Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 136]

V Eduard Douwes Dekkeraant.

Eduard Douwes Dekker (1820-1887) kwam op 4 januari 1839 te Batavia aan. Hij was toen nog geen negentien. In september 1852 vertrok hij met ziekteverlof naar Nederland. Hij is dus bijna veertien achtereenvolgende jaren in Indië geweest, in verschillende betrekkingen, op verschillende plaatsen, zowel op Java als in de zogenaamde buitenbezittingen. Al waren de verbindingen in die tijd moeilijk, het blijft toch opmerkelijk dat in de Indische periodieken uit die tijd de naam van Douwes Dekker ontbreekt, temeer waar wij weten dat hij al vroeg litteraire ambities had. Vóór zijn vertrek naar Indië had hij reeds gedichten geschreven. Het vroegste gedicht, dat van 1838 is, heet ‘Mijn schaatsen’ en telt niet minder dan zeventien coupletten van zeven regels; het andere dat we kennen is een afscheidsgedicht aan zijn vriend A.C. Kruseman in diens poëziealbum. Ook in de eerste jaren in Indië blijkt hij geschreven te hebben, zowel proza als poëzie: conventioneel romantisch proza en een niet minder conventioneel gedicht voor het meisje Caroline Versteegh op wie Dekker omstreeks 1841 razend verliefd werd en voor wie hij zelfs rooms is geworden.

Toen Dekker als controleur in Natal geplaatst werd, aan de westkust van Sumatra - ongeveer samenvallende met de verbreking van zijn verloving - is hij met schrijven en dichten voortgegaan. Er is echter niets van gepubliceerd; wel heeft Dekker blijkbaar een en ander bewaard van hetgeen hij toen geschreven heeft. In zijn werken en zijn brieven heeft hij er later nog al wat uit geciteerd. Hij moet, ook in zijn jonge jaren, veel gelezen hebben en het sprak vanzelf dat hij het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië las en De Kopiïst. Men kan zich het nauwelijks anders indenken; het waren de enige tijdschriften in Indië. In de Max Havelaar vertelt Multatuli dat hij het meisje Si Oepi Keteh - de dochter van een Inlands hoofd met wie hij samenleefde - de geschiede-

[p. 137]

nis van de Japanse steenhouwer vertelde. Dat moet in maart 1843 zijn geweest. Het verhaal van ‘De Japansche steenhouwer’ dat Van Hoëvell onder zijn pseudoniem Jeronimus in zijn Tijdschrift opnam, verscheen in het april-nummer van 1842. Uit 1843 is ook een lang prozastuk in handschrift overgeleverd, getiteld ‘Nog eens Graven’. Het was kennelijk bestemd voor het Tijdschrift, maar is daar om onbekende redenen nooit in verschenen. De titel bevat een duidelijke toespeling op een bijdrage van Van Hoëvell (of liever Jeronimus) in het Tijdschrift van augustus 1842 dat ‘Graven’ heette. Dat Dekker ook De Kopiïst las en daar zelfs op geabonneerd was, blijkt uit een mededeling van Multatuli in de Max Havelaar (Volledige werken, deel i, blz. 161).

In Natal moet Dekker zich vóór het bekende kastekort dat eigenlijk nooit opgehelderd is en dat hem zoveel ellende berokkende, toch betrekkelijk gelukkig hebben gevoeld en vooral bevrijd van de druk van een ambtelijke betrekking - bij de Rekenkamer te Batavia - waarvoor hij niet geschikt was en waarvoor hij zich ook niet geschikt voelde. Hij kon bovendien in Natal Caroline Versteegh vergeten. Het ging Dekker dan ook zeer na aan het hart Natal te moeten verlaten, getuige een gedicht van zes (oorspronkelijk twaalf) coupletten dat eindigt met:

 
Ik zocht den dood, en Natal gaf mij 't leven
 
En met den wil, de lust in 't leven weer.
 
Geliefd verblijf, gij hebt mij veel gegeven
 
Doch eerlang drukt mijn voet uw grond niet meer.
 
Neem mijn vaarwel, en hoor mijn stille beden
 
Voor uw behoud die 'k opzend naar omhoog
 
Welligt zal nooit mijn voet u weer betreden
 
Ik laat u niets, niets dan een traan in 't oog.

Men ziet en hoort het, het is de traditionele romantiek van tranen en gebeden, met de blik omhooggericht.

In begin januari 1844 werd de controleur 2de klasse te Natal E. Douwes Dekker bij besluit van de Civiel en Militair Gouverneur van Sumatra's Westkust (de bekende generaal Michiels) wegens zijn financieel beheer geschorst en dat betekende de inhouding van zijn tractement - dat hem overigens al in drie maanden niet uitbetaald was. In de hoofd-

