Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. ‘Een tint van het Indische Oosten’aant.

Wie zorgden behalve Ritter en Tollens nog meer voor ‘aangename uitspanning en nuttig onderhoud’? In de eerste plaats een aantal schrijvende predikanten; behalve Van Hoëvell (geb. 1812), ds. S.A. Buddingh (geb. 1811) en ds. J.F.G. Brumund (geb. 1814). Vooral Brumund schrijft - minder sociaal geëmotioneerd en minder levendig - in zijn beste ogenblikken zeker niet minder dan Van Hoëvell en beter dan Ritter, en juist als Van Hoëvell schrijft hij het beste als hij niet aan ‘aangename uitspanning’ of ‘nuttig onderhoud’ behoeft te denken en eenvoudig zonder al teveel bijbedoelingen een herinnering optekent, bijvoorbeeld aan zijn verblijf in het Gouverneurshuis ‘Batoe Gadjah’ (letterlijk olifantssteen) te Amboina, of als hij gewoon vertelt over een bezoek aan de Javaanse vorstengraven te Imogiri of aan de vervallen dalem (vorstenverblijf) van de Javaanse vrijheidsheld Diponegoro. Ofschoon hij als christen Diponegoro's vroomheid met een zekere reserve beschouwt, blijkt hij zeer onder de indruk te zijn van diens persoonlijkheid. Brumund ziet hem niet - en zeker niet in de eerste plaats - als de grote vijand der Nederlanders in de Java - oorlog (1825-1830), maar als een held die temidden van genot en overvloed had kunnen leven, maar verkoos ‘de heetste strijd te strijden, alles te ontberen, alles te verdragen om ten einde toe vol te houden.’ Deze stukken staan met andere van zijn beste opstellen en verhalen in de bundel Indiana (deel i, 1853; deel ii, 1854). Hij toont hierin een kennis van land en volk, van de Javaanse cultuur en het maatschappelijke leven die zonder meer imponerend is als we bedenken hoe weinig toen nog

[p. 131]

maar bekend was en hoe Brumund zijn kennis bijna uit het niets heeft moeten vergaren. In Indiana staat ook het nogal bekend geworden verhaal over ‘Garsia, de ronggèng’ (danseres, hetaere) dat verre uitsteekt boven de ‘vele stukjes’ - aldus een tijdgenoot - ‘waarmede wij in onze dagen [± 1850] als overstroomd worden.’ De geschiedenis, gekruid met alle gebruikelijke ingrediënten van moord en doodslag, berust niettemin op authentieke gegevens. Hoe drakerig de intrige ook aandoet, het verhaal geeft ‘een trouw beeld van het leven der Javanen en van de geestelijke en maatschappelijke ellende waarin zij verkeren.’ Brumund kan het niet helpen dat hier de werkelijkheid de verbeelding overtreft. Daarnaast schreef hij evenals Buddingh de voor die tijd blijkbaar onontbeerlijke reisverhalen. Beiden - ambtgenoten die met elkaar verschilden over de wenselijkheid en mogelijkheid het christendom op Java in te voeren - beschreven de overland-reis van Batavia over Egypte (zoals Junghuhn dat ook gedaan had); Buddingh zelfs tweemaal, in 1852 en 1857. Hij was ook nog dichter en zelfs een dichter die bewust in zijn gedichten een ‘Indische tint’ aanbracht door het gebruik van Indonesische woorden zoals in het uit drieëndertig kwatrijnen bestaande ‘Mijn bloemen’ in Warnasarie 1850:

 
Hier de ruikende kemoenie!
 
Daar tjemara met haar' tros!
 
Tjakra-tjikri en seroenie!
 
Ginds weer welig groenend mos!
 
 
 
Dáár heliotroop, tjempaka!
 
Tratéh, schone waterbloem!
 
Reseda, merak, kedaka!
 
Vreest niet, dat ik u niet noem.

En zo gaat het nog vele regels door. Buddinghs kennis van planten, bloemen, vruchten en dieren is overigens op zichzelf kenmerkend; niet alleen voor hem, maar ook voor een relatief groot aantal Hollanders dat meestal, doordat hun werk hen daartoe bracht, vertrouwd was geraakt met de Indische natuur, met het land en het volk. Hun belangstelling heeft zich niet beperkt tot de wereld der Europeanen; integendeel, het is de Javaanse wereld die in de eerste plaats hun aan-

[p. 132]

dacht heeft, de Javaanse geschiedenis en in talrijke gevallen ook de Javaanse kunst en cultuur. Zo was ds. Brumund een kenner van de Hindu-Javaanse kunst. Zijn bijdragen over ‘De Hindoe-oudheden op Java’ (eerst verschenen in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië van 1851) hebben de belangstelling voor de Hindu-Javaanse kunst sterk gestimuleerd. In 1857 gaf hij een beschrijving van de Borobudur (met tekeningen die door Mieling op steen waren gebracht). Prof. N.J. Krom schreef in 1923 over Brumund: ‘Op dit gebied is hij ontegenzeggelijk een figuur van grote betekenis.’

