Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2. Tollens en Ritteraant.

1852 was een belangrijk jaar voor Tollens. Hij nam toen niet alleen Warnasarie over, maar begon ook aan de samenwerking met W.L. Ritter die jaren geduurd heeft. Op twee gebieden: op die van het dagbladwezen en de bellettrie. In 1852 verscheen voor het eerst de Java-Bode - het later zo bekend geworden dagblad dat toen tweemaal per week uitkwam - en het tweemaandelijks tijdschrift Biäng-Lala. Beide periodieken werden geredigeerd door hetzelfde tweetal: Ritter en Tollens. Meer dan ze bezaten konden ze niet geven, maar ze gaven alles wat ze aan talent en energie te vergeven hadden. Hun grote ambitie en liefde voor de ‘schone letteren’ staan vast, hun gehechtheid aan Indië eveneens, al hadden ze veel klachten en grieven. Vooral Tollens had veel te klagen, omdat hij wilde leven in een wereld waarin hij dezelfde rol kon spelen als zijn vader in Nederland en moest leven in een wereld zonder klankbodem. Een vloed van rijmen stroomde overigens uit zijn pen, bij allerlei gelegenheden. Hij schreef een gedicht over zijn ‘Heimwee’ toen hij pas in Indië was, later een klaagzang bij de ziekte van zijn verloofde, een elegie bij haar dood en nog een aantal coupletten ‘bij het weerzien der woning mijner geliefde.’ Hij bezong ook zijn langdurige oogziekte (zijn portret toont hem met dikke brilleglazen) en zijn podagra:

 
Laat mij spoedig weer genezen
 
God der Liefde, heb genâ!
 
En behoedt Gij mij in dezen
 
Voor het folt'rend podagra.
[p. 127]

Hij trad dus wel in de voetstappen van zijn vader door bij verjaardagen, geboorte, ziekte en dood zijn gevoelens op rijm te zetten, maar diens beroemdheid heeft hij nooit verkregen. Multatuli en Huet vonden de oude Tollens al een rijmelaar, voor de zoon hadden ze geen goed woord over.

Wilhelm Leonard Ritter (1799-1862) die één van de meest produktieve schrijvers was - een ‘polygraaf’, noemt Du Perron hem - was ruim twintig jaar ouder dan Tollens en had toen hij deze in 1844 of '45 te Batavia leerde kennen, al een jarenlange, nogal wisselvallige ambtelijke loopbaan achter de rug.

Hij was nauwelijks achttien toen hij als chirurgijn derde klasse naar Indië ging. In één van zijn verhalen ‘De paardendiefstal’, stelt Ritter zichzelf als ‘jonge doctor’ voor: ‘Kort en dik van gestalte, met een gelaat blozend van gezondheid, doch waarop men met geen microscoop zelfs één enkel haartje kon ontdekken [maar] sterk van gestel. Zo had hij de aanleg van ook al een oud-Indischgast te worden, hetgeen de tijd vrijwel bewaarheid heeft.’ Ritter bleef namelijk vijfenveertig jaar achter elkaar in Indië en het spreekt vanzelf dat hij in die jaren hetzelfde proces doormaakte dat hij eens beschreven heeft in zijn kleine boekje De Europeaan in Nederlandsch-Indië. Ook hij had ‘de oudere mens afgelegd om de nieuwe aan te nemen.’ Met andere woorden, het proces van acculturatie had zich ook aan hem voltrokken: hij was van ‘totok’ tot ‘Indischman’ geworden. Na een paar jaar chirurgijn te zijn geweest, ging hij naar de civiele dienst over met de rang van assistent-resident. In 1835 werd hij echter ontslagen. In hetzelfde jaar kwam hij weer in dienst, maar werd toen van West-Borneo overgeplaatst naar de Westkust van Sumatra. In 1837 werd hij weer - en nu definitief - uit 's Lands dienst verwijderd. Waarom weten wij niet. Het is niet onmogelijk dat hij daarna naar Batavia is gegaan, waarschijnlijk net op tijd om de oprichting van het Tijdschrift mee te maken. In een ‘Voorrede’ bij één van zijn verhalenbundels van juli 1861 schreef hij: ‘Ongeveer een kwart eeuw geleden ontstond er eensklaps in Indië een letterkundige beweging, voornamelijk ten doel hebbende die schone bezitting van Nederland beter te doen kennen dan wel tot dat tijdstip had plaats gegrepen. Het wetenschappelijk veld van Indië werd beploegd en de vruchten zagen weldra het daglicht. [...] Afgaande op mijn toen reeds veeljarige ondervinding, waagde ik het ook mij in

[p. 128]