[p. 138]

plaats Padang, waarheen hij opgeroepen was, onder het oog van de gouverneur, heeft Douwes Dekker bittere armoede geleden en wat vooral grievend voor hem was: in de kleine Europese gemeenschap, waarvan de gouverneur het middelpunt vormde, werd hij door velen gemeden en als een eerloze beschouwd. Om zijn kwellende situatie te ontvluchten en de baas te worden, heeft hij naar een middel gegrepen dat hij toen al bij de hand had: het schrijven. In de eerste plaats bleef hij werken aan een prozastuk waar hij in Natal reeds mee begonnen was: de ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’. Belangrijker echter voor hem en voor onze kennis van de geestelijke toestand waarin Dekker verkeerde, is het toneelstuk ‘De eerlooze’ dat hij in Padang heeft geschreven en waarin twee elementen dooreengeweven zijn: zijn gevoel van vernedering en trots en zijn verhouding tot Caroline. Door het schrijven van ‘De eerlooze’ - waarvan wij de oorspronkelijke versie niet kennen - is Dekker in staat geweest de situatie waarin hij verkeerde voor zichzelf te objectiveren. Hij heeft er zich staande mee kunnen houden in een bijna ondraaglijke positie. Vandaar ook dat hij er zo aan gehecht was. In 1859 werkte hij het nog eens om en in 1864 (dus twintig jaar later) werd het uitgegeven onder de veranderde titel De bruid daarboven. Het is ondanks de omwerking jeugdwerk van Multatuli gebleven, litterair gesproken een romantische draak.

In september 1844 vertrok Douwes Dekker naar Batavia, waar hij bij één van zijn vrienden onderdak kreeg, wachtend op de afwikkeling van zijn zaak. Hier op Batavia kwam hij in contact met de directeur van 's Lands Drukkerij, beroepshalve redacteur van de officiële Javasche Courant, de reeds genoemde S. van Deventer JSzn. Deze nodigde Dekker uit aan zijn blad mede te werken. In het nummer van 1 januari 1845 staat van Dekker een nieuwjaarsgedicht van honderd regels, eindigend met:

 
Hetzij dan het nieuwe jaar ons treuren doet of wenen,
 
Hetzij ons elke dag bron wordt van genot...
 
't Maakt luttel onderscheid; wij reizen ginder henen...
 
Dáár zal de Hemel ons, wat de aarde niet gaf, verlenen,
 
Dáár zien wij lachend neer op 't vorig levenslot,
 
Omhoog bij God!
[p. 139]

Niets doet vermoeden dat hij zich eens ontwikkelen zal tot een schrijver met juist een volstrekt origineel taalgebruik.

Bij de studie van Multatuli heeft men in de laatste tijd zo krachtig de nadruk gelegd op zijn menselijke, sociale en culturele betekenis, op zijn revolutionair optreden, dat men zijn diepgaande invloed op brede lagen van het Nederlandse volk te weinig in verband gebracht heeft met zijn schrijverschap, met zijn taalgebruik dat door zijn tijdgenoten als uniek werd gezien (‘... omdat zijn Hollands alles overtreft wat tot nu toe verscheen,’ staat in de correspondentie van een geheel onbekende Nederlander in 1876). Tussen zijn romanrisch-traditionele gedichten en de Havelaar ligt uiteraard een ‘geestelijke ontwikkeling’, maar óók een litteraire. Ten slotte was Dekker vóór hij als Multatuli debuteerde reeds schrijver. Hij blijkt zelfs vrij veel geschreven te hebben, zij het toen nog ‘à pure perte’, zoals hij het zelf uitdrukt. Wie de ontwikkeling die Douwes Dekker doormaakte, ook zien wil als een proces van litteraire emancipatie, die moet zich afvragen hoe Multatuli's taalgebruik zich vrij gemaakt heeft van de litteraire conventies waar hij zich in 1845, en zelfs later, nog gedwee naar richtte. En hierbij kunnen we niet volstaan met een vaag beroep op de ongetwijfeld diepgaande invloed van ingrijpende levenservaringen. In 1845 had hij reeds ‘veel gedragen’. Hij had teleurstellingen en vernederingen ondervonden en onrecht moeten ondergaan. Toch had dit tot zijn litteraire vorming nog maar weinig bijgedragen.

Het jaar 1845 zou overigens een belangrijk jaar voor Douwes Dekker worden. In de eerste maanden van 1845 leerde hij Willem van der Hucht kennen, een theeplanter op wiens onderneming Parakan Salak hij enige tijd logeerde. De onderneming floreerde zo goed dat ook Willems broer Jan Pieter besloot naar Indië te gaan. Deze vertrok met een heel gezelschap, meest familieleden, waaronder de drie meisjes Van Wijnbergen. Ze kwamen in de eerste helft van augustus aan. Dekker haalde ze af. Tussen hem en één van de meisjes, Everdine (‘Tine’), ontstond een liefde op het eerste gezicht. 18 augustus wordt door hen beiden als de beslissende datum gezien. Deze gebeurtenis werd een sterke stimulans voor Dekker om zijn toen nog enigszins wankele positie definitief te regelen, want hij was nog altijd op wachtgeld. Op 13 september werd hij als tijdelijk ambtenaar toegevoegd aan de assistent-resident van Krawang (West-Java), wiens administratie

[p. 140]

in wanorde verkeerde. Op 26 september verloofden Tine en hij zich officieel op Parakan Salak waarheen zij met de familie Van der Hucht was meegegaan. Zij bleef daar en Douwes Dekker ging naar zijn standplaats Purwakarta. Ze werden letterlijk door bergen gescheiden. Aan deze scheiding danken wij overigens een correspondentie, waarvan helaas alleen de brieven van Dekker aan Tine bewaard zijn gebleven.