Omstreeks het midden van de negentiende eeuw was de wens algemeen dat Java niet alleen financiële baten zou opleveren, maar ook poëtische inspiratie. Als Beets in 1840 in een brief naar Indië spreekt van een ‘tint van het Indische Oosten’ die de Nederlandse poëzie zou moeten aannemen, dan spreekt bij niet alleen voor zichzelf - hijzelf deed er niets aan - maar voor talrijke anderen. Ook prof. Veth zou later dezelfde wens uitspreken in zijn standaardwerk Java, geografisch, ethnologisch, historisch en Potgieter declameerde: ‘O paradijs van het Morgenland [...] naar U, om dichtkunst die naam waardig, frisse beelden voor frisse stof.’

In Indië zelf hebben de weinige dichters en talrijke rijmelaars aan die algemene oproep gehoor gegeven. We hebben het reeds gezien. De honderden Indische gedichten en de tientallen verhalen in almanakken, in tijdschriften en zelfs in dagbladen zijn er het bewijs voor. Maar in Nederland bleef men zich voorlopig inspireren op Hollands eigen grond en oudheden en niet op die van de overzeese bezittingen. In plaats van over Makassaarse zeerovers dichtte men voorlopig nog maar liever over Kennemer minstreels.

Toch was er één, ver van Java, die met het stijgen der jaren, zoekend naar vernieuwing van zijn wat doodgelopen poëzie, inspiratie vond in de Javaanse geschiedenis en mythologie. Het was Willem Hofdijk (1816-1888), één van onze weinige volbloedromantici. In 1872, vertelt hijzelf, kreeg hij het zesde deel van De Jonge's Opkomst van het Nederlandsch gezag in handen. Zoals het ook een volbloed romanticus betaamt, werkte deze geschiedschrijving allereerst op zijn verbeelding, en voor zijn geest ontrolde zich - zo drukt hij zich uit - een aantal taferelen die hij terstond ging bewerken. Toen de eerste opwinding een beetje gezakt was, bleek hem pas dat Java voor hem geheel terra incog-

[p. 133]

nita was en hij zette zich aan de studie. Hij ging Veth en Junghuhn lezen en vele andere reisbeschrijvingen zoals die van Van Doren en Buddingh (Hofdijk spelt beide namen verkeerd!). Maar daar beperkte hij zich niet toe. Hij las ook periodieken, krijgskundige geschriften en óók vertalingen van Javaanse poëzie; hij raadpleegde ook vele plaatwerken en zelfs foto's uit de collecties van Meessen en van Woodbury and Page. Zeven jaar hield hij zich met het voorbereidende werk bezig. Geheel vreemd stond hij dus niet tegenover Java. Hij had zich op zijn wijze Java, de natuur en de geschiedenis sterk ingeleefd en daarvoor gebruik gemaakt van de beste bronnen die er toen beschikbaar waren. En als Brom in Java in onze kunst schrijft dat Hofdijks landschappen zo prenterig zijn dat ze uit een plantkunde boek nagetekend lijken, dan is dit eenvoudig niet waar. Wel is het waar dat Hofdijk op vele plaatsen Junghuhns visie op de bergnatuur geadopteerd heeft, maar dit heeft Brom niet opgemerkt, omdat hij zowel van Junghuhn als van Hofdijk - dit blijkt uit zijn boek - slechts oppervlakkig kennis heeft genomen. De drie grote gedichten In 't harte van Java (1881), In het gebergte Di-eng (1884) en Dajang Soembi (1887), die te zamen een kleine 14000 hexameters bevatten, zijn zeker geen adembenemende litteratuur - waar Jan ten Brink ze voor aanzag - maar de wijze waarop Brom Hofdijk veroordeelt en ridiculiseert, werkend met zijn privé-normen, is al te gemakkelijk en al te gemakkelijk geestig. Wie Hofdijks Indische dichtwerk werkelijk tracht te lezen - maar het is een vermoeiende bezigheid door een overlading van beelden en natuurtaferelen - stuit ook op verschillende waardeerbare en zelfs bewonderenswaardige fragmenten. Brom geeft alleen voorbeelden van Hofdijks tekortkomingen en valse beeldspraak. Hieronder volgt als tegenhanger een vrij willekeurig gekozen stuk waarin Hofdijk (In het gebergte Di-eng, blz. 8) de Javaanse gezant en veldheer Senopati tekent:

