Zijn weerzin is alomvattend en volledig.

Warnsinck schildert De Graaff als het type van de populaire scheepsdokter (‘zoals wij die heden ook nog kennen bij de marine en de koopvaardij,’ voegt hij eraan toe); verder als een ‘prettig scheepsmakker’ en een ‘braaf meelegger’. Maar in de Oost-Indise spiegel ziet men hem bepaald anders; veel eerder als diaken van de Kerkeraad die hij later óók was: zwart en gebeft, met soms de stem van een boetprediker. Hij wierp een knuppel in het hoenderhok en was zich dit ook bewust: ‘... zo wierpen wij de schoen in het honderd en die dezelve past kan die aantrekken of anders verwerpen, en zal mij in alles onverschillig houden.’ En ze konden het zich allen aantrekken, niet alleen de vrouwen, ook de Compagniesdienaren die slechts oog hadden voor hun eigen (verboden) particuliere handel. En knoeiden ze nog maar bij mate! Maar deze handel gaat ‘zo bont en grof in zijn werk dat het onuitsprekelijk is’. De corruptie - dit blijkt uit De Graaff - is in de tweede helft van de zeventiende eeuw reeds algemeen. Ze is al bij hoog en laag ingevreten, maar de ergsten, zegt De Graaff, zijn nog de krankenbezoekers of ziekentroosters, die ‘geveinsde hypocrieten’. Men kan De Graaff zelf ook wel een en ander verwijten, maar niet dat hij er alleen maar op uit was om geld te verdienen. Geld was voor hem niet de ‘zenuw en de kracht’ voor zijn handelen. Hij eindigde zijn leven in slechts betrekkelijke welstand. Wat hem telkens weer naar zee dreef, was dezelfde aandrift, dezelfde ongedurigheid van een Jan Huygen van Linschoten, van een Wouter Schouten en van nog vele anderen.

Een heel ander type dan de levendige, maar in de grond van zijn wezen vroom-ernstige Nicolaus de Graaff, is de snaakse Aernout van Overbeke. Hij vertegenwoordigt zowel met zijn gedichten als met zijn Geestige en vermaeckelicke reys-beschryvinge naer Oost-Indien (uitgegeven

[p. 40]

in 1672) het burleske genre. Dit vond in de tweede helft van de zeventiende eeuw, onder Franse invloed, ook bij ons enige beoefenaars, van wie Willem Godschalk van Focquenbroch (1640-1670) verreweg de opvallendste is. De soort vereist een zekere eruditie, een intellectuele inspanning door een voortdurende toepassing van ‘miltkittelende grepen’. Van Overbeke was dan ook niet zomaar een ‘pikbroek’, zou De Haan weer zeggen, maar een man van litteraire ontwikkeling. Hij was enige jaren jonger dan De Graaff, maar stierf veel eerder, in 1674, twee jaar na zijn terugkeer in het vaderland na een vierjarig verblijf in Indië als lid van de Raad van Justitie. Zijn Rijmwerken (waarin zijn reisbeschrijving later is opgenomen) zijn talrijke malen herdrukt. In 1719 verscheen de tiende uitgave. Hij werd waarschijnlijk populair omdat hij op vlotte, openhartige en opgewekte wijze over dingen schreef en over zichzelf waar men in zijn tijd ‘tot miltscheurings toe’ om gelachen zal hebben. Zijn reisbeschrijving is niet, zoals de meeste andere reisverhalen, van een journaal afgeleid; ze is geschreven in de vorm van een brief aan een vriend. Van Overbeke springt hierin van de hak op de tak, grijpt terug naar herinneringen, maakt talrijke toespelingen en dubbelzinnige opmerkingen, doorspekt zijn tekst met Latijnse citaten en geeft bij voortduring blijk van zijn geestigheid en boertigheid. Soms is hij ook weleens aardig naar onze begrippen. Toen zijn schip op de rede van Batavia lag, vond de fiscaal die als eerste aan boord kwam, bij de bagage van Van Overbeke een pakje dat niet het verplichte merk van de Compagnie droeg, ‘daar hij wat op stond en staroogde’. ‘Dit is ongemerkt,’ zei hij. ‘Wel laat het dan ongemerkt,’ antwoordde Van Overbeke nogal gevat. En dit gebeurde ook.