Elke schrijver, elke potentiële schrijver, zoekt naar uitdrukkingsvormen die bij hem passen, naar een schrijfwijze die een ‘afdruk van de ziel’ kan geven. In het geval van Douwes Dekker werd deze hem eerder opgedrongen dan dat hij haar zocht. De correspondentie waartoe de omstandigheden hem en Tine dwongen, verloste Dekker van de litteraire conventie die zich tot dusver altijd tussen hem en zijn taal had gedrongen. Ze heeft voor hem bevrijdend gewerkt. Op het epistolaire genre drukte niet de verplichting van het ‘dichterlijk woordgebruik’. In de briefvorm kon Dekker uitgaan van de spreektaal en deze was voor hem het aangewezen middel om zich zo rechtstreeks mogelijk tot Tine te richten. Reeds in één van zijn eerste brieven (van 2-11 oktober 1845) zegt hij dat hij met zijn Everdine wil ‘praten’ en dat hun correspondentie een voortzetting moet zijn van hun gesprekken. Enige brieven later, als Tine blijkbaar niet reageert op wat hij vraagt: ‘Schrijf mij toch of mijn manier van schrijven u bevalt; ik gooi alles door elkander, ik weet dat wel, het is omdat ik niet zozeer met u spreken als wel praten wil, met ernst ertussen.’ Hij wil van haar dat ze hetzelfde doet, hij wil haar tot spontaneïteit dwingen als hij schrijft: ‘Ik heb zo gaarne een blaadje van diverse datum met de invallende gedachten van de onderscheidene ogenblikken. Bekommer u er volstrekt niet over dat alles dan verward dooréén staat, voor niemand immers behoeft ge u minder daaromtrent in acht te nemen dan voor mij. [...] De reden van dit verzoek is dat ik dan juist weet in welke stemming gij sinds de laatste tijding geweest zijt.’

Wie Dekkers verlovingsbrieven aan Tine aandachtig leest, zal merken dat hij zich een doel voor ogen heeft gesteld. Hij wil de ietwat ingetogen en door haar opvoeding ingetoomde Tine kennelijk veroveren en voorbereiden; hij wil haar omvormen en in zijn gedachtenwereld leiden; hij wil haar tot bekentenissen dwingen door haar van alles te bekennen: zijn ijdelheid, maar ook zijn ridderlijkheid; zijn verhouding tot het ‘arme kind’ in Purwakarta dat zo'n verdriet heeft,

[p. 141]

dat hij kust en met wie hij een afspraak maakt voor haar venster; zijn verhouding tot zijn vorige verloofde Caroline, en bij dit alles wil hij weten hoe Tine erover denkt: ‘Schrijf mij oprecht of het u hindert.’ Intussen betuigt hij haar herhaaldelijk zijn liefde (‘Everdine, ik heb u zo lief’). Stap voor stap gaat hij verder. Bijzonder belangrijk is de brief van 14 oktober 1845: ‘Lieve Everdine, mijn Everdine, wees toch geheel oprecht, schrijf mij alles wat gij denkt, wenst en gevoelt; ik heb daar immers recht op, mijn Engel, gij behoort mij toe, zoals ik u toebehoor’ - en dan komen zijn opvattingen over liefde en huwelijk: ‘Ik vind over het geheel dat men gewoonlijk vóór het huwelijk teveel gegeneerd is.’ [...] ‘Ik beschouw u van de 18de augustus af als iemand waarop ik recht heb en die hetzelfde recht op mij heeft en ik beklaag hen die een legalisatie in het publiek nodig hebben voor zij elkander durven toebehoren. Onze omstandigheden zijn niet van die aard [...] maar gesteld eens, men werkte ons tegen of men maakte u het leven bitter, dan zou ik op Parakan Salak komen en u als mijn meisje, mijn bruid, mijn vrouw, noem het zoals ge wilt, maar in elk geval als de mijne, medenemen zonder op enige formaliteit te wachten. En gij, Everdine, zoudt gij in zulk een geval dat willen? Ik geloof het, gij zoudt op mijn liefde vertrouwen nietwaar, gij zoudt u daaraan geheel overgeven?’ En een paar brieven later: ‘Er moet niets tussen ons zijn, geen mode, geen wet, geen schaamte, wij moeten elkander alles durven mededelen.’ En in dezelfde brief: ‘Men mijdt dit gewoonlijk, men laat een meisje meestal onaangeroerd op dit chapitre, en loopt - uit een m.i. verkeerde schaamte - over het voornaamste, het zaligste, als iets onpassends heen.’

Langzamerhand lijkt Dekker zijn doel te bereiken, want in een latere brief, die kennelijk een antwoord op de voorafgaande is, lezen we: ‘Ik heb u telkens liever, mijn Engel, omdat ge u zo geheel en al over die meisjesbeschroomdheid hebt heengezet [...] en u zelfs niet achter de vormen van zogenaamde welgevoeglijkheid verbergt.’ In een van de allerlaatste brieven, als hij op het punt staat naar Parakan Salak te gaan, staat nog: ‘Onze verloving is juist zo goed geweest als ik geloof dat ze wezen moet: een langzame toenadering tot het huwelijk en wij zijn ver genoeg om de stap te doen die alle afstand tussen ons moet wegnemen...’ Voor deze ‘langzame toenadering’ is de correspondentie dienstbaar geweest. Dekker heeft veel aan haar te danken gehad. Als het erop aankomt: zijn schrijverschap.

