Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 66]

II Doorbraak van nieuwe ideeën

1. Willem en Dirk van Hogendorp: vader en zoonaant.

Onno Zwier van Harens schoonzoon Willem van Hogendorp had een vrolijk studentenleven achter de rug toen hij met de al dan niet door haar vader belaagde Caroline in het huwelijk trad. Hij was een nogal onbezorgde jonge man met een niet onaardig vermogen. Daarom misschien moet het hem diep gegriefd hebben dat haar ouders niet erg ingenomen waren met zijn huwelijksaanzoek. Ze vonden hem te lichtzinnig, te oppervlakkig en vooral teveel een verwend kind, kortom het tegendeel van wat Onno voor zijn dochters gedacht had.

Uit dit huwelijk werden, terwijl de familie in het al jaren slepend schandaal verwikkeld was, achtereenvolgens twee zoons geboren: Dirk en Gijsbert Karel. Beiden hebben later geschiedenis gemaakt. De rol die Gijsbert Karel gespeeld heeft, is algemeen bekend, die van Dirk minder. Ze is van meer betekenis voor onze koloniale geschiedenis. Overigens heeft ook de vader iets met Indië en zelfs iets met de litteratuur te maken. Op zevenendertigjarige leeftijd ging hij - om zijn fortuin te herstellen - zonder zijn vrouw en kinderen naar Indië. Hij beschikte over de beste aanbevelingsbrieven: die van de Prins van Oranje, Willem v. Hij werd dan ook spoedig tot resident van Rembang benoemd, aan de N.O.-kust van Java, toen nog een soort diplomatieke functie, en twee jaar later tot administrateur van Compagnie's pakhuizen op het eiland Onrust, in de baai van Batavia. Het was een bijzonder lucratieve betrekking, omdat ze volop gelegenheid bood het monopolie van de Compagnie te ontduiken ten behoeve van de privé-handel. Willem hield er zelfs een eigen schip op na en wist zich op handige en brutale wijze persoonlijk te bevoordelen, hetgeen erop wijst dat hij een machtige positie innam. In 1784 meende hij zijn doel

[p. 67]

bereikt te hebben en besloot hij naar Nederland terug te keren. Een van zijn vijanden zei: ‘Zo er een rechtvaardig God in de hemel is, kan die man nimmer aan de Kaap komen.’ Zover bracht hij het ook niet. Zijn schip werd door de golven verzwolgen; volgens kwade tongen omdat het met de vergaarde schatten te zwaar geladen was. Maar dit beeld is eenzijdig, afkomstig van een van zijn tegenstanders uit de kring van de Gouverneur-Generaal Alting, zijn ‘grote vijand’. Willem was inderdaad, zoals trouwens gebruikelijk, nergens anders voor naar Indië gekomen dan om weer rijk te worden en hij heeft dit gedaan met alle hem ter beschikking staande middelen, zonder veel scrupules. Hij zou overigens vreemd opgekeken hebben als men hem er een verwijt van had gemaakt. Hij beschouwde zijn handelwijze als een vanzelfsprekend recht, of liever als een voorrecht van de klasse waartoe hij behoorde: die van de regenten, op grond van zijn hoge relaties. Hij was overigens geen money-maker in díé zin dat naast het najagen van fortuin niets anders voor hem bestond. Integendeel, hij heeft zich op sociaal en cultureel gebied sterk bewogen. Hij was een van de oprichters van het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, een van de belangrijkste wetenschappelijke instellingen in Zuid-Oost-Azië. Willem toont zich in al zijn maatschappelijke activiteiten een typische Verlichtingsman. Hij heeft in het bijzonder geijverd voor de pokkeninenting en voor een betere behandeling van de slaven. Daaraan heeft hij zijn litterair talent ondergeschikt gemaakt, voor zover hij dit bezat. In ieder geval maakte hij gebruik van een litteraire aankleding ter bereiking van zijn maatschappelijke doel ‘in het belang der mensheid’. Een op zichzelf typisch achttiende-eeuwse gedachtengang. In januari 1780 schreef hij aan zijn vrouw: ‘Ik zal van tijd tot tijd zedekunstige stukjes uitgeven...’ Hij had toen al een ‘leerzame novelle’ geschreven, in veertien dagen tijds, zegt hij zelf, getiteld Sophronisba, of - en op de ondertitel komt het aan - de gelukkige moeder door de inëntinge van haare dochters. In zijn voorbericht richtte hij zich direct tot de ‘Tedere moeders van Batavia!’ [...] ‘Neemt dan dit werkje aan met dezelfde genegenheid waarmede ik het u aanbiede; leest het zonder vooroordeel en denkt dat het welzijn van uwe kinderen mogelijk afhangt van het besluit dat gij na het lezen nemen zult.’ Het is het verhaal van een dierbaar en aan elkaar verknocht echtpaar Lysander en Sophronisba. Lysander is een groot voorstander van de