Een enkele keer zinspeelt hij op zijn leven. Dan krijgt zijn reisbeschrijving een menselijk accent en dan blijkt ook dat dit leven ondanks al het geschater, niet zo bijzonder opwekkend is geweest. Er wordt op de reis een haai gevangen. Als deze wordt opengesneden, blijkt er een tamelijk grote vis in te zitten, en daarin zit weer een vliegend visje, ‘zodat mij dit gebrui voorkwam als de Neurenburgse doosjes, daar er somtijds honderd ineensluiten en mij kwam toen in de zin des mensen ongelukkig leven daar ik wel mijn deel van heb gehad. De vliegende visjes zijn een aardig goedje en schijnen gelukkig,’ máár, laat Van Overbeke erop volgen: ‘Messieurs tes een grand erreur. 't Zijn de ongelukkigste creaturen naast mij van de wereld. Komen zij in het

[p. 41]

water, daar zit haar een haai achter het gat; komen zij boven, daar zijn Jan van Genten scheervogels die gans niet vies van haar vallen. In summa: zij zijn onder en boven gebruid en altoos aan lager wal, eveneens als ik in Den Haag en te Amsterdam. Daar bruiden mij N.N., op een ander keer P.P.; altoos was ik Icarus. Hadde ik de wijsheid van Daedalus gehad, de zon zou hier niet op mijn kruin geschenen hebben.’

Zulke opmerkingen die de litterator in hem verraden behoeft men niet te zoeken bij de bekende J.S. Stavorinus, wiens reisverhalen in het Frans, Duits en Engels zijn vertaald. Hij was kapitein bij de Admiraliteit van Zeeland, maar maakte in dienst van de v.o.c. lange reizen naar Azië, volgens zijn uitgever alleen om aan zijn reislust te kunnen toegeven. Hij schreef twee boeken over zijn reizen die hij tussen 1768 en 1778 maakte door het gehele gebied waar de Compagnie haar factorijen en comptoiren had. Het eerste verscheen in 1793, het tweede en bekendste in 1797 in twee delen, getiteld Reize van Zeeland over de Kaap de Goede Hoop en Batavia, naar Samarang, Macasser, Amboina, Suratte, enz. gedaan in de jaaren 1774 tot 1778. Hij schreef overigens niet om zijn indrukken op de lezers over te brengen, maar vanuit ‘de bewustheid nuttig te zijn’, waarmee hij zich een typische achttiende-eeuwer toont. Informatie staat bij hem voorop. Hij beschrijft de vissen, de zeevogels; hij schrijft over de talrijke ziekten en geeft een opsomming van de symptomen van de scorbut en de misschien nog gruwelijker ‘diarrhea symptomatica’; hij geeft aanwijzingen voor het zeilen tussen riffen en een uitvoerige beschrijving van steden en landschappen met een opgave van de voornaamste uitvoerprodukten; hij geeft getallen van vlooteenheden, van suikermolens, en huizen; hij geeft sterftecijfers, marktprijzen enzovoorts. Maar Stavorinus de veelzijdige, laat het hier niet bij. Hij beschrijft ook de samenleving der Europeanen; hij vertelt van hun leefwijze en al gaat hij ook hierbij informatief te werk, tussen de beschrijvingen door loopt zijn kritiek, vooral als hij het over de vrouwen heeft en de behandeling van slaven. Het beeld dat we krijgen verschilt een eeuw later niet zo heel veel van dat van De Graaff: een kleine, gemengde samenleving waarin de ambtelijke en geld-hiërarchie, tot het absurde doorgevoerd, als sociale onderscheiding dient; een individuele rijkdom die scherp afsteekt tegen de ‘vervallen staat’ van de Compagnie zelf. Bij alle pracht en praal constateert Stavorinus bij de meeste Europeanen een ‘zwaarmoedige gesteldheid’,

[p. 42]

die overigens niet te verwonderen is als we over de buitengewone sterfte lezen die in sommige nederzettingen tot een complete ontvolking had geleid. Jaarlijks verliest de Compagnie een zesde van haar dienaren, schrijft Stavorinus. Van sommige schepen bereikt op de uitreis nauwelijks de helft van de opvarenden het einddoel. Over de verregaande corruptie en de geldzucht van de dienaren van de Compagnie laat hij zich - merkwaardig genoeg - slechts summier uit.

Niet aldus Jacob Haafner (1755-1809) die eveneens vele reizen maakte, misschien nog wel meer dan Stavorinus. Hij was getuige van de laatste stuiptrekkingen van de Compagnie en schreef erover. En hoe levendig en boeiend! Haafher - hij heette eigenlijk Hafner - was een Duitser van geboorte die op zijn elfde jaar met zijn vader, een chirurgijn, meegegaan was in dienst van de Compagnie. Zijn vader stierf reeds op de uitreis en hijzelf, een kind nog, moest blijven zwerven. Hij ondervond de verschrikkelijkste dingen en was getuige van onmenselijke wreedheden. Ze schokten hem diep en maakten van hem een ‘doodvijand van dwingelanden en dwingelandij’. ‘Ik verfoei en verafschuw alle onrechtvaardigheid en wreedheid,’ schreef hij in het Voorberigt van zijn Reize van Madras naar Ceilon (1806). ‘Ik acht alle mensen, van wat verwe en natie en godsdienst zij ook mogen zijn, als mijn medemensen en broeders. Wie hierin evenals ik denkt, die zal er zich niet aan stoten, maar integendeel met genoegen zien dat ik de onschuldige en onderdrukte Indianen verdedig en voorspreek en hun tyrannen met schande zoek te overladen.’ Hij richt zich vooral tegen de Engelsen, maar de Hollanders zijn evenzo, zegt hij. Het was overal hetzelfde wat hij zag: hetzelfde verval, dezelfde corruptie, dezelfde wreedheid, dezelfde hoogmoed, dezelfde schraapzucht: ‘Fortuin maken! Niemand gaat naar Indiën dan om fortuin te maken. Dat ongelukkig werelddeel is het rasphuis van Europa geworden. Deugnieten, verkwisters, boeven, allen die wegens hun misdaden of anderszins uit hun geboorteplaats zijn verbannen, bankroetiers en ander meer slecht volk, alles ijlt naar Indiën als naar een algemene prooi, alles wil er fortuin maken en hoe kan dat geschieden? Niet dan met de Maatschappij welke zij dienen te bestelen, of de arme Indianen te onderdrukken, te plunderen en te vermoorden. Van de tien die vandaar rijk terugkomen, hebben er gewis negen hun buit op deze wijze verkregen.’ (Reize van Madras naar Ceilon, blz. 11).

[p. 43]

Op een van de reizen strandde hij na een zware ziekte ook in Oost-Indiën. Hij vertelt hierover in zijn Lotgevallen en vroegere zeereizen (postuum uitgegeven door zijn zoon in 1820). Over het gedrag en de leefwijze van de Europeanen te Batavia merkt hij ongeveer hetzelfde op als Nicolaus de Graaff en Stavorinus. Ook hij vertelt van martelingen en executies en ook hij beschrijft het empaleren van een slaaf en diens zelfbeheersing, maar hij laat het niet zoals De Graaff bij een droog verslag. Hij protesteert en klaagt aan: ‘bedwingt de bloed- en gouddorst uwer uitgehongerde landlopers die gij in menigten naar deze ongelukkige gewesten zendt, die gestadig door nieuwe tergingen het lot van de rampzalige slaaf verzwaren en hem eindelijk de gewisse dood boven het door hem zo ondraaglijk leven doet kiezen.’ Ook Haafner vindt de vrouwen het ergst en het wreedst en hij geeft daar verschillende voorbeelden van; ook hij hekelt hun luiheid en hun ‘verliefde gesteldheid’, maar het meest verontwaardigd is hij over de predikanten - ‘verfoeilijke zielverkopers’, noemt hij ze - en hij ergert zich aan hun zoete woorden bij zoveel hoogmoed, bedrog en inhaligheid. ‘Velen hunner drijven handel en kuipen om naar Sumatra's Westkust gezonden te worden onder voorwendsel van nieuwe bekeerlingen en slavenkinderen te dopen, doch inderdaad om een verboden handel, zelfs van slaven te drijven.’ Hij is even verontwaardigd als De Graaff, maar hij is geen boetprediker, hij protesteert in naam van iets anders: van recht en menselijkheid, van vrijheid en gelijkheid. Hij is een typische Verlichtingsman.