[p. 142]

Er staat in de verlovingsbrieven met Tine nog één belangrijke uitlating, waarin Dekker - brieven schrijvende - zichzelf als schrijver ontdekt: ‘Geen betrekking zou mij beter passen dan die van schrijver [...]. Als ik fortuin had, genoeg om middelmatig te leven, geloof ik waarlijk dat ik alle andere bezigheden, die mij toch nimmer aanstaan, aan een zij zette.’ De brief is vijftien jaar voor de verschijning van de Max Havelaar geschreven!

Hoe het ook zij, de briefvorm veroorloofde Dekker een manier van schrijven die op zijn latere schrijfwijze vooruitloopt. Toch kon hij zich tóén - in 1845 - nog niet geheel losmaken van een negentiende-eeuwse schrijftraditie. Wel leerde hij de spreektaal exploreren en dit betekende voor hem een eerste fase in de ontwikkeling van zijn schrijverschap naar de talrijke vrije vormen die hij later met zoveel virtuositeit zou hanteren.

Als de verlovingsbrieven afbreken, is Dekkers experiment met de ‘directe taal’ nog niet voltooid. Het proces onttrekt zich enige jaren aan onze waarneming, maar als Dekker in 1851 vanuit Menado een aantal brieven aan zijn oude schoolvriend Kruseman richt, is de schrijver Multatuli reeds kompleet aanwezig. Dan heeft hij zich geheel losgemaakt van de conventionele schrijftaal zoals hij die bij Meester Pennewip geleerd had en schrijft hij het ‘levende Hollands’ dat hem zal onderscheiden van al zijn tijdgenoten.

De jaren in Menado, in Noord-Celebes, van april 1849 tot februari 1852, zijn misschien Dekkers gelukkigste jaren geweest. Hij kon het bijzonder goed met zijn chef vinden en er waren weinig andere spanningen dan die welke in hemzelf waren (‘Maar vanwaar dan mijn God, die wildheid in mijn gemoed, die woeste verbeelding?’). En wat misschien het belangrijkste voor hem is geweest: in Menado heeft hij al schrijvende de vorm gevonden die de precieze ‘weerschijn van zijn aandoeningen’ kon zijn. De bladzijden-lange brieven die hij in deze tijd heeft geschreven - waarvan die aan zijn broer en zijn jeugdvriend Kruseman gedeeltelijk bewaard zijn gebleven - zijn welbeschouwd proeven van schrijfkunst. Als hij aan Kruseman schrijft, merken we dat hij zich al schrijvende oefent in de manier waarop hij van dan af wil gaan schrijven. ‘Om tot het volk te spreken,’ voegt hij daaraan toe. En tegelijk kan hij Kruseman, die uitgever geworden is, duidelijk maken wat deze van hem verwachten kan: een manier van schrijven

[p. 143]

die in Nederland voor zijn tijd geheel nieuw is, een onbelemmerde wijze van zich uit te drukken die wortelt in zijn romantische overtuiging dat de eerste impulsen ook de beste zijn. Hij noteert zijn invallen in de volgorde waarin ze bij hem opkomen en bereikt daarmee een indruk van volstrekte spontaneïteit en oprechtheid. ‘Beste Kruseman,’ schrijft hij in een brief van vierenveertig pagina's zeer klein schrift, ‘Neem mijn manier van schrijven voor lief. Verg niet dat ik elke zin afspin, - elke mening toelicht [...]. Vergeef mij mijn tussenzinnen, - de parenthèses in de tussenzinnen zelfs, let er zelfs niet op of ik de draad weer juist aanknoop waar hij brak. - Het leven bestaat in tussenzinnen, - het mijne althans.’ In deze brief aan Kruseman is de schrijver van de talloze Ideeën reeds geheel aanwezig. Schijnbaar vormloos en grillig, vormen deze brieven (evenals de Ideeën) toch een eenheid. Deze ligt in de toon, een authentieke, zeer persoonlijke toon die Dekker het recht geeft aan Kruseman te schrijven: ‘mijn stijl, dat ben ik.’

In deze brief aan Kruseman valt Dekker zich inderdaad menigmaal in de rede, soms om zijn eigen stijl te corrigeren en daarbij richt hij zich bij herhaling tegen de neiging die hij in zichzelf ontdekt heeft: het terugvallen op de traditionele schrijftaal. Eén voorbeeld. Hij schrijft Kruseman: ‘Het is avond. Een nachtvlinder vliegt om de lamp. Mijn vrouw vangt het beestje - voorzichtig - het mag niet beschadigd worden. Zij brengt het naar buiten in de vrije lucht, zij die nog met moeite gaat, want zij is zwaar, zwaar ziek geweest. Dat doet zij opdat de kat het beestje niet dere’ En dan zonder punt, zonder de zin af te maken: ‘Wat is dat opdat - niet dere lelijk bij mijn gevoel!’