Zonder vertoef, zelfs met ijlende spoed, zond de jeugdige Keizer
Thans een bode aan zijn oom, ter erkenning en tevens verzoening.
Klein en onooglijk, breedgeschouderd, met aap-achtig wezen,
Scheen deze zendling, met naam Senopati, zijn taak niet gewassen;
Doch Senopati was sluw van geest en vaardig van lippen.
Onaanzienlijk van stal, gaf zijn slingerende slendergang immer
't Blijk van zijn lage geboorte, ofschoon hij gedurig 't korthalzig
[p. 134]
Hoofd ook trots in de nek wierp. Groeien slechts kon hij door klimmen.
Daartoe schonk de natuur al de lenigheid hem van de bergslang.
Vinnige distel inwendig, scheen hij zachtblaadrig van buiten.
Leem had zijn tong waar hij wilde herenen, maar krisscherpte waar hij
Zocht te verdelen. Zó had hij 't vertrouwen zijns Vorsten gewonnen,
Zo dacht hij zelf zich het rad dat zijn meester had voorwaarts te rollen,
Tot het de bergtop besteeg die zijn eerzucht zich doelwit gesteld had;
Zo dacht hij, vlieg van geboorte, de vlucht van de valk te bereiken.

Ook de reeds enige malen genoemde S. van Deventer JSzn (geb. in 1816) die overigens het meest bekend is geworden door zijn (onvoltooide) Bijdrage tot de kennis van het landelijk stelsel op Java (1865/1866), schreef enige novellen in het gevoelige genre onder eigen naam of onder het pseudoniem Ambrosius in Warnasarie en in Biäng-Lala. Hij schreef ook gedichten: luimige en ernstige gedichten, liefdesgedichten en gelegenheidsgedichten, afscheidsliederen en weeklachten. Geen epen, zoals Hofdijk. Hij werkte meer in het klein.

Zonder Tollens te evenaren was ook A.J. Bik Pzn een zeer produktief dichter (‘De raad van Amor’, ‘De eerste kus der min’, ‘De drie kusjes’ en andere gedichten). Andere Muzenzonen onder de tropenzon heetten F. Munnich (‘Wenschen voor mijnen Pieter’); E.W.A. Lüdeking (‘Aan Haar’, ‘Vriendschap’); L. van den Bor (‘Lof des Scheppers’, ‘Morgenlied’); P. Knüttel (‘Bij het sterven van mijnen hond Azor’); A.C. van Santen (‘Bij het verlies mijner tanden’); L. Burer (‘Romantische taferelen’) en niet te vergeten de onderwijzer J. van Soest, de Indische Hiëronymus van Alphen. Hij dichtte natuurlijk ook de gebruikelijke gelegenheidsgedichten als ‘Bij het ziekbed van mijne vrouw’, ‘Aan mijne ontslapen lievelingen bij het laatste bezoek aan het kerkhof te Tanah-Abang nabij Batavia’ en ook schreef hij langdurige berijmingen van Javaanse legenden, maar zijn grote bekendheid dankt hij toch aan zijn talrijke ‘gedichtjes voor de jeugd’, zijn Oost-Indische bloempjes (1846, 1857). ‘Er is geen Indische jongen of hij zal u zonder haperen het allerliefste versje “De Beo” opzeggen [...]. Er is geen enkel Indisch meisje of het kent het ganse boekje van buiten.’ Dit schreef het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië in een bespreking van de nieuwe druk van 1857 met illustraties van de toen zeer be-

[p. 135]

kende tekenaar A. van Pers. Aan alle ‘bloempjes’ is natuurlijk een moraal verbonden die vaak onthullend is en kenmerkend voor het oordeel en vooroordeel van de Verlichte Europeaan in Indië uit het midden van de negentiende eeuw. ‘De bange Sidin’ is bijgelovig, maar ach ja, hij is nooit school geweest; ‘De Beo’ kan aardig snappen en klappen, maar helaas, hij mist verstand en geest; ‘De goedhartige Constance’ is een lichtend voorbeeld van dankbaarheid jegens de ‘oude, goede meid die haar zo trouw heeft opgepast’; ‘De koelie’ met zijn zware vracht verdient onze verering, omdat hij ‘één der nutste van het land’ is; de Gouverneur-Generaal vertegenwoordigt de Overheid en het Gezag en deze moeten in hem geëerbiedigd worden:

 
Knapen, neemt de petten af!
 
Meisjes, maakt een reverentie!
 
Want daar komt Zijne Excellentie,
 
Die weer pas zijne orders gaf,
 
Om te waken met verstand
 
Voor het welzijn van ons land.