Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 98]

III Van Hoëvell en Junghuhn

1. Wolter Robert baron van Hoëvellaant.

In 1830 werd Du Bus de Gisignies op zijn beurt vervangen door Van den Bosch, ditmaal geen ambtenaar, maar een man met visie, die in overleg en in samenwerking met J.C. Baud, van een geheel andere agrarische conceptie uitging: het cultuurstelsel. Dit stelsel van gedwongen cultures heeft toen het eenmaal op gang was gekomen, nuttig gewerkt voor de agrarische ontwikkeling en het is zelfs, althans aanvankelijk, van direct belang geweest voor de bevolking zelf, die in verschillende gebieden tot meer welvaart kwam. Maar het belang van het verarmde moederland prevaleerde en werd weer de spil waar alles om draaide. Hoe men ook over het cultuurstelsel wil oordelen - we kunnen zelfs zeggen dat er van een herwaardering sprake is - de klok werd teruggedraaid en Indië werd met straffe hand vanuit Nederland bestuurd als een wingewest. Hoeveel waardering men kan hebben voor de kundigheden van Van den Bosch en Baud - ze waren ongetwijfeld mannen van formaat - de politiek die de regering volgde, was die van het ‘batig saldo’ ten behoeve van het moederland. In deze politiek past de geringe aandacht voor zaken als onderwijs, kunsten en wetenschappen. Vooropgesteld moet worden dat aan onderwijs voor de bevolking niets werd uitgegeven. In de bronnenpublicatie van dr. S.L. van der Wal, Het onderwijsbeleid in Nederlands-Indië (1963), staat op blz. 119/120 te lezen dat in 1835 de resident van Banjoemas ƒ30,- per maand aanvroeg voor het inlands onderwijs. Na anderhalf jaar wachten kreeg hij een antwoord dat een weigering inhield. Maar ook voor het onderwijs aan Europeanen werd zo weinig uitgetrokken, dat de samenleving in haar mogelijkheden tot ontwikkeling en beschaving belemmerd werd.

[p. 99]

Toen een jong predikant, de later zo bekend geworden dr. W.R. baron van Hoëvell (1812-1879) in 1837 in Batavia kwam, trof hem direct de ‘dorheid en geesteloosheid’ van de samenleving. Hij was een neef van Van der Capellen: de moeder van Van Hoëvell was een baronesse Van der Capellen; zij was de dochter van de bekende patriot Robert Jasper van der Capellen, wiens broer Alexander Philip de vader van de gouverneur-generaal was. Ze waren allen nazaten van de Verlichting, ook de jonge Van Hoëvell. Hij zocht de oorzaak van het ontbreken van een intellectueel en geestelijk leven in Indië bij het onderwijs. Dit was niet alleen bijzonder slecht, maar ook beslist onvoldoende; lager onderwijs welteverstaan, want van middelbaar onderwijs was geen sprake. Het aantal scholen was gering en op verschillende, zelfs vrij grote plaatsen, was er helemaal geen onderwijsmogelijkheid. Honderden Indo-Europese kinderen groeiden dan ook op zonder enig onderwijs. Het Maleis was voor hen de voertaal en het Nederlands bezigden ze alleen tegenover de ‘echte’ Europeanen, op een wijze die de conversatie van de Europese dames en heren van de nodige anecdoten voorzag. Van de verwaarlozing van het onderwijs werden allereerst de ‘blijvers’ de dupe, de duizenden Indo-Europeanen die verreweg het grootste deel van de Europese samenleving vormden, de ‘liplappen’, zoals ze smalend genoemd werden. Hun werd elke kans om ‘hogerop’ te komen onthouden. Maar ook de meer ‘gegoede standen’ ondervonden de bezwaren. Ze waren verplicht, ten koste van vaak grote financiële offers, hun kinderen op zeer jeugdige leeftijd naar Europa te zenden met alle nadelen daaraan verbonden: het uiteenvallen van het gezinsverband, de vervreemding enzovoorts. Kortom, de onderwijspolitiek van de regering schiep een sociale situatie die nadelig werkte op de hele samenleving en waarin complicaties, spanningen en drama's onvermijdelijk waren. Er ontstond zowel onder de Europeanen als Indo-Europeanen een broeiende ontevredenheid die zich echter niet uiten kon. In 1839 vaardigde de Minister van Koloniën J.C. Baud een circulaire uit waarin de benoembaarheid tot verschillende ambten afhankelijk gesteld werd van een opvoeding in Europa. Deze maatregel trof in de eerste plaats de Indo-Europese groep. Ze was discriminerend, al was het alleen maar om de toelichting die deed voorkomen alsof alleen import-Europeanen mannen konden leveren ‘in wier handel en wandel onophoudelijk de begeerte doorstraalt, om door edel, recht-

[p. 100]

vaardig en kies gedrag de Inlanders een hoog denkbeeld te geven van zijn overheersers.’ En als men zich dan herinnert wat Olivier, Roorda van Eysinga en anderen tien jaar tevoren over deze zelfde Europeanen hadden geschreven, dan kan men zich op z'n zachtst uitgedrukt, alleen maar over deze formulering verbazen. De Onderwijscommissie te Batavia protesteerde, maar de Minister vervolgde zijn weg. Van Hoëvell schreef: ‘De handelingen en maatregelen van die staatsman kwamen niet voort uit een luim of een tijdelijke gezindheid; ze waren het uitvloeisel van een vast en onbeweegbaar stelsel dat met een ijzeren wil onveranderlijk werd ten uitvoer gelegd.’ Het reeds eerder gedane verzoek van de Onderwijscommissie om een inrichting van middelbaar onderwijs werd eenvoudig omgezet in een besluit dat tegengesteld was aan de overwegingen van de commissie. Baud antwoordde dat er plannen waren om tot een betere opleiding van Indische ambtenaren in Nederland te komen en zo kwam in 1842 de bekende Academie te Delft tot stand. Aan de opleiding werd het radicaal verbonden, dat wil zeggen de benoembaarheid tot de hogere betrekkingen. Zelfs voor ambtenaar derde klasse moest men enige jaren in Delft geweest zijn. Voor de Indo-Europeanen die voor het grootste deel tot de ‘geringere standen’ behoorden en hun kinderen niet naar Holland konden zenden, betekende dit een sociaal vonnis. De maatregelen van Baud vormden - dat was duidelijk - een onderdeel van een uitsluitingspolitiek die tegen de ‘bastaarden van Europeesen’ was gericht, een door Baud gebruikte aanduiding voor de Indo-Europese groep.

Van Hoëvell was te Batavia ‘predikant der Maleise gemeente’ en deze gemeente bestond voor het grootste deel uit Indo-Europeanen. Hij kende ze en hij kende hun grieven die overigens ook door tal van Europeanen en hoge ambtenaren gedeeld werden. Zij van hun kant moeten veel van hem verwacht hebben, ook voor hun sociale positie. Van Hoëvell vond ook niet dat hij zich aan zijn verplichting tegenover hen mocht onttrekken, maar hij kon vooreerst niets doen. De gelegenheid kwam pas in 1848. Het revolutiejaar bracht voor Nederland weliswaar geen revolutie, maar toch wel de val van het kabinet en voorstellen tot herziening van de grondwet. Op 14 mei 1848 bracht de landmail (de snelste verbinding in die tijd) het bericht te Batavia dat ‘een algemene vreugde verspreidde’: het aftreden van Baud. Een aantal hogere ambtenaren waaronder Van Hoëvell nam het initiatief in ver-

[p. 101]

band met de komende grondwetsherziening de Indische wensen naar voren te brengen: in de eerste plaats de verbetering van het onderwijs en de ‘afschaffing van de bepalingen omtrent de uitsluiting van in Indië geboren en opgevoede personen van het radicaal van ambtenaar.’ Op 22 mei 1848 werd in de sociëteit De Harmonie een openbare vergadering gehouden die zeer druk bezocht werd, ook door talrijke Indo-Europeanen. Van Hoëvell werd bij acclamatie tot voorzitter gekozen. Er werd besloten een adres aan de Koning te richten met het verzoek de meest aanstoot gevende maatregelen in te trekken. Het was een alleszins redelijk verzoek dat in zeer gematigde en zelfs eerbiedige bewoordingen geformuleerd was. Daarna sloot Van Hoëvell de vergadering en verliet het gebouw. Velen ging het adres niet ver genoeg en na het vertrek van Van Hoëvell werden nog twee petities aangenomen. De vergadering moet toen een tamelijk rumoerig verloop hebben gehad al waren om negen uur de zalen van De Harmonie reeds verlaten en was het ook elders rustig. De gezagsinstanties waren hevig ontsteld en verstoord door deze plotselinge uitbarsting van de publieke mening die in de geschiedenis voortleeft als de ‘Mei-beweging van 1848’. Er moesten nu schuldigen worden gevonden. Toen Van Hoëvell in de daaropvolgende maand juni op dienstreis in Bantam was, kwam hem ter ore dat de resident van Batavia door bedreigingen, strikvragen enzovoorts verklaringen had trachten te verkrijgen, waaruit zou moeten blijken dat er mensen waren geweest die de ingezetenen van Batavia hadden opgeruid. Van Hoëvell moest één van hen zijn. De regering droeg haar verantwoordelijkheid over op het kerkbestuur, waarvan de voorzitter Lid van de Raad van Indië was die als zodanig weer deel uitmaakte van de regering. Zonder eenmaal gehoord te zijn werd Van Hoëvell op 4 juli uit zijn ambt ontzet. Hij had echter een waterdicht alibi. Zijn ontslag werd daarna omgezet in een ontevredenheidsbetuiging. Van Hoëvell nam daarop vrijwillig ontslag en vertrok naar Nederland. Zijn positie zou trouwens onhoudbaar zijn geweest. Men had hem als ‘suspect’ gebrandmerkt en dat betekende in de kleine, sterk hiërarchisch ambtelijke samenleving dat men hem uit de weg ging en schuwde.

Deze uiteenzetting van gebeurtenissen waar Van Hoëvell bij betrokken is geweest, staat niet los van zijn werk, ze vormt er de noodzakelijke achtergrond van. Behalve dat hij er in brochurevorm zelf

[p. 102]

over geschreven heeft, deed hij het ook in een van zijn novellen, getiteld ‘De suspecten’, geschreven in 1858 en opgenomen in de bundel Uit het Indische leven (1860). Het is een van zijn beste novellen die haar actualiteit voor later behouden heeft. Men herkent onmiddellijk het patroon van elke autoritair geregeerde gemeenschap. Van Hoëvell begint dan ook in zijn op persoonlijke ervaringen berustende verhaal - er zit zelfs een directe toespeling in op de ‘Mei-beweging van 1848’ - een verband te leggen met een ander autoritair stelsel, dat van de Jacobijnen, die andersdenkenden vervolgden door een systeem van intimidatie en sociale isolatie toe te passen. Bij een wet van 1793 werden de ‘suspecten’ aangeduid als ‘zij die omgang hebben met ci-devant edellieden, priesters, contra-revolutionairen, aristocraten en gematigden of die hun enige belangstelling betonen’. Welnu, zegt Van Hoëvell, als ge in plaats van ci-devant edellieden enz. eenvoudig liberalen en constitutionelen stelt, dan is de overeenkomst treffend. Er was noch in Indië, noch in Nederland veel toe nodig om tot de ‘suspecten’ te worden gerekend, en dan vertelt hij de ervaringen van een man die lang gezwegen heeft, maar die ten slotte zijn geweten niet langer bezwaren wil en een boek schrijft, dat alleen door de waarheid aan de dag te brengen, ‘dodelijk is voor het oude koloniale stelsel’. Vanaf dat ogenblik is het uit met de sympathie, het respect en de eerbied waarmee men hem tevoren bejegend heeft. Hij wordt gemeden en genegeerd en men maakt hem het leven zuur, alleen uit angst tot de ‘suspecten’ gerekend te worden, tot de lieden die ‘omgang hebben met de koloniale liberalen, met tegenstanders van de Minister van Koloniën, met opposanten of die hun enige belangstelling betonen’. Het is de praktijk van de wet op de suspecten van 1793 overgebracht op de koloniale verhoudingen van 1848.

Het vervolg der gebeurtenissen die een schril licht werpen op sommige aspecten van de Indische samenleving, kan in minder woorden worden verteld. Toen Van Hoëvell drie maanden in Holland was, ontving hij een brief die een afschrift bevatte van de geheime correspondentie tussen het gouvernement en het kerkbestuur. De afzender bleef om begrijpelijke redenen anoniem. Van Hoëvell zond nu de Minister van Koloniën een verslag van het gebeurde met afschriften van alle stukken waarover hij beschikte. Het waren er veertig! Daarop volgde de rehabilitatie door de Koning. Intussen was hij met Thor-

[p. 103]

becke in contact gekomen die een Indische specialist nodig had en via een der kiesdistricten werd hij benoemd tot lid van de volksvertegenwoordiging. Twaalf jaar lang is hij Kamerlid geweest en heeft hij op de bres gestaan voor de belangen van de Javaan. Hij was niet in de eerste plaats de politicus en zelfs niet in de eerste plaats de liberaal, zoals men wel eens gezegd heeft, hij was vóór alles de ethicus. Hij zei het ook zelf in 1848 na een elfjarig verblijf in Indië: ‘Al mijn werkzaamheden en nasporingen [...] hadden meer de morele dan de stoffelijke belangen van deze landen op het oog [...] maar beiden zijn zo nauw met elkander verbonden en het stelsel waarnaar geregeerd wordt, heeft zulk een krachtige [...] invloed, dat het zelfs in staat is om in dat opzicht alle vooruitgang te stuiten en alle leven te doden. Wie een kwaal wil genezen, moet in de eerste plaats haar oorzaken wegnemen, en daarom ben ik onwillekeurig gebracht tot het bestuderen der politische aangelegenheden, voorzover de zucht tot geheimhouding der regering zulk een studie mogelijk maakte.’ Als Kamerlid heeft hij de liberale koloniale politiek in zijn richting omgebogen en het is zijn werk geweest dat de liberale partij bij de bestrijding van het cultuurstelsel zo sterk van een ethisch standpunt is uitgegaan, al leidde dit in de praktijk weleens tot farizeïsme. Van Hoëvell heeft veel tegenwerking ondervonden van allerlei belangengroepen binnen en buiten zijn partij, maar hij heeft toch zijn persoonlijk stempel weten te drukken op het Indische beleid. Hijzelf schreef in 1862 bij zijn aftreden als Kamerlid, dat hij zijn taak in de Kamer volbracht achtte, omdat de door hem verlangde hervorming tot een regeringsbeginsel was verheven. Naar Van Hoëvell werd in de volksvertegenwoordiging geluisterd, ook door zijn tegenstanders. Zijn betoog was altijd helder en aangepast bij de geringe kennis van Indië bij de Kamerleden. Als hij over het cultuurstelsel wilde spreken, moest hij hun eerst vertellen wat het cultuurstelsel inhield. Velen wisten dat niet eens (mededeling van G.H. van Soest in een artikel ter herdenking van Van Hoëvell). Door soms gewoon de Kamer te beleren en te betuttelen, leerde hij haar problemen begrijpen waar ze eigenlijk buiten stond. Door zijn welsprekendheid en door de overtuiging waarmee hij sprak, maakte hij indruk. Wie nu, ruim honderd jaar later, zijn vier delen Parlementaire redevoeringen (verschenen in 1862 tot 1866) doorbladert, vindt geen aanknopingspunten meer bij de politieke situatie van nu, maar hij wordt telkens verrast en soms zelfs geïmponeerd

[p. 104]

door Van Hoëvells betoogtrant. Zijn redevoeringen zijn van de grond af opgebouwd en recht op het doel gericht. Ze zijn bovendien geschreven in een gestyleerd, maar levend Nederlands, voortdurend aangepast aan de spreektaal. Zijn voordracht over het cultuurstelsel op 8 december 1851 - die men weleens zijn geloofsbelijdenis genoemd heeft - is een voorbeeld van logische opbouw, helderheid en voortreffelijk woordgebruik. Juist daarom werkt het zo overtuigend. De bestudering van de tekst van enige Parlementaire redevoeringen van Van Hoëvell zou de moeite lonen. Er zal uit blijken hoe consequent zijn politieke denkbeelden uit zijn ethische beginselen voortkomen, hoe weinig leerstellig liberaal hij is en ook hoe hij met een onfeilbare intuïtie voor de gevoelens en werkelijke beweegredenen van zijn tegenstanders, hen eerst tegemoetkomt om zich daarna in duidelijke bewoordingen tegenover hen te plaatsen in een positief en helder betoog. Bij dit tekst-onderzoek zal men ook zijn woordgebruik moeten betrekken: hoe ondanks een welbewust gekozen understatement (bereikt door stylering, door het afdempen van gevoelswoorden, door het gebruik van toegevende bijzinnen en positieve hoofdzinnen enzovoorts) zijn emotionaliteit toch aan de oppervlakte komt, op plaatsen en in momenten waar ze ook een functie heeft, met andere woorden de overtuigingskracht versterkt.

Met uitzondering van misschien ‘De suspecten’ blijkt dat de betekenis van hem als schrijver, evenmin als die van zijn voorgangers, in het litteraire genre schuilt, maar in het betoog. En wat zijn zijn verhalen die hij in de bundel Het Indische leven bijeenbracht, anders dan betogen in verhaalvorm? Sommige kunnen we beschouwen als een soort begeleiding van zijn andere geschriften in litteraire aankleding, andere zijn overwegend beschrijvend, maar de sociale kritiek of de moraal zal nooit ontbreken. Zijn beschouwing over ‘De pedati’ (een primitief inlands vervoermiddel met twee massief ronde schijven als wielen) loopt uit in een kritiek op de wispelturigheid van de talrijke in Indië verblijvende ‘overwijze dames en heren’. Neen, dan de Javaan! Die is zo niet: reeds vijf eeuwen gebruikt hij de pedati. Het verhaal van ‘De Japansche steenhouwer’ dat Multatuli in 1842 in het Tijdschrift voor Neêrland's Indië moet hebben gelezen, richt zich tegen de Indische zucht naar een leven in rijkdom, met de voor de hand liggende moraal: ‘Weest dus maar tevreden met hetgeen gij zijt.’ De beschrijving van

[p. 105]

‘Eene slaven-vendutie’ sluit aan bij zijn brochure De emancipatie der slaven in Neerlands-Indië (1848) en bij zijn redevoeringen in de Kamer (in de zitting bijvoorbeeld van 23 december 1851). Ze geeft Van Hoëvell de gelegenheid zijn betoog te illustreren met de beschrijving van taferelen die hij een van zijn figuren ‘onzedelijk’ en ‘afzichtelijk’ laat noemen. ‘Het voorregt eener Europeesche opvoeding’ kunnen wij niet losmaken van zijn pleidooi voor een beter onderwijs. Het richt zich tegen de noodzaak voor vele ouders hun kinderen op jeugdige leeftijd naar Holland te sturen, waardoor in Indië geen echt familieleven kan bestaan. De andere verhalen gaan over andere wantoestanden, zoals de hoogmoed der hoge ambtenaren, de knevelarij der hoofden, de verpachting der vogelnesten, de onevenredig zware herendiensten en nog enige meer.

Van Hoëvell stond te dicht bij de vorige generatie om niet in de litteratuur een doel voorop te stellen dat buiten de litteratuur zelf ligt. De keuze van de litteraire vorm werd, óók voor hem, bepaald door het nuttigheidseffect ervan: het bereiken van een groter publiek. De informatie over Indische toestanden staat bij hem uitdrukkelijk voorop, temeer waar hij vond, zoals hij het eens in de Kamer formuleerde, dat de onbekendheid in Nederland met de koloniën, ‘de meest te vrezen vijand’ was voor het doordringen van de vrijzinnige beginselen.

De eerste helft van de negentiende eeuw was meer dan de latere decennia de tijd van reizen, onderzoeken en ontdekken, een erfenis die ze uit de achttiende eeuw had meegekregen. De feiten kennen, de feiten zoveel mogelijk kennen, de waarheid kennen, dan volgde het begrip en de overeenstemming vanzelf - het is het optimisme van de vooruitgang dat ook Van Hoëvell kenmerkt. Hij was predikant te Batavia en hoewel hij veel las, hoorde en bestudeerde, moet hij het toch als een gemis hebben gevoeld dat hij niet zelf gezien, niet zelf opgemerkt en niet zelf ondervonden had. In 1847 - ongeveer een jaar voor zijn vertrek naar Nederland - maakte hij een Reis over Java, Madura en Bali. Het sprak vanzelf dat hij hierover schreef. Hij begon er in Indië mee, terwijl zijn moeilijkheden met de Indische regering in een kritiek stadium kwamen. Dit verklaart de scherpe toon van het eerste deel. Hij zond de kopij naar Nederland en vroeg de bekende Indië-kenner prof. P.J. Veth, de uitgave te verzorgen - om begrijpelijke

[p. 106]

redenen. Toen het eerste deel in druk uitkwam, was Van Hoëvell al in Nederland, waar hij zijn reisverhaal vervolgde. Het zou eerst in twee, daarna in drie delen verschijnen. Het zijn er twee gebleven (1849 en 1851); het verslag over de reis naar Bali begon in 1854 te verschijnen, maar is nooit voltooid. Het is waar wat Paul van 't Veer in zijn opstel over Van Hoëvell zegt: dat dit reisboek een van de beste reisverhalen uit het oude Indië is. Het is leesbaarder dan zijn novellen. Het is ook veel méér dan een reisjournaal, niet alleen een ‘beschrijving van landen en volkeren’. Het is een doorlopend verhaal van iemand die niet alleen verschijnselen en toestanden noteert, maar ze ook in een bepaald verband ziet en die zich vooral door geen angst of prestigedwang laat weerhouden zo nodig onaangename dingen te zeggen. Hij polemiseert herhaaldelijk tegen personen of gevestigde meningen. Dit maakt zijn boek, en vooral het eerste deel, zo levend. Hij kan in zijn verontwaardiging bijzonder scherp zijn. Als men tegenover hem spreekt over de morele invloed die van de Europeaan uitgaat, antwoordt hij: ‘Zal ik het u zeggen? Uw morele invloed [...] bestaat in uwe bajonetten en kanonnen.’ Een dergelijke en misschien nog scherpere toon kan men vinden in een vlugschrift Eene epidemie op Java (1849) dat hij schreef onder de indruk van hetgeen hij op dezelfde reis gezien had van een cholera-epidemie. Het is geschreven onder het pseudoniem Jeronymus dat hij overigens reeds eerder had gebruikt voor enkele van zijn verhalen. Deze ervaring en zijn reactie daarop zou hij nooit in zijn eigen Tijdschrift voor Neêerland's Indië hebben kunnen plaatsen. De regering zag al jaren nauwlettend toe op wat erin verscheen en er waren al verschillende moeilijkheden geweest. Prof. Veth die in De Gids van 1848, deel ii, blz. 72, een artikel schreef over ‘De openbaarheid in koloniale aangelegenheden’, vertelt dat bijna elke aflevering aanleiding gaf tot wrijving tussen Van Hoëvell en de Algemene Secretaris van de regering die blijkbaar met het toezicht belast was. Het Tijdschrift moet door Van Hoëvell bijna direct na zijn aankomst in Indië, in begin 1837, voorbereid zijn. Het eerste nummer verscheen reeds in april 1838. Het ontwikkelde zich langzamerhand tot een veelgelezen periodiek dat zich behalve met hoofdzakelijk wetenschap, cultuur en ‘mengelwerk’, ook met politiek ging bezighouden. Het werd het tijdschrift van allen, die wat de informatie betreft, niet afhankelijk wilden zijn van wat de regering hun meende te mogen ver-

[p. 107]

strekken. Na de ‘Mei-beweging van 1848’ werd de uitgave gestaakt, maar Van Hoëvell zette haar in Nederland voort. In Nederland, en vooral door de veranderde politieke verhoudingen na 1848, voelde hij zich vrijer en dit kwam zijn tijdschrift ten goede. Voor de kennis van de Indische geschiedenis uit die jaren vormt het een onontbeerlijke bron. Tegelijk met de beëindiging van zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer in 1862, legde hij het redacteurschap neer. Het tijdschrift werd echter voortgezet en heeft tot eind 1902 bestaan. Prof. Veth die met Van Hoëvell tot het laatste toe nog in correspondentie bleef, vertelt dat van de vitale, opgewekte en van energie bruisende Van Hoëvell op het laatst niet veel meer was overgebleven: ‘Rampen op rampen, slagen op slagen, smarten op smarten hadden hem in de laatste jaren vervolgd.’ In 1873 na de dood van zijn schoonzoon in Indië, schreef hij aan Veth: ‘De tijd is een krachtige heelmeester, maar dit kom ik nooit te boven. Ik voel dat er iets in mij gebroken is.’ Drie jaar later stierven zijn twee oudste zoons, ook in Indië. De dood moet hij als een verlosser hebben beschouwd, zegt Veth nog. Overeenkomstig zijn wens werd hij op 12 februari 1879 in alle eenvoud begraven. ‘Van Hoëvell was één der beminnelijkste mensen die ik gekend heb.’ Het zijn de woorden van een andere vriend.