Ook in deze correspondentie met Kruseman ontbreken de antwoorden. Wij kennen helaas Krusemans reacties niet; we weten zelfs niet of ze er wel ooit geweest zijn. Van een schrijversloopbaan, desnoods naast zijn ambtelijke, waar Dekker van gedroomd moet hebben, is toen in ieder geval niets gekomen. Die zou eerst een kleine tien jaar later beginnen.

Op 14 mei 1860 verscheen bij de Amsterdamse drukker-uitgever J. de Ruyter het boek dat naar de woorden van Van Hoëvell een rilling door het land deed gaan: de Max Havelaar, het eerste werk van de toen nog volkomen onbekende schrijver Eduard Douwes Dekker die zich Multatuli (‘ik heb veel geleden’) noemde. Aan de verschijning ging een hele geschiedenis vooraf; er zou ook een hele geschiedenis op volgen.

[p. 144]

Wat eraan voorafging was ‘de zaak van Lebak’, een conflict tussen de assistent-resident Douwes Dekker aan de ene en zijn superieuren aan de andere kant. Het was schijnbaar een typisch ambtenarenconflict zoals er in Indië talrijke waren, daarvóór en daarna, maar dat ditmaal dank zij de schrijver Multatuli er ver bovenuit werd getild. De Max Havelaar is een grandioze aanklacht geworden tegen alle fatsoenlijken en voorzichtigen, tegen de Droogstoppels en Slijmeringen en een even groots pleidooi vóór alle dolende Havelaars, de romantische idealisten bij uitstek als Multatuli zelf. Maar of we het gelijk van Douwes Dekker in Lebak kunnen stellen op de wijze die Du Perron en Stuiveling hebben gedaan is zeer de vraag. Geplaatst tegenover een overigens moeilijke bestuurssituatie, heeft Dekker zijn westerse denkbeelden over ‘recht en menselijkheid’ volgend, maar zonder rekening te houden of te willen houden met de Javaanse sociale en culturele tradities (en de daarop gevestigde bestuurspraktijk), een institutioneel conflict verkeerd beoordeeld. Een Indonesische historicus schreef: ‘Here we meet with a lack of understanding of the background of Javanese patrimonial-bureaucratic structure’ (prof. dr. Sartono Kartodirdjo in The peasants' revolt of Banten in 1888, 1966, blz. 90, voetnoot 69).

Voor een goed begrip van wat zich in Lebak afspeelde en van wat Multatuli daarover mededeelt, is het nodig eerst enige informatie te geven. Het eiland Java was in residenties verdeeld, te vergelijken met provincies, maar de bestuursvorm was geheel anders. Elke residentie bestond weer uit afdelingen of regentschappen. Binnen de residentie, met de resident aan het hoofd, had men op Java twee bestuurs-corpsen naast elkaar: een Nederlands en een Indonesisch bestuurscorps. Aan het hoofd van een regentschap stond een regent, de hoogste Indonesische gezagsdrager; naast hem een Nederlandse assistent-resident. Onder de assistent-resident stond een Nederlandse controleur. Onder de regent stond de patih; onder hem de districtshoofden of demangs (in andere gebieden wedana's genoemd), daaronder weer de dorpshoofden of loerahs enzovoorts. Een niet-besturend ambtenaar was de djaksa die de politiezaken behartigde. We moeten goed in het oog houden dat er dus twee bestuurscorpsen naast elkaar waren: een Indonesisch en een Europees. Men ging ervan uit dat het bestuur gevoerd werd door het Indonesisch bestuur onder toezicht van het Europees bestuur, dat dus een meer controlerende functie had, al ging zijn

[p. 145]

bemoeienis in de praktijk veel verder zoals ook uit het optreden van Max Havelaar en de andere Europese ambtenaren blijkt. Douwes Dekker was assistent-resident van Lebak, van de residentie Bantam, de meest westelijke residentie op Java. De hoofdplaats was Serang, waar ook de resident woonde. De hoofdplaats van de afdeling Lebak was Rangkasbetung. Lebak was de meest zuidelijke afdeling van de residentie Bantam. Het land was dun bevolkt en ongeschikt voor de grote cultures. Het viel daarom ook buiten het cultuurstelsel. Het was naar het zuiden toe woest, bergachtig en geïsoleerd; het lag, zoals men toen zei, in een ‘uithoek’.

