Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 119]

IV Tot aangename ontspanning en nuttig onderhoud

1. Tijdschriften, jaarboekjesaant.

In de eerste decennia van de negentiende eeuw liep alle publiciteit langs de officiële kanalen. Daarvan was het voornaamste wel de Javasche Courant (vóór 1829 de Bataviasche Courant geheten), waarin een rubriek mengelwerk te vinden was. We komen er vrij veel uit te weten over het sociaal-litteraire leven uit die tijd. Dit blijkt altijd verbonden te zijn geweest aan officiële feestelijkheden en plechtigheden, zoals bijvoorbeeld die ter gelegenheid van het bezoek van één van de Oranjetelgen in 1837. In de Javasche Courant van 14 februari 1837 treffen we een verslag aan van de ‘galarepresentatie in de schouwburg te Weltevreden.’ De Prins werd welkom geheten door een zekere mr. van Teutem met een door hemzelf vervaardigd gedicht, waarvan het eerste couplet alsvolgt luidt:

 
Welkom, welkom in deez' oorden,
 
Welkom, Prins, aan Java's strand,
 
Dat door zoveel teedre banden
 
Blijft gehecht aan 't Vaderland.
 
Heil U, dat Gij Neêrlands zonen
 
In dit oord zelfs niet vergeet,
 
Dat voor 't eerst een telg van Nassau
 
Op zijn bodem welkom heet!

Daarna werd door ‘liefhebbers’ een toneelspel opgevoerd, getiteld ‘Graaf Lodewijk van Nassau, of de overwinning bij Heiligerlee’, vervaardigd door een Bataviaas ingezetene, de heer P. Vreede Bik. Het verslag beijvert zich niemand te vergeten en alles te prijzen. De heren

[p. 120]

acteurs hebben ‘rechtmatige aanspraken op bestendige erkentelijkheid, evenals de talentvolle liefhebbers, leden van het orkest, die ook thans weder geen moeite gespaard hebben om de voorstelling alle luister bij te zetten, waartoe ook de prachtige decoratiën, de fraaie kostuums en de goede verlichting van het gebouw veel toebrachten.’ Verslagen in dit soort proza treffen we meer dan eens aan. In ieder geval krijgen we een indruk van het soort en het peil van de litteraire bedrijvigheid te Batavia anno 1837.

Naast deze ‘staatscourant’, waaraan dit verslag ontleend is en die op de Landsdrukkerij gedrukt werd, bestond er nauwelijks iets anders. Alles wat buiten het officiële viel, werd aan een voortdurend toezicht onderworpen, zelfs advertentieblaadjes. Dit werkte belemmerend op de publiciteit. In verschillende kringen, ook in hoge ambtelijke kringen, waren er genoeg die meer openbaarheid wensten en meer vrijheid, die de behoefte gevoelden tot publicatie buiten de officiële sfeer. Zonder mensen als de Gouverneur-Generaal De Eerens (‘een verlicht man’ noemt Van Hoëvell hem), de Algemeen Secretaris J.P. Cornets de Groot en de directeur van de Landsdrukkerij J.J. Brest van Kempen (de vader van de resident ‘Slijmering’ uit de Max Havelaar) zou de oprichting van het Tijdschrift voor Neêrland's Indië in 1838 onmogelijk zijn geweest. Maar het autoritaire systeem en de traditie werkten vaak sterker dan de wil der individuen. Andere mensen op dezelfde plaatsen konden een volslagen ommekeer bewerkstelligen. De moeilijkheden met de instandhouding en de voortzetting van het Tijdschrift voor Neêrland's Indië zijn daar een voorbeeld van. Het Tijdschrift was een unicum. Dat er onder de Europeanen ook wat anders leefde dan het standpunt van officiële monopolisering, bewijst het relatief groot aantal intekenaren en abonnees (er was één Indonesische abonnee: de Sultan van Sumenep, op het eiland Madura). Het Tijdschrift voorzag, zoals de uitdrukking luidt, in een behoefte. Zo groot bleek deze zelfs te zijn dat vier jaar later, in 1842, nog een ander tijdschrift werd opgericht, De Kopiïst, dat niet geheel en al, maar toch wel voor een deel een kopie was van het Tijdschrift. De oprichter en redacteur was E. de Waal, de later door zijn Agrarische Wet van 1870 zo bekend geworden Minister van Koloniën die toen nog als jong commies werkte op de Algemene Secretarie. Ook hij kreeg een ‘ruime intekening’. De Kopiïst verschilde vooral hierdoor van het Tijdschrift dat hij zich in de aller-

