Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2. Indische verzenmakersaant.

Als we bij De Graaff - alweer in zijn Oost-Indise spiegel - lezen wie er in de zeventiende eeuw allemaal naar Indië kwamen, dan blijken het soms belangrijke kooplieden of reders te zijn geweest ‘die door kwaad fortuin of door enig ongeval in armoed zijn vervallen’. Maar ook desperado's uit alle landen der wereld, ‘die er zo smerig en ellendig uitzien dat een mens zich moet erbarmen’. En daartussen: kleine kooplieden, winkeliers en handwerkers ‘die met een huis vol kinders zitten’; verder bankroetiers, verlopen studenten, kassiers, makelaars, deurwaarders en ‘diergelijke lichtmissen’ en tot slot allerlei schurken, straatschenners,

[p. 44]

hoerewaarden, dronken guiten, fielten, gauwdieven, vechters en nog een hele rij van dergelijke ‘deugnieten’. Vogels van zéér diverse pluimagedus, die volgens De Graaff, alleen dít met elkaar gemeen hadden, dat de Compagnie voor hen allen een ‘goede en bijzondere toevlucht’ was.

Hoe kan men van zulk een gemeenschap een letterkunde verwachten? En kan het ons nog verwonderen dat de Compagnie verschillende opmerkelijke en soms schilderachtige figuren heeft voortgebracht, maar geen enkel dichter van enige betekenis? Wel een opvallend lange rij verzenmakers. We moeten ons niet vergissen: verzen werden er genoeg gemaakt. De rederijkerij mag dan over haar hoogtepunt heen zijn geweest, de maatschappelijke traditie van het verzen ‘smeden’ blijkt in volle gang, om in de achttiende-eeuw in de dichtgenootschappen zelfs te herleven. Het bedrijven van poëzie was een teken van intellectueel niveau en elke bijzondere gelegenheid als een sterven of een afscheid, een geboorte of bruiloft werd te baat genomen om van versvaardigheid en dus van ontwikkeling te doen blijken.

De Haan vertelt in Priangan van een opper-koopman J. Keyts, ‘die het bestond een officieel door hem uit te brengen rapport met toepasselijke eigen gemaakte verzen te larderen’. Maar het meest opvallende was dat Keyts desondanks promotie maakte en zelfs Directeur van Perzië werd. De Haan vertelt er als bijzonder detail bij dat Keyts ook in Perzië stierf en bij gebrek aan iets anders in zijn harpkist werd begraven.

Tussen het proza van een reisverhaal vond De Haan in het Lands-archief te Batavia ook nog een berijmd rekwest waarmee een zekere Abraham Bogaert (de uitgever van de werken van de dichter Van Focquenbroch) in 1701 de gunst verwierf van een verzenminnend Bewindhebber en daarmee een goede hut aan boord van het schip dat hem naar het vaderland zou terugvoeren. Verder - en de bron is alweer De Haan - was er in de achttiende eeuw onder de Compagniesdienaren een rage voor het maken van fraaie grafschriften. Deze bezigheid wordt zelfs zinvol als we weten dat de mortaliteit onder de Europeanen in een stad als Batavia juist in de achttiende eeuw ontstellend was. In tien jaren was de hele Hoge Regering uitgestorven, deelt De Haan ergens mede.

Onder de dichters zijn gouverneurs-generaal geweest, predikanten en chirurgijns, maar ook lieden behorende tot de vierde en vijfde

[p. 45]

categorie van De Graaff: van respectievelijk de ‘lichtmissen’ en ‘deugenieten’. Daarom is de Compagniespoëzie zo'n allegaartje geworden. Er zijn overigens - soms ongewild - vermakelijke rijmpjes bij, zoals bijvoorbeeld die van Matthijs Cramer die aansluiten op De Graaffs kritiek op de samenleving.

 
Snorken, pochen ende blazen;
 
Daarvan hangt dit land aaneen.
 
De minste weters zijn hier bazen,
 
't Zijn al dansers op één been.
 