de rij dier schrijvers te plaatsen en koos meer bepaald tot doel de vermeerdering der kennis van de zeden en gewoonten der bewoners van de Indische archipel. Ik schetste die in taferelen, geheel op waarheid gegrond, uit de oude geschiedenis of overleveringen geput of door mijzelf gekend en ondervonden en wikkelde die, om ze aangenamer te doen lezen, in een romantisch kleed [...].’ Dit uitgangspunt lijkt niet veel anders dan dat van bijvoorbeeld Nagel of Van Hogendorp. In leeftijd scheelt hij ook niet veel met hen. Hij heeft de tijd van Van der Capellen nog gekend en ook hij was een groot bewonderaar van deze landvoogd. Jaren later verdedigde hij nog diens beleid in de Java-Bode van 11 augustus 1858. Ook Ritter zegt het doel van de letterkunde te zien in de vermeerdering van kennis en ook voor hem is de inkleding een middel om dit doel buiten de litteratuur te bereiken. Toch is er ook een verschil: de wijze van inkleding is anders, ze is meer aangepast en ze wordt door Ritter ook voortdurend méér aangepast bij de behoeften van de veldwinnende romantiek. Vooral in de latere verhalen ligt de nadruk soms zo sterk op de inkleding, dat doel en middel in elkaars plaats treden. In dit opzicht is er zelfs sprake van een ontwikkeling. In 1840 of iets later schreef Ritter - als zovele anderen in die tijd - een beschouwing over de slavernij. Het is een kalm, rustig betoog met dezelfde strekking als de beschouwingen van Van Hoëvell of S. van Deventer JSzn: de slaven hebben het in Indië over het algemeen goed, maar uiteindelijk is de slavernij toch niet anders dan een misbruik van het recht van de sterkste. Maar als Ritter tien of twaalf jaar later, in 1852, in Biäng-Lala hetzelfde onderwerp nog eens aan de orde stelt, doet hij dit voluit op de wijze der romantiek; dat wil zeggen, hij schrijft een roerend verhaal over ‘De arme Rosetta’, een schone, jeugdige slavin die - zoals Ritter het uitdrukt - ‘menig liefhebber doet watertanden.’ Ze wordt door haar meesteresse, een indolente en wrede halfbloed, verschrikkelijk mishandeld uit jaloezie. Daar doorheen vlecht hij een liefdesgeschiedenis die overeenkomstig de verwachting met moord en doodslag eindigt. Om het romantische verhaal is het Ritter klaarblijkelijk te doen. Na een korte aanloop waarin nog iets over de slavernij gezegd wordt, gaat hij zo spoedig mogelijk op het verhaal over. Hij situeert dit in het verleden, omdat hij in zijn eigen tijd geen aanknopingspunten kan vinden voor het genre van dolk en geween waarop hij zich langzamerhand heeft toegelegd. De titels van

[p. 129]

zijn latere verhalen zijn op zichzelf welsprekend genoeg: ‘Het amokh’, ‘Gods vergelding’, ‘De dubbele moord’, ‘Het dodendal’ (eindigt met het hoofdstuk ‘De zelfmoord’), ‘Wanhoop en moed’ en andere; kortom teveel om op te noemen.

Ritter noch Tollens bezaten een groot litterair talent, maar beiden hebben een bedrijvigheid ontketend die enige jaren lang de illusie wist te wekken van een bloeiend litterair leven, zoals er in die jaren ook een opgewekt muziekleven is geweest. Als redacteuren van de Java-Bode zijn Tollens en Ritter opgetreden als ware ‘beschermers der kunst’. Het reeds eerder genoemde gedenkboek van de Java-Bode vertelt hierover in de volgende cliché-taal: ‘Inzonderheid de kunst in al haar uitingen vond steeds gastvrijheid in de kolommen van het nieuwe blad [...] Er kon geen dienaar of dienares der Muzen Indonesië bezoeken, of de Java-Bode verleende hem of haar zijn volle steun. En de kunst zoals die locaal werd beoefend, kon eveneens op de meest welwillende bescherming rekenen van het tweetal dat in de Bataviase samenleving tot de prominente figuren behoorde en zeer gezien was. Het was de tijd dat de Maatschappij van Toonkunst bloeide en de Liedertafel Aurora vele leden telde, de tijd van de Franse opera die zich jaarlijks liet zien en horen en waarover de op kunstgebied almachtige Isidore van Kinsbergen, die in het artistieke leven van die dagen zulk een vooraanstaande plaats innam, de scepter zwaaide. Batavia was een kunstcentrum zoals er maar weinig waren ten oosten van Suez. En de Java-Bode liet zich niet onbetuigd in het prijzen van de talenten der vele beoefenaren van de schone kunsten.’ Hoe was het mogelijk vraagt men zich af dat een samenleving als de Bataviase met slechts enkele duizenden Europeanen zich jaren achtereen de luxe kon veroorloven van twee muziekverenigingen en twee litteraire periodieken? Dank zij in de eerste plaats mensen als Ritter en Tollens, Isidore van Kinsbergen (een voortreffelijk fotograaf, toneeldecorateur, costumier en een middelmatig zanger) of de Franse operadirecteur Robert; dank zij de talrijke dames en heren die muziek- en schilderlessen gaven, dank zij ook de ‘beschaafde opvoeding’ in de kloosterscholen van de Zusters Ursulinen. Activiteit volop, inderdaad, en toch kunnen we ons niet onttrekken aan de indruk dat de kunstbeoefening in de eerste plaats een vorm van sociaal verkeer was. Zo mocht de kritiek wél de beroepsspelers treffen, maar niet de dames- en heren-dilettanten. Dit

[p. 130]

werd onbetamelijk geacht. Evenals de muziekbeoefening in handen van dilettanten was, zo waren ook de litteratoren gelegenheidsschrijvers en -dichters: ambtenaren, dominees en officieren die in hun ‘snipperuren’ litteratuur bedreven zoals anderen muziek beoefenden of schilderden. Litteratuur was niet in de eerste plaats een behoefte des geestes, maar een vorm van ‘aangename uitspanning en nuttig onderhoud’. En een tijdschrift als Biäng-Lala wordt op het titelblad onbewimpeld aangeduid als een ‘Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud.’