[p. 121]

eerste plaats op het buitenland oriënteerde door vertalingen uit Europese periodieken en werken en door een bewerkt overzicht van het actuele nieuws buiten Indië. De oorspronkelijke bijdragen uit Indië kwamen in de tweede plaats. Het accent lag dus bij beide tijdschriften elders. Ze bleven een aantal jaren naast elkaar bestaan tot De Kopiïst van karakter en van naam veranderde. Het bleek namelijk dat de uit buitenlandse periodieken overgenomen stukken en overzichten ‘slechts in geringe mate het welgevallen des publieks verwierven’, maar dat de Indische bijdragen zeer op prijs werden gesteld. De Kopiist werd in 1844 herdoopt in Indisch Magazijn en werd van toen af veel meer een kopie van het Tijdschrift. Een jaar later liet hij het terrein aan het toch altijd strijdbaarder en beter Tijdschrift over. Toch is het merkwaardig dat bij een zo gering potentieel aan lezers, twee tijdschriften enige jaren naast elkaar hebben kunnen bestaan. Er moet bijna zoiets als een leeshonger hebben bestaan die we achteraf ook gemakkelijk kunnen begrijpen als we ons de situatie maar indenken. Het lezen moet voor velen niet alleen het Indische ‘plantenleven’ hebben gevuld, het moet ook een tegenwicht hebben gevormd voor de arme Indische conversatie met steeds weer dezelfde mensen over steeds weer dezelfde kleine onderwerpen. En als we het ook merkwaardig vinden dat de Indische bijdragen en het Indische nieuws veel meer de belangstelling hadden dan het Europese, dan is dit evenmin verwonderlijk en alweer te ‘verklaren’ uit een bepaalde situatie. Europa lag heel ver weg (de reis duurde drie à vier maanden) en naarmate men jaren in Indië was, kwam het verder dan ooit te liggen. De ‘oudgasten’ met een Indische loopbaan van vaak meer dan tien achtereenvolgende jaren (en nog langer), hadden heel andere belangen gekregen. Velen van hen waren met Indische vrouwen getrouwd of leefden in concubinaat met een ‘vrouw des lands’. In ieder geval hadden ze Indische gezinnen gevormd en zich gewend aan een specifiek Indische leefwijze. Ze voelden zich in het kleine Holland niet meer thuis, ze stonden er eenvoudig buiten. Indië was hun land geworden; alleen voor Indië interesseerden ze zich nog. Periodieken als het Tijdschrift en het Indisch Magazijn hebben met hun talrijke bijdragen over bodemgesteldheid en landbouw, over volk en cultuur, over geschiedenis en taalkunde het gevoel van verbondenheid met het land sterk gestimuleerd. Ze hebben inderdaad in een behoefte voorzien, maar toch niet helemáál. Want naast de

[p. 122]

behoefte aan informatie, aan kennis, was er minstens een even grote, zo niet grotere behoefte aan ‘verpozing’. Men zocht voortdurend naar amusement, naar afleiding en ontspanning, ook in de lectuur. En daarin voorzagen de beide periodieken niet of te weinig. Zowel het Tijdschrift als het Indisch Magazijn (niet De Kopiïst) hadden een rubriek ‘mengelwerk’, maar veel was deze niet; ja, eigenlijk bitter weinig.

In 1840 werd door een particuliere drukkerij (die ook eerst De Kopiïst had gedrukt) de eerste Indische letterkundige almanak uitgegeven, bescheiden van formaat en inhoud, doch ambitieus van naam. Het jaarboekje heette Lakschmi naar de Hindu-godin der bevalligheid, maar ook der vruchtbaarheid. Het haalde drie jaargangen. Daar bleef het bij. De redactie was anoniem. Dat was ook bij verschillende in Nederland verschijnende almanakken het geval, maar misschien ook achtte de redactie het in het kleine Europese wereldje van lezers onnodig namen te noemen. Ook die van de redacteuren van het Tijdschrift stonden niet op het titelblad of op het omslag. Overigens werd deze anonimiteit na één jaar opgeheven door een mededeling van de redactie van ... het Tijdschrift, waarin deze bij monde van ds. S.A. Buddingh in lange zinnen met veel lussen en krullen onthult dat Lakschmi en het Tijdschrift nagenoeg dezelfde redactie hebben! Lakschmi fungeerde dus drie jaar lang als een soort bellettristisch aanhangsel van het Tijdschrift.

Omstreeks dezelfde tijd weet een jonge ‘chirurgijn derde klasse’ F. Munnich, in het Tijdschrift van 1843 een stuk geplaatst te krijgen over de ‘beoefening der poëzy in Nederlandsch Indië.’ Daarin stelt hij zich voor als een ‘baar’ (dat is een nieuweling in Indië), zij het een ‘baar’ met letterkundige relaties die zich een vriend van Beets mag noemen. Deze heeft hem een brief geschreven waarin staat: ‘het zou van zeer veel belang voor onze zangberg zijn, indien wij een dichter hadden die een tint van het Indische Oosten in zijn gezangen wist te brengen.’ Op deze zin haakt Munnich in. Hij heeft in de korte tijd dat hij in Indië is, geconstateerd dat men ‘weinig hulde aan de poëzy ziet toebrengen.’ Hij wil als ‘baar’ de oorzaak niet vaststellen, maar hij vindt Indië geen prozaïsch land en hij kán niet begrijpen hoe ‘een gemoed dat zich eenmaal met ware en warme gehechtheid der poëzy aansloot, nu zo koud en zo ongeroerd en zo doodstil blijven kán, waar alles tot gevoel, tot verbeelding, tot herinnering, tot mijmering, tot verering

[p. 123]

des Allerhoogsten opwekt.’ Munnich heeft zich kennelijk voorgenomen naar de eisen des tijds een vurig pleidooi te houden en hoopt nu maar dat zijn ‘vrij woord uit vrije borst’ de potentiële dichters in Indië zal kunnen bezielen. Het stuk is door zijn woordkeuze reeds onthullend: het is een typisch romantisch pleidooi. Van een onbeholpen soort overigens; vol cliché's, gezwollen van toon en ongrijpbaar in zijn argumentatie. De ongrijpbaarheid verhinderde de redacteur van het regeringsorgaan De Javasche Courant, de toen zevenentwintig jarige S. van Deventer JSzn, overigens niet Munnich te antwoorden. Wat Van Deventer gegriefd moet hebben, was dat Munnich alles en iedereen over het hoofd had gezien, ook Lakschmi waarvan Van Deventer zelf een ijverig en dichterlijk medewerker was geweest. Hij vindt dat Munnich overdrijft. Er zijn in Indië genoeg lieden die hulde aan de poëzie brengen, zegt hij, al komen zij misschien niet tot dichten. Aan de andere kant onderschat Munnich een aantal belemmerende factoren dat uit de Indische leefwijze voortkomt. Maar wat hij Munnich vooral verwijt is dat deze te lichtvaardig oordeelt en er zich geen duidelijke voorstelling van gemaakt heeft wat de ‘Indische dichtkunde’ moet zijn. Om een ‘tint van het Indische Oosten’ te verkrijgen is nog wel wat méér nodig dan een voor de poëzie ontvankelijk gemoed: een diep doordringen in Indië, in land en volk, in de geschiedenis en de taal en hij wijst op de bronnen die de Indonesische poëzie voor de inspiratie leveren kan. We zien hieruit duidelijk de invloed van Van Hoëvell, wiens protégé hij was en bij wie hij tweeëneenhalf jaar in huis had gewoond. Dit hoffelijk kruisen van de degens over een zo ‘onnuttig’ onderwerp als de poëzie, is op zichzelf reeds een symptoom. Er komt duidelijk een kentering in de waardering van het utiliteitsprincipe in de letterkunde. De bellettrie, het litteraire genre, krijgt met het binnendringen van de romantiek meer betekenis en wat hierbij opvalt is weer: het centraal stellen van Indië, het zoeken naar mogelijkheden voor een specifiek Indisch-Nederlandse letterkunde. Typerend in deze tijd - in de jaren veertig en vijftig - zijn ook de titels van de tijdschriften, jaarboekjes en almanakken. Naast het neutrale De Kopiïst staan het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, het Indisch Magazijn, het Indisch Archief en zelfs Oosterse namen als Lakschmi, Warnasarie (veelkleurige bloemen) of Biäng-Lala (regenboog).

Als er sprake zal zijn van een Indisch-Nederlandse letterkunde, dan

[p. 124]

moet deze méér dan een afspiegeling zijn van de Nederlandse, dan moet ze een eigen signatuur krijgen, eenvoudig omdat ‘een Europeaan waar hij ook geboren moge zijn, in Indië een geheel ander wezen is dan in het land waar hij het eerste levenslicht aanschouwde en ofschoon een vreemdeling in het land zijner keuze, vereenzelvigt hij zich daar zodanig met alles wat hem omringt, dat hij wel niet meer als een Europeaan beschouwd kan worden’ (W.L. Ritter in een boekje van 1856, De Europeaan in Nederlandsch-Indië, blz. 6). Het ‘eigen karakter’ zal vanaf de negentiende eeuw het kernprobleem worden van de Indisch-Nederlandse letterkunde en het zal het blijven. Ook al wordt het niet altijd expliciet gesteld, het duikt toch telkens op en blijft tot het laatste toe meespelen.

Het aanvallige Lakschmi had een kort bestaan gehad, niet omdat er onvoldoende kopij binnenkwam, maar omdat het debiet te gering was en de drukkosten te hoog waren. Deze mededeling is afkomstig van een blijkbaar ingewijde, de reeds eerder genoemde heer S. van Deventer JSzn, die in een voetnoot zelfs een kostenberekening geeft. Zoiets was niet aanmoedigend en voorlopig moesten de ‘liefhebberen’ van de litteratuur, zoals ze zich noemden, het een aantal jaren met de rubriek ‘Mengelwerk’ van het Tijdschrift doen, behalve dan met de lectuurvoorziening uit Europa. Toch heeft men de gedachte aan een eigen letterkundig tijdschrift blijkbaar niet losgelaten en vijf jaar later, in 1848, komt zowaar een nieuw jaarboekje uit dat Warnasarie gaat heten. Het werd evenals het Tijdschrift gedrukt op de persen van het Bataviaasch Genootschap. Dit wijst reeds op een relatie. Wat aan de oprichting aan langdurige besprekingen, aan correspondentie en aan strubbelingen voorafgegaan moet zijn, kan een ieder raden die zich de Indische toestanden van die tijd indenkt. Toen alle bijdragen eind 1847 binnen waren en men op het punt stond de kopij af te drukken, ontving de redactie de mededeling dat er niets mocht worden gepubliceerd zonder toestemming van de Gouverneur-Generaal. Kwam het omdat de ‘suspecte’ Van Hoëvell één van de redacteuren was? De beide andere waren Van Deventer en Munnich. De laatste was blijkbaar in de kring opgenomen. Alleen zijn naam staat op het titelblad en niet die van de twee andere redacteuren. Heeft hij als de meest neutrale persoon de verantwoordelijkheid moeten dragen? Hoe het ook zij, er was weer wat. Weliswaar geen tijdschrift, maar toch wel een jaar-

[p. 125]

boekje dat reeds vanaf de eerste jaargang meer dan de dubbele omvang van Lakschmi had.

Warnasarie heeft elf jaar bestaan en dat zou kunnen wijzen op enig letterkundig leven, maar in werkelijkheid bleef dit beperkt tot een zeer kleine kring. Het jaarboekje heeft voortdurend met redactionele en financiële moeilijkheden te kampen gehad. In de redactie waren, vooral in de eerste jaren, allerlei mutaties. Het langst heeft L.J.A. Tollens het volgehouden: van 1852 tot 1858. Hij was een zoon van de bekende vaderlandse dichter H. Tollens, de maker van het ‘Wien Neêrlands bloed...’. Mr. L.J.A. Tollens was omstreeks 1845 als advocaat naar Indië gekomen. Over zijn jeugdverzen had Beets weleens op vriendelijk neerbuigende toon aan de vader geschreven. Hij was een aantal jaren in Indië toen hij de gelegenheid kreeg de redactie van Warnasarie over te nemen. Dat was in 1852. Toen hij dit deed, beklaagde hij zich reeds in zijn inleiding over het ondankbare en ontmoedigende werk van een redacteur. Hij zinspeelde ook op de door de regering in de weg gelegde moeilijkheden. Dat hij toch ingegaan is op het ‘vererend verlangen’ van de uitgever Lange & Co. was alleen maar ‘om het nog jeugdige jaarboekje van een algehele ondergang te redden’, en daaraan heeft hij zijn ‘geringe krachten’ wel willen wagen, zegt hij, al is hijzelf niet tevreden over het eerste resultaat. Zeven jaar lang heeft Tollens al mopperend Warnasarie in leven weten te houden en men zou bijna zeggen tegen elke prijs. Op het laatst was van een eigen karakter weinig meer overgebleven; de laatste jaren hadden niets dan een allegaartje van Hollandse en Indische bijdragen opgeleverd. In het laatstverschenen jaarboekje (van 1858) is Tollens bitter gestemd. Hij spreekt van een land ‘waar stof en cijfers de schering en de inslag van de maatschappij uitmaken,’ van een ‘toenemende onverschilligheid’ van het lezend publiek en van een ‘beklagenswaardige lusteloosheid’ van de kant der medewerkers. Men voelt al dat het mis zal gaan. En het gaat ook mis. Warnasarie verschijnt niet meer. Maar wonder boven wonder ... wél een andere almanak ‘voor de jaren 1859 en 1860’, de Nederlandsch-Indische Muzen-almanak, samengesteld door ... mr. L.J.A. Tollens. Hij moet een onverwoestbare optimist zijn geweest. Met deze ene Muzen-almanak was het ook werkelijk afgelopen. Daarna heeft Indië nooit meer een litterair jaarboekje gekend.

Als we één ding moeten bewonderen in Tollens, maar niet minder in

[p. 126]

de uitgever, dan is het zijn uithoudingsvermogen. En eigenlijk verdienen ook de abonnees onze bewondering: om hun trouw en toegeeflijkheid, want het peil was langzamerhand zo laag gezakt dat de belangstelling die misschien nog bij enkelen sluimerde, wel gedood moest worden. We moeten overigens wel bedenken dat ook de kwaliteit van de almanakken en jaarboekjes in Nederland zó slecht was, dat ze Huet deed schrijven: ‘Almanak-voddebak’.