Kreupels die nauw zonder krukken
 
Konnen rechtgaan zo 't behoort,
 
Die verstaan de grootste stukken.

Du Perron heeft met De Haan als gids allerlei Compagniespoëten bijeengebracht en uit hun werk een keuze gedaan: lofdichten, bruilofts-rijmen, matrozenliederen, afscheidsliederen, zegezangen, dankzeggingen, rouwklachten enzovoorts. Het zijn er nog heel wat. Er zijn hoogdravende dichtvormen bij (het woord ‘hoogdravend’ heeft nog de gunstige betekenis van ‘verheven’) met allerlei ingewikkelde stijlfiguren en mythologische vergelijkingen, maar ook gewone volksliederen, waarin ‘op een deuntje’ iets verteld wordt. Ze werden vaak los uit de hand verkocht op straten en op bruggen. In deze rijmpjes worden dezelfde dingen beschreven als in de reisverhalen: storm en schipbreuk, moord en doodslag, verraad en tweedracht. De tekst van verschillende van zulke liedjes die op de Indië-vaarten betrekking hebben, vindt men ook in de bloemlezing van dr. D.F. Scheurleer Van varen en van vechten (1914). Ze sluiten aan bij het straatlied met dezelfde voorliefde voor het gruwelijke en bloederige. Zo is er van 1628 ‘Een droevich en jammerlijck liedeken van een deerelijke moorderij die bedreven is in Oost-Indien’ na de schipbreuk van het schip ‘Batavia’. Het is het verslag van zo'n uitbarsting van menselijke moordzucht, dat de dichter terecht kon zeggen: ‘Men zag niet vreemder maren in de kronieken staan.’

Andere zijn op een andere wijze amusant en vooral onthullend, zoals ‘Een Calis-Liedt’ van de ook door Du Perron genoemde F.C. Drieduym. Hier volgt een drietal coupletten:

[p. 46]
 
Oost-Indien houd ik lief en weerd;
 
Het wordt van menig man geprezen,
 
Want als het goed hier is verteerd,
 
Zo kan men daar nog Jonker wezen.
 
 
 
De trommel slaat, maakt u gereed;
 
Het is een reis voor weinig jaren,
 
Al wie met ‘De gekroonde Vreed’,
 
Na het Rijk van Jacatra wil varen.
 
 
 
Adieu, mijn wijf en kinderen al,
 
Ik ga om een goe buit te halen;
 
Als ik weer bij u koom, dan zal
 
Ik alle man met goud betalen.

Een enkel gedicht is méér dan amusant of curieus, zoals een matrozenlied van 1786 dat zelfs aan de liefdespoëzie van Breero doet denken:

 
Wat lijdt een zeeman al verdriet
 
Als hij vaart naar vreemde landen;
 
Maar op zijn reis en acht hij niet.
 
Als hij maar komt te Lande,
 
Dan is zijn reize metterspoed
 
Bij zijn allerliefste zoet;
 
Hij bracht haar mede veel geld en goed.
 
 
 
Ik had een meisje teer bemind,
 
Zeer vigilant van leden,
 
Met twee bruin oogies als een git;
 
Haar leden zijn wel besneden,
 
Niet te kort of niet te lang,
 
Vigilant is zij van gang.
 
Daar is geen schoonder in heel het land.

Maar dit vigilante meisje vindt tijdens zijn afwezigheid een andere minnaar. ‘Gij draait met alle winden,’ verwijt haar de zeeman. Aan het slot besluit hij weer naar Oost-Indiën te gaan:

[p. 47]
 
Nu wil ik dan voor afscheid
 
Mijn jonk hert gaan vertroosten
 
Al met een frisse roemer wijn;
 
Varen dan weer naar het Oosten.
 
Daar leef ik buiten zorg en pijn,
 
Adieu, gescheiden Lief van mijn,
 
Ik hoop God zal uw leidsman zijn.

Dit ballade-achtig lied ruilen we graag voor heel wat met litteraire pretentie geschreven gedichten zoals het vaak genoemde en zeer uitvoerige lofdicht op Batavia, begrepen in zes Boeken (1740) van Jan de Marre. Hij wordt zelfs representatief geacht in die zin dat men sprekende over Compagnies-poëzie in de eerste plaats aan hem denkt. Hij was overigens een navolger van Antonides van der Goes (wiens Ystroom zijn voorbeeld was) die op zijn beurt weer doorgaat voor een navolger van Vondel. Er zullen in het steeds maar voortstromende gedicht ongetwijfeld ‘fraaie’ regels staan, maar het geheel is voor ons onverteerbaar, ook door zijn lengte. De Marre schrijft in klinkklare jamben met gebruikmaking van allerlei retorische stijlfiguren. Als hij de Bataviase vismarkt beschrijft - beter bekend onder de naam ‘Pasar Ikan’ - dan heft hij aan met:

 
Wat's dit? Wat vreemd geluid! Wat wonderlijk geschater
 
Klinkt mij in 't oor en ruk mijn Zangeres naar 't water!
 
Wat toevloed? Welk gewoel? De vismarkt, langs het nat
 
Zo luchtig opgebouwd, lokt hier de ganse stad.

De Haan heeft gemakkelijk gelijk als hij ergens in een voetnoot (Priangan, deel ii, blz. 543) zegt dat de Compagnies-litteratuur ‘ene woestijn van dorheid’ is. Tenminste... als we uitsluitend met litteraire maatstaven willen werken, hetgeen volgens de gulden regels van de litteratuur zou moeten gebeuren. Gunnen we ons echter, evenals De Haan, de vrijheid deze dichterlijke en andere proeven óók als historische curiosa te zien, dan voelen we ons met de Compagnies-poëzie als in die provinciale musea of oudheidkamers in stadjes als Hoorn, Franeker, Edam, Zierikzee, Hindelopen of andere. Het zal dan van onszelf afhangen hóé we ons voelen: geïnteresseerd, nieuwsgierig,

[p. 48]

verwonderd, vertederd of misschien ook wel geërgerd. Maar aan een uitsluitend litterair of in het algemeen ‘estetisch’ oordeel komen wij niet toe. Eigenlijk verkeren we in dezelfde tweeslachtige positie van al degenen die verantwoordelijk zijn voor historische verzamelingen. Waar moet hier de keuze van de objecten liggen? Kan ze buiten het kwaliteitsoordeel? En overal ter wereld zal men kunstmatig scheidingen aanbrengen om te ontkomen aan het dilemma dat men misschien beter zou doen te aanvaarden. Maar als we over ‘litteratuur’ spreken, kunnen we een kwaliteitsoordeel niet uitsluiten, hoe weinig vast en hoezeer door de tijd bepaald onze normen van beoordeling ook zijn. Het moet uiteindelijk onze keuze bepalen. Doen we dit en laten we ons leiden door ‘algemeen geldende litteraire maatstaven’ (maar wat betekent zoiets?), dan valt een groot deel van de Compagnies-litteratuur daarbuiten. Doen we dit niet, dan worden we overschreeuwd door het gekweel en gekras van velerlei zangvogels die overigens te zamen een bont geheel vormen, een levend rariteitenkabinet. Men kan zich zelfs voorstellen dat dit voor sommigen bezienswaardiger is dan het Nederlands letterkundig Pantheon, waarin de gevestigde namen voor eeuwig een plaats hebben gekregen op siergevels en onder arcaden. Maar dan zijn wij nog niet aan het dilemma ontkomen. We zijn alleen arbitrair te werk gegaan. Wie uit nieuwsgierigheid of om andere redenen als bijvoorbeeld ‘zuiver menselijke’ of ‘zuiver historische’, meer te weten wil komen, meer namen, meer titels en meer teksten wil kennen, die kan verschillende werken en bloemlezingen raadplegen. Ze worden in de litteratuuropgave achterin vermeld.