[p. 68]

inenting (die toen nog van mens op mens geschiedde); Sophronisba is als moeder bevreesd voor de gevolgen. In haar verzet wordt ze gesterkt door een oude dokter, vroeger huisarts van haar ouders, die zich uit louter dwarsheid en eigenzinnigheid tegen de vaccinatie verklaart. Dan besluit de brave Lysander alle verantwoordelijkheid op zich te nemen en hij laat zijn beide dochters onderwerpen aan de ‘operatie’. Het opkomen van de pokjes brengt hem in verrukking en zelfs tot het schrijven van een sonnet! Dag voor dag krijgen we een verslag van de verschijnselen, doorspekt met getallen, citaten en namen van propagandisten. Intussen breekt in de stad een pokkenepidemie uit die zowel volwassenen als kinderen ‘in het graf sleept’. De dochters van de wijze en verlichte Lysander genezen en zijn van dan af behoed voor het gevaar van de ‘allerboosaardigste ziekte’. De oude dokter echter verliest zijn vrouw en zoon; één van zijn dochters wordt lam, de andere blind. Hij krijgt spijt en wroeging van zijn halsstarrigheid en pleegt zelfmoord. En Sophronisba, de moeder? Welnu, zij ‘betuigde voor allen die het wilden horen, dat zij een gelukkige moeder door de inenting van hare dochters geworden was’. Men ziet het: de wijsheid (en niet het goede) wordt beloond, de bekrompenheid (en niet het kwaad) wordt gestraft. Ook dit is een typisch achttiende-eeuwse gedachtengang.

Willem van Hogendorp was blijkbaar zeer ingenomen met zijn leerzame novelle. Zijn vrouw in Holland bleek echter minder verrukt. Willem schrijft haar althans: ‘De toutes les personnes, qui m'ont écrit sur Sophronisbe vous êtes seul, qui semblez en être mécontente...’ Naar onze tegenwoordige smaak is het gelijk aan háár kant. Sophronisba is een gekunsteld verhaal waaruit de zelfingenomenheid van de schrijver ons tegemoetslaat. Dit werkje, in 1779 in Batavia gedrukt, schijnt overigens wel invloed gehad te hebben. Vele ouders lieten daarna hun kinderen inenten. Het overlijden van een meisje na de behandeling schokte echter de gemeenschap. Van Hogendorp hield toen voor de ingezetenen van Batavia een Redevoering der inentinge waarin hij op dit sterfgeval zinspeelt en daarna uitroept: ‘Strijd met een nieuwe moed. Ik durve U verzekeren dat de Palmtak der Overwinning U niet missen zal!’ Behalve enkele verzen schreef Willem van Hogendorp nog een tweede ‘leerzame novelle’, getiteld Kraspoekol; of de droevige gevolgen van eene te verregaande strengheid jegens de Slaaven, die in 1780 door dezelfde Bataviase drukker Dominicus werd uitgegeven. Het verhaal mist alles

[p. 69]

om het tot een redelijke novelle te maken, maar het zal Willem alleen om het leerzame en zedekunstige te doen zijn geweest. De rest was voor hem aankleding om beter ‘tot nut van het algemeen’ werkzaam te kunnen zijn. Zijn ‘schrijverschap’ moet hem een gevoel van zelfvoldaanheid hebben gegeven, waartoe hij overigens - dit blijkt uit alles - gemakkelijk geneigd was. Misschien moet men wel zijn hele optreden als schrijver van ‘zedekunstige stukjes’, of in het algemeen zijn sociaal optreden, zien als een rechtvaardiging van zijn aanwezigheid in Indië. Ook zijn eerzucht die hij naar achttiende-eeuws gebruik als een deugd zag, moet hierbij een rol hebben gespeeld. Met zijn novelle beoogde hij overigens niets revolutionairs. Zoals in de titel ook uitgedrukt wordt, wilde hij zich alleen richten tegen de excessen bij de behandeling van de slaven. Hij blijft binnen het in die tijd sociaal aanvaardbare. Was er aanleiding voor een pleidooi als Willem van Hogendorp hield? De vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Men leest overal - ook bij de tegenstanders ervan - dat de slavernij in Nederlands-Indië een mild karakter droeg. De toestand van de slaven - die uitsluitend voor diensten in huis gebruikt werden - was bijvoorbeeld veel beter dan die van de ‘vrije’ landbouwers die gebukt gingen onder verplichte leveringen en talrijke andere verplichtingen. Er is in de achttiende eeuw het grote voorbeeld van Cornelis Chasteleyn die in 1714 bij testamentaire beschikking zijn groot landgoed Depok (lees Dèpok), gelegen tussen het tegenwoordige Djakarta en Bogor, aan zijn christenslaven naliet. Ze vormden daar - in ieder geval tot vóór de Japanse inval in 1941 - een eigen christengemeenschap. Hiertegenover staan echter voorbeelden van willekeur en mishandeling. Nicolaus de Graaff vertelt erover in zijn Oost-Indise spiegel en natuurlijk ook Valentijn met zijn hang naar het gruwelijke. Een van zijn getuigenissen is dat de Gouverneur-Generaal Camphuis een Europese vrouw in het openbaar neus en oren liet afsnijden, omdat ze een slavin door mieren had laten opeten! Vermoedelijk was het schrijven van de novelle Kraspoekol, ook in 1780, maatschappelijk gezien, niet geheel zinloos en niet helemaal zonder nut.

In ieder geval hield Willem van Hogendorp zich nu na de inenting bezig met het verschijnsel slavernij dat in deze tijd - ook onder de directe invloed van Rousseau - aan de orde kwam, niet als een sociaal, maar als een zedelijk probleem, met als algemene tendens de ‘verzach-

[p. 70]

ting der zeden’. Zijn novelle is in de vorm van een ‘verhaal’, een soort zedelijk exempel. Hij is hierin een kind van zijn tijd en zijn beroep op menselijkheid wortelt ongetwijfeld in zijn zedelijk bewustzijn, maar het beginsel der slavernij tast hij niet aan.

Dat zal eerst, twintig jaar later, zijn zoon Dirk doen - óók op zedelijke gronden. De zoon zet het streven van zijn vader voort, kan men zeggen; hij toetst het maatschappelijk verschijnsel als zodanig aan zijn zedelijke beginselen en verwerpt dit. Daarmee komt hij tegenover zijn vader te staan, omdat hij de sociale achtergrond waaruit de slavernij voortkomt - in tegenstelling tot zijn vader - óók verwerpt. De situatie is enigszins paradoxaal. Dirk heeft de novelle van zijn vader voor het toneel bewerkt. Hij sluit er dus in zekere zin op aan; aan de andere kant wijkt hij er op essentiële punten van af en hierbij heeft hij niet zozeer de gebeurtenissen dan wel de tendens omgebogen. Wat Dirk van de novelle gemaakt heeft, is niet alleen typerend voor een evolutie in denkbeelden over een periode van twintig jaar, maar ook voor het verschil in denkbeelden tussen vader en zoon. Om dit duidelijk te maken is het nodig eerst na te gaan wat de vader gemaakt heeft en wat de zoon dáárvan gemaakt heeft.

Allereerst de intrige zoals wij die bij Willem vinden: twee slavinnen waarvan er één Tjampakka heet (een ‘tjampaka’ is een welriekende bloem) beklagen zich erover dat hun meesteres zo'n hard bewind voert. Dit gesprek wordt afgeluisterd door de Mandoresse (‘opzichtster’) die het onmiddellijk aan haar meesteres overbrieft. Deze, die Kraspoekol (‘Slahard’) heet, wacht haar kans af. Voor het breken van een bord wordt Tjampakka in de achtertuin aan een ladder gebonden om te worden gegeseld. Toevallig wordt dit door de heer des huizes Wedano ontdekt. Hij laat haar bevrijden en verbant Kraspoekol, zijn zuster, naar de bijgebouwen. Deze weigert de vernedering en verhuist naar een belendend perceel. Daar zint ze op wraak. Ze koopt een aantal slaven en slavinnen en laat deze geregeld martelen, bij voorkeur op een plaats waar Wedano het gekerm kan horen. Het ‘jammerlijk gekerm van de ongelukkigen’, zo staat het er, ‘begon hem zo te vervelen’, dat hij zijn zuster ermee dreigde haar te zullen aanklagen. Op een dag vraagt een van de slaven van Kraspoekol een hem toegewezen slavin bij zich te mogen nemen, maar Kraspoekol weigert. Als de slavin toevallig hetzelfde verzoek doet, ontsteekt ze in woede en laat deze

[p. 71]

‘een helder pak’ geven. De slaaf die zijn geliefde ziet martelen wreekt zich op Kraspoekol en haar Mandoresse. Met een kris steekt hij Kraspoekol in de boezem en de Mandoresse door het hart. Met het bebloede corpus delicti rent de slaaf naar Wedano om deze zijn daad en zijn schuld te bekennen. De edele Tjampakka begeeft zich onmiddellijk naar het huis ernaast waar ze de Mandoresse dood vindt en Kraspoekol stervende. Deze sterft zelfs in Tjampakka's armen als een boetvaardige zondares. De slaaf die de dubbele moord gepleegd heeft wordt voor het gerecht gesleept en geradbraakt. 's Avonds wordt Kraspoekol begraven en haar naam wordt, aldus de tekst, ‘toegevoegd aan de namen dier vrouwen die aan zichzelve te wijten hebben de droevige gevolgen van een te verregaande strengheid jegens slaven’.

Tot zover de novelle van Willem van Hogendorp. De toneelbewerking van zijn zoon Dirk bevat in de eerste plaats een voorrede (die bij de vader ontbreekt) waarin hij zich onomwonden uitspreekt tegen het beginsel der slavernij: ‘Mijn doelwit is de slavernij en nog meer de godtergende slavenhandel, zo afschuwelijk en hatelijk als mogelijk is te maken en daardoor [...] te bevorderen het oogmerk [...] om zo spoedig mogelijk de slavenhandel in onze bezittingen te doen verbieden en vervolgens [...] een eind aan de slavernij zelve te maken.’

Nog interessanter is op te merken welke veranderingen Dirk de tekst van zijn vader liet ondergaan. De toneelbewerking vereiste natuurlijk op zichzelf reeds wijzigingen, maar onafhankelijk van deze, heeft Dirk ook allerlei aan de tekst toegevoegd, zoals bijvoorbeeld de monoloog van Wedano na een gesprek met Tjampakka (dat ook al niet in de oorspronkelijke tekst staat) waarin zij haar treurig levenslot vertelt. Wedano die dan met zichzelf bezig is, roept uit: ‘Onnatuurlijke slavernij, verfoeilijke slavenhandel, wanneer zult ge van de aarde verbannen zijn?’ Opvallender is nog het inlassen van een geheel nieuwe scène: het optreden van een aantal bezoekers, allen hoge heren, waaronder een edelheer die de naam Champignon draagt. In de toneelaanwijzingen staat over hem: ‘Trotsheid, onkunde en verwaandheid stralen door al het doen en zeggen van deze man.’ In hun conversatie kritiseert Dirk de geest onder de Compagniesdienaren en vooral weer in hetgeen Champignon zegt, de scheepsjongen die tot de hoogste rangen is opgeklommen en die zich erop laat voorstaan dat hij op allerlei manieren de Compagnie bedrogen heeft en nu in het bezit is van enige miljoenen.

[p. 72]

‘Een geweten? ha! ha!’ roept hij uit, ‘ik moet lachen als ik hier in Oost-Indië van geweten hoor spreken,’ en zich rechtstreeks tot Wedano wendend: ‘Gij zijt toch ook hier gekomen om de pitten, nietwaar? ha! ha!’ Zoals ook zijn fortuin zoekende vader, denken wij erbij, die zo wonderwel zijn weg vond in deze corrupte wereld.

Nergens in Dirks veel later uitgegeven Mémoires, die in het Frans geschreven zijn, lezen we iets over een opvoering en toch is Kraspoekol in Den Haag eenmaal ten tonele gevoerd; dat wil zeggen, verder dan het eerste bedrijf is het nooit gekomen. De voorstelling werd door een aantal demonstranten geheel onmogelijk gemaakt. Dit wordt ons verteld door een Engelsman, een zekere Carleton, die toen als leraar Engels in Den Haag woonde en het volgende vertelt: ‘... six months after the publication of this play, with his name to it, he attempted to have it represented on the stage at The Hague, on the 20th March 1801; but the East India Gentry, not thinking it proper to exhibit the most illustrious actions of themselves and their noble ancestors upon a stage to vulgar European spectators, went to the play provided with little half-penny whistles and trumpets, and kept up such a tremendous whistling and trumpeting from the very moment the curtain began to be drawn up, that not a syllable of the play could be heard - and, if these Gentlemen could, they would also have extinguished the candles, to keep in darkness what themselves and their ancestors never intended for the light. In short, the play, after being thus interrupted the whole of the first act, was broken off before the second, when the manager was obliged to give up the entertainment.’ En zoals het blijkbaar altijd gegaan is en zal blijven gaan: ‘The next day the ignorant part of the audience was so curious to know the secrets which these East India Gentlemen had been thus industrious to conceal, that the bookseller (as he told me himself) sold infinitely more copies of the play that day, than all he had sold the whole of the preceding six months, and had he ten times more, they would not have answered the numerous demands.’

Men zou graag precies willen weten wie deze ordeverstoorders waren; nu weten we alleen dat ze behoorden tot de lichtschuwe ‘East Indian Gentry’. De voorstelling werd gestaakt vóór Champignon c.s. konden optreden. Hadden ze hiermee hun doel bereikt? Hadden de heren coûte que coûte voorkomen dat ze op het toneel bespottelijk en

[p. 73]

gehaat zouden zijn gemaakt, of was de tendens van het stuk, of de reputatie van Dirk al voldoende reden om een demonstratie op touw te zetten? Waarschijnlijk hebben voor hen alle drie overwegingen gegolden, want twee jaar tevoren - en eigenlijk moeten we de bewerking van Kraspoekol in dezelfde lijn zien - was Dirks geruchtmakend Berigt van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indien en den handel op dezelve verschenen, een betogend en tegelijk polemisch geschrift, waarin hij de situatie in Indië aan een scherpe, hier en daar zelfs zeer scherpe kritische beschouwing onderwierp en waarin hij vooral de gedragingen van de Commissarissen-generaal en de Regering aan de kaak stelde. Hij verweet ze rechtstreeks dat ze roekeloos waren omgegaan met de bronnen van welvaart, dat ze het bestuur schromelijk verwaarloosd hadden en dat ‘slechts eigenbelang en heerszucht de drijfveer aller handelingen waren’. De meest invloedrijke Commissaris-generaal was zijn doodsvijand S.C. Nederburgh die hij ongetwijfeld in de figuur van Champignon heeft willen treffen. Er bestond een onverzoenlijke controverse tussen beiden die een sterk persoonlijk karakter droeg. Dirk was bovendien een ‘radicaal’ die reeds vóór de omwenteling van 1795 ingrijpende veranderingen wenste, Nederburgh was de ‘kampioen van het behoud’, zoals de historicus Stapel hem noemt. In 1796 had Dirk, die toen Gezaghebber van Java's Oostkust was, een ‘Aanspraak aan het volk van Nederland’ geschreven en deze tegelijk met een brief van 2 juli aan zijn broer Gijsbert Karel gezonden. Op 21 januari 1797 stuurde hij nog een tweede ‘Aanspraak’. Een afschrift van deze ‘Aanspraak’ viel nog in hetzelfde jaar in handen van Nederburgh. Hij liet Dirk aanhouden en gevangen nemen onder meer op beschuldiging van emolumenten te hebben opgestreken. Dit was overigens niets anders dan wat alle andere ambtenaren deden. Nederburgh had intussen tegen Dirk materiaal laten verzamelen waaronder, naar men zegt, valse getuigenissen van Chinezen. Dirk wist te ontvluchten en via Benkoelen het vaderland te bereiken. Waarschijnlijk op zijn reis schreef hij zijn Berigt dat wij als een nieuwe versie van zijn ‘Aanspraak’ mogen zien, zonder echter de daar bijbehorende bewijsstukken overigens, want al zijn papieren had men hem afgenomen. Dirk beklaagt zich daar bitter over. Dit Berigt dat de grote instemming had van zijn invloedrijke broer Gijsbert Karel, verwekte sensatie. In hetzelfde jaar was reeds een tweede druk nodig. Daardoor was het

[p. 74]

voor de ‘East Indian Gentry’ een gevaarlijk geschrift geworden en Dirk een ‘suspect’ persoon, vooral toen hij een jaar later een toneelbewerking van zijn vaders Kraspoekol liet verschijnen. De gevolgen van het Berigt konden nog binnen zekere grenzen worden gehouden en beperkt blijven, het toneelstuk zou een groter publiek bereiken en dat was gegeven de hele sociale situatie in die tijd bijzonder onwenselijk. Bovendien had men in de achttiende eeuw de neiging de invloed van de litteraire inkleding te overschatten. Toen weer een jaar later een voorstelling werd aangekondigd, wist men slechts dat deze met alle middelen onmogelijk moest worden gemaakt. Het was voor de Oostindische Heren-regenten onduldbaar dat ze ten tonele gevoerd werden als een stel onbekwame, kruiperige, gewetenloze en lafhartige lieden. Ziehier de achtergrond van de ‘Haagse rel’ op 20 maart 1801.

Kraspoekol is Dirks enige escapade op het gebied van de bellettrie geweest, en we kunnen net zo min van hem als van zijn vader zeggen dat in hem een groot litterair talent verloren is gegaan. In onze vaderlandse geschiedenis echter, voorzover deze te maken heeft met de kolonie en de staatkunde, heeft hij een niet te onderschatten invloed gehad. Het is onbevredigend Dirk van Hogendorp uitsluitend als letterkundige te zien of uitsluitend als staatsman. Hij was beide en bovendien een paar dingen meer. Hij was al meteen een boeiende persoonlijkheid, die overigens in de geschiedenis in de schaduw van zijn broer heeft moeten staan. Gijsbert Karel heeft letterlijk een standbeeld gekregen, Dirk moet het doen met een groot geschilderd staatsieportret. Du Perron heeft tijdens zijn verblijf in Indonesië (van 1936 tot augustus 1939) zich vrij intensief met de Van Hogendorps bezig gehouden blijkens verschillende artikelen, maar het was vooral Dirk die hem intrigeerde. Hij was van plan een roman over Dirk te schrijven in de trant van zijn boek Schandaal in Holland, maar beperkte zich in Indië tot de lectuur van hetgeen te verkrijgen was en tot het maken van aantekeningen. Toen hij in Holland terug was, ging hij naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en zocht alle stukken bijeen die daar met betrekking tot Dirk bewaard waren, waaronder de briefwisseling tussen hem en Gijsbert Karel die hoofdzakelijk in het Frans gevoerd werd. Deze bleek zeer belangrijk voor de kennis van de verhouding tussen de beide broers. Gijsbert Karel is de geslaagde figuur geweest: intelligent, evenwichtig en zeker niet ongevoelig, maar in

[p. 75]

zijn denken veel meer geconformeerd aan de omstandigheden dan zijn radicaler en spontaner broer die zelf toegeeft dat hij de mensen teveel naar zichzelf beoordeelde (‘J'ai trop souvent, durant ma vie, jugé des autres par moi-même’, Mémoires, blz. 137). Dirk blijkt ook in déze zin in de schaduw van zijn broer te hebben geleefd - het beschikbare materiaal geeft allerlei aanwijzingen - dat hij jarenlang en misschien wel zijn hele leven tegen de werkelijke of vermeende superioriteit van zijn jongere broer heeft moeten ‘opboksen’. Hieruit is misschien zijn voortdurende behoefte te verklaren een rol te spelen, zich te laten gelden. Paul van 't Veer heeft hierop gewezen in zijn artikel over Dirk van Hogendorp in de bundel Geen blad voor de mond (1958). Du Perrons roman over Dirk, waaraan hij nog werkte toen de dood hem op 14 mei overviel (twee fragmenten zijn na zijn dood in Groot-Nederland, 1940 gepubliceerd, in het oktober- en november-nummer), zou als titel krijgen: Zich doen gelden.

Er valt over Dirk nog veel te zeggen, maar dit zou allemaal ver buiten de litteratuur komen te liggen. We mogen hier volstaan met te zeggen dat hij, al is zijn loopbaan niet zo geslaagd als die van zijn broer, als figuur niet de mindere is en als mens zeker boeiender. Bovendien moeten wij niet de fout maken zijn invloed uitsluitend te beoordelen naar het directe succes. Op de koloniale geschiedenis heeft Dirk zijn stempel gedrukt door zijn scherpe kritiek op de geest van de Compagnie (‘het rijk van geweld en dwingelandij’) en door zijn denkbeelden over de toekomst van de kolonie, waarvan pas veel later een deel werd verwezenlijkt. Hijzelf heeft de veranderingen in het koloniaal bewind niet meer beleefd. Eenmaal nog, in 1805, leek hij een kans te hebben toen de Bataafse Republiek onder de een-hoofdige leiding kwam van de raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, een voorstander van de nieuwe richting in de koloniale politiek. Dirk verwachtte als gouverneur-generaal naar Java gestuurd te zullen worden, maar de regering besliste anders. Een tweetal hoge ambtenaren kreeg de opdracht het nieuwe reglement in te voeren. Het reisde over Amerika, omdat de Engelsen de Kaap hadden bezet, maar verder dan New York kwam het niet. Daar werden beiden teruggeroepen. Na hun vertrek was de Republiek vervangen door het Koninkrijk Holland. Meer dan aan reglementen bleek Napoleon behoefte te hebben aan een ‘sterke man’. Hij zond Daendels naar Indië. Dit betekende voor Dirk het einde van

[p. 76]

zijn Indische aspiraties. Hij zou de gelegenheid niet meer krijgen zijn denkbeelden te verwerkelijken. Hij bekleedde daarna in Europa nog wel allerlei belangrijke diplomatieke functies en was zelfs enige tijd generaal van Napoleon. Maar de staatkundige wisselingen zetten hem ten slotte buiten spoor. Hij eindigde zijn leven als een vrijwillige balling in Brazilië, eenzaam wonend aan de voet van een berg, op een kleine plantage van koffie en sinaasappelen die hij Novo-Sion had genoemd naar het landgoed Sion nabij Delft, waar hij een deel van zijn kinderjaren had doorgebracht. Een reiziger trof hem daar aan. In de eenvoudige woning hing zijn levensgroot portret in generaalsuniform als een herinnering aan zijn vroegere glorie.