De gebeurtenissen in Lebak liggen alsvolgt: op 22 januari 1856 aanvaardt de assistent-resident E. Douwes Dekker het bestuur over de afdeling Lebak. Op 24 februari dient hij bij de resident C.P. Brest van Kempen een klacht in tegen de regent die vrijwel uitsluitend op archiefonderzoek berust en waarin hij deze beschuldigt van misbruik van gezag en zegt hem te verdenken van knevelarij. Hij stelt voor de regent ‘met de meeste spoed’ naar de residentiehoofdplaats te verwijderen met de bedoeling een beïnvloeding van de getuigen bij het onderzoek onmogelijk te maken. De resident Brest van Kempen - een bekwaam resident, dat staat vast - toont zich verrast en verschrikt. Hij begeeft zich op 26 februari - dat is dus twee dagen later - naar Lebak om de zaak met de assistent-resident te bespreken, om van hem nadere inlichtingen te verkrijgen en bewijzen te vorderen. Maar Douwes Dekker weigert ze te geven en verklaart aan zijn chef de verantwoordelijkheid te willen dragen. De resident weigert op zijn beurt - en terecht moet men zeggen - in de voorstellen te treden, omdat hij zijn verantwoordelijkheid voor een belangrijke zaak als deze niet op de assistent-resident - die hij nauwelijks kent - kan of wil overdragen. In een missive van 29 februari legt de resident Brest van Kempen de zaak met medeweten van Dekker aan de gouverneur-generaal voor. De Raad van Indië die van advies moet dienen, keurt de handelingen van Douwes Dekker af en adviseert hem te ontslaan. De Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist neemt het voorstel slechts gedeeltelijk over. Hij keurt de handelwijze van Dekker (die hij persoonlijk kende) eveneens af, maar wijzigt het ontslag in een overplaatsing. Dit besluit doet hij vergezeld gaan van een rechtstreeks aan Douwes Dekker gerichte kabinetsmissive, waarvan zelfs de resident geen afschrift krijgt.

[p. 146]

Op grond van deze persoonlijke missive die een afkeuring van zijn beleid inhoudt vraagt Douwes Dekker - zo mag men nu wel aannemen - ontslag. Dit wordt hem op 4 april verleend. Op 20 april vertrekt de assistent-resident Douwes Dekker uit Rangkasbetung, logeert op diens uitnodiging nog enige dagen bij de resident, op de hoofdplaats Serang, en gaat vandaar naar Batavia. Binnen drie maanden heeft zich het drama voltrokken. Dan wordt Dekker de ambteloze burger die tevergeefs tracht audiëntie te verkrijgen, die rekwestreert en brieven schrijft en die dan ten slotte - en nu treedt de belangrijkste fase in - driejaar later, in september-oktober 1859 te Brussel de Max Havelaar schrijft, zijn laatste en sterkste troef bij zijn pogingen tot het verkrijgen van rehabilitatie. En rehabilitatie betekende voor Multatuli herstel van recht. Dit is uitgebleven en de armoede die hij moest lijden dwong hem van de pen te leven, of om zijn eigen woorden te gebruiken, een ‘homme des lettres’ te worden, een idee dat hem overigens vertrouwd was. Uit dit met armoede en vernedering gekochte schrijverschap werd Multatuli geboren. Toch heeft het er nog even op geleken dat dit tegen een ambtelijke rehabilitatie en een grote promotie geruild zou worden. Het handschrift van de Max Havelaar kwam onder ogen van de bekende schrijver Jacob van Lennep, tevens conservatief kamerlid. ‘Het is een meesterstuk,’ schreef hij op 18 november 1859 aan zijn vriend Van Hasselt, ‘met zijn gebreken, of neen: de gebreken waarover ik, zo het een gewone roman gold, klagen zou, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan het verhaal. Het is bl... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.’ En aan het slot: ‘Ik maak mij sterk hem behoorlijke voorwaarden te bezorgen, indien hij mij daaromtrent carte blanche wil geven.’ De Minister van Koloniën Rochussen was het al eerder ter ore gekomen dat Douwes Dekker bezig was een boek te schrijven tegen het gouvernement en toen van verschillende zijden druk op hem uitgeoefend werd, verklaarde hij zich bereid Dekker te herplaatsen, maar ‘natuurlijk dat hij in dat geval niet schrijft’. (Brief van 21 november 1859 aan Van Lennep.) Dekker wordt voor een dilemma geplaatst: ‘Had ik geen schulden, dan was ik liever schrijver, maar zoals de zaken staan, moet ik omderwillen van geld een betrekking in Indië voortrekken.’ (Aan zijn broer Jan op 20 november 1859.) En verder aan Tine op dezelfde dag: ‘Ik heb nagedacht, ik hel over naar Rochussen, doch con-

[p. 147]

dities: 1. resident op Java, speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen [in dit gewest genoot een resident hoge cultuurprocenten]; 2. herstel van diensttijd voor pensioen; 3. een ruim voorschot; 4. Ned. Leeuw. Doch ik zal deze condities niet zeggen; eerst wil ik zien wat hij doet.’ Als er geruchten uit Indië komen van een dreigende opstand, dringt vooral Van Lennep erop aan Douwes Dekker een hoge verantwoordelijke positie te geven om de opstand af te wenden. Intussen heeft Dekker zijn eisen al hoger gesteld. Hij wil niet meer of minder dan Raad van Indië worden. Minister Rochussen is verbaasd en geirriteerd: ‘De heer Dekker sprak van Raad van Indië. Ik kan dat kwalijk voor ernst houden’ en het vervolg van deze brief aan Van Lennep van 9 december 1859 houdt een besliste weigering in aan de eisen van Dekker te voldoen. Deze weigering heeft definitief van Douwes Dekker de schrijver Multatuli gemaakt. Heeft Douwes Dekker zijn eisen zo hoog gesteld om Multatuli te kunnen worden? Het is niet onmogelijk, vooral als we bedenken dat hij al jaren tevoren geschreven had schrijver te willen worden. Als het zover is, verleent Van Lennep alle medewerking om Dekker aan een uitgever te helpen en hij slaagt hier ook in. Zijn houding tegenover de uitgave van de Havelaar is onduidelijk, maar in ieder geval duidelijk ambivalent. Aan Rochussen had hij in een brief van 11 december 1859 al geschreven: ‘Ik had liever gehad dat de man in staat ware gesteld ginds te handelen dan dat hij verplicht worde hier te spreken.’ Ook wij kunnen net zo min als prof. Veth ontkomen aan de indruk dat Van Lennep toen hij de uitgave van de Havelaar onvermijdelijk achtte, getracht heeft de politieke invloed daarvan te beperken. In de eerste plaats heeft hij Multatuli verzocht hem het kopijrecht af te staan om de uitgave te bewerkstelligen, terwijl hij met een machtiging had kunnen volstaan. Verder bewerkt hij het handschrift, brengt verbeteringen aan, maar ook veranderingen die geen verbeteringen zijn en veranderingen die kennelijk een ander doel hebben. Hij doet dit weliswaar in overleg met Douwes Dekker, maar gedraagt zich verder als de eigenaar van het handschrift. Proeven heeft Dekker nooit ontvangen. Alle regelingen met de uitgever lopen over Van Lennep. Op 15 mei 1860 ontvangt Multatuli drie exemplaren van zijn boek, waarvoor hij Van Lennep beleefd dankzegt. Hij heeft grote verwachtingen van de uitgave en als de eerste kritieken verschijnen en vooral na de uitvoerige bespreking van een zo gezaghebbende

[p. 148]

persoon als prof. Veth in De Gids (juli-nummer, blz. 52-82) juicht hij tegenover Tine. ‘Maar ik moet meer éclat maken,’ schrijft hij ook. Na enige weken, als het aantal reacties tegenvalt, als alles te langzaam gaat en er niets gebeurt, komt de ontevredenheid over de hoge prijs en over de wijze waarop de uitgever het boek verkoopt. Multatuli wil zoveel mogelijk door iedereen gelezen worden, hij wil ‘agitatie’, maar Van Lennep in zijn negentiende-eeuws aristocratisch besef, wil de invloed van het boek kennelijk beperkt houden tot een kleine kring van letterlievenden. Een conflict kan niet uitblijven. Dekker begint zelfs tegen Van Lennep te procederen. Hij verliest het proces op formele gronden. Intussen is de eerste druk van 1300 exemplaren uitverkocht en een tweede wordt opgelegd zonder dat Multatuli iets kan doen. Hij krijgt pas zeggenschap over de uitgave nadat het boek van uitgever op uitgever is overgegaan en ten slotte in 1874 bij Funke is terecht gekomen. Maar dan alleen dank zij de welwillendheid van de laatste. Het zijn situaties die wij ons niet goed meer kunnen indenken en waarbij wij geneigd zijn van ‘ontvreemding van geestelijk eigendom’ te spreken.

Multatuli heeft van de gebeurtenissen in Lebak geen verslag geschreven, geen rapport, geen brochure, geen pamflet; hij heeft er een roman van gemaakt; dat wil zeggen een produkt der verbeelding. Hij heeft naar negentiende-eeuws gebruik - om een groter publiek te bereiken - de werkelijkheid, zoals hij het zelf zegt, ‘verdicht en opgesierd’ tot een verhaal en daarbij de verbeelding door de werkelijkheid gemengd. Zonder overigens de werkelijkheid uit het oog te verliezen! Hierbij heeft hij gebruik gemaakt van alle litteraire middelen die hem ten dienste stonden; hij heeft gebruik gemaakt van oppositie-figuren en oppositie-situaties, van tegenstellingen en vergelijkingen, van wisselende gezichtspunten, van verschuivingen in de chronologie, van ironie enzovoorts en dit alles om zijn visie op de lezer te kunnen overbrengen. Hoe hij hierin geslaagd is kunnen we lezen in het proefschrift van A.L. Sötemann over De structuur van Max Havelaar (1966) waarin wordt aangetoond op welke wijze Multatuli zijn doel wist te bereiken: de overreding van het publiek voor zijn standpunt, voor zijn beleid, voor zijn tegenstrijdig karakter zelfs. Hij heeft dit laatste zó consequent gedaan dat Sötemann de Havelaar karakteriseert als een auto-hagiografie.

De titel van het boek spreekt voor zichzelf. De assistent-resident

[p. 149]

Max Havelaar is de centrale figuur, maar de ondertitel ‘De koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij’ vereist wel enige toelichting. De Nederlandsche Handel-Maatschappij, door Koning Willem i in 1824 opgericht, bezat bij uitsluiting het recht de tropische produkten ten behoeve van Nederland te veilen. Het belangrijkste produkt was koffie. De Handel-Maatschappij was het symbool van een geheel op de belangen van Nederland - en niet op die van Indië en de bevolking - gerichte politiek. Bovendien was over deze veilingen juist omstreeks 1860 veel te doen. Multatuli zinspeelt dus op een actualiteit. Er waren verschillende misbruiken ingeslopen, waaraan de makelaars de meeste schuld hadden. Multatuli begint dan ook een makelaar in de koffie in te voeren, Droogstoppel geheten, voor Multatuli de vertegenwoordiger van een gehate soort, van een bepaald type Nederlander. Multatuli blijkt zelfs een bepaalde makelaar op het oog te hebben gehad.

Aan de Havelaar gaat behalve een opdracht aan zijn vrouw E(verdine) H(ubertine) v(an) W(ijnbergen) - dat is dus de figuur van Tine - een ‘onuitgegeven toneelspel’ vooraf dat als een soort motto dienst doet. De naam Lothario is niet toevallig. Hij komt voor in Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre, een figuur die een toonbeeld is van geestesen ziele-adel. In de laatste zin van dit ‘onuitgegeven toneelspel’ beroept de rechter zich op Lessings patriarch uit Nathan der Weise. Een jood heeft een christenkind als jood opgevoed en al heeft hij daarmee het meisje van de dood gered, hij moet veroordeeld worden, omdat hij als jood veroordeeld moet worden. ‘Tut nichts, der Jude wird verbrannt,’ zegt de patriarch (vergelijk ‘Lothario moet hangen’).

De Max Havelaar begint met de onvergetelijke zin: ‘Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, No. 37.’ Hiermee introduceert de figuur van Droogstoppel zichzelf. Hij fungeert als de oppositiefiguur voor Havelaar, de edele idealist, de dichterlijke ziel, de martelaar voor zijn principes. Droogstoppel is berekenend, een materialist, schijnheilig, eigenwijs en volstrekt ongevoelig voor poëzie. In de eerste vier hoofdstukken is Droogstoppel alleen aan het woord. Hij spreekt van de liefde voor zijn vak (makelaar in koffie); hij geeft zijn denkbeelden ten beste over opvoeding, over godsdienst, over verzen (‘ik heb niets tegen verzen. Wil men de woorden in het gelid zetten, goed’), over toneel, over beloonde deugd (de geschiedenis van Lucas de pak-

[p. 150]

huisknecht) enzovoorts. In het tweede hoofdstuk is de ontmoeting met Sjaalman (zo noemt Droogstoppel hem, omdat deze geen overjas bezit en niets dan een sjaal om de hals heeft), die een schoolgenoot van Droogstoppel blijkt te zijn geweest. Sjaalman is de ontslagen assistent-resident Max Havelaar in Holland. Multatuli vertelt een jeugdherinnering: het verhaal met de Griek, om het verschil in karakter tussen beiden te accentueren. Sjaalman geeft de volgende dag een ‘pak’ af waarin allerlei stukken zitten die Havelaar geschreven heeft over onderwerpen van de meest uiteenlopende aard (hieruit moet Havelaars brede belangstelling en grote belezenheid blijken). In een begeleidende brief vraagt hij Droogstoppel om hulp voor een uitgave. In het 4de hoofdstuk staat de ‘inhoudsopgave’ van alle stukken die in het ‘pak van Sjaalman’ staan. Sjaalman wordt door Droogstoppels zoon Frits en ‘de jonge Stern’ (een Duitser die als volontair op Droogstoppels kantoor werkt) op een boekverkoping gezien. Hij moet de boeken aandragen, maar laat een jaargang van een damestijdschrift Aglaia vallen. Op grond hiervan wordt hij ontslagen (‘hij was lui, pedant en ziekelijk’). Bij nader inzien vindt Droogstoppel in het pak enkele beschouwingen over de koffiecultuur die zijn aandacht trekken. Besloten wordt dat de ‘jonge Stern’, die ‘een vleug van poëzie over zich heeft’, uit het pak een boek zal samenstellen. Er wordt zelfs een ‘contract’ opgesteld. Dit boek is de eigenlijke Max Havelaar. De hoofdstukken 5 t/m 9 spelen op Java. Het bekende ‘portret van Havelaar’ door Multatuli vinden we in hoofdstuk 6; de toespraak tot de hoofden van Lebak staat in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 10 en 11 spelen weer in Nederland en laten Droogstoppel weer aan het woord. Hoofdstuk 9 bevat de preek van ds. Wawelaar en hoofdstuk 10 bevat Droogstoppels vermakelijke commentaar op Heines gedicht ‘Auf Flügeln des Gesanges’. De volgende hoofdstukken verplaatsen ons weer op Java en vervolgen de gebeurtenissen in Lebak (met allerlei uitweidingen overigens). De geschiedenis van de Japanse steenhouwer staat in hoofdstuk 11; de geschiedenis van Saïdjah en Adinda in hoofdstuk 12. Dan volgt het verdere verloop in het Lebakse conflict dat uitmondt in de befaamde peroratie gericht aan de Koning, waarin ditmaal Multatuli zelf - en niet Droogstoppel of Havelaar - het woord neemt.

De verschijning van de Max Havelaar mag Douwes Dekker niet gebracht hebben wat hij ervan hoopte: geen lid van de Raad van Indië,

[p. 151]

geen resident, geen rehabilitatie en zelfs geen pensioen, het boek heeft toch meer ‘éclat’ gemaakt dan hij zich dit in den beginne gerealiseerd moet hebben. Minder om de aanklacht dan om het voor Nederland volstrekt nieuwe taalgebruik. Multatuli is voor Nederland opgetreden als de grote vernieuwer van de taal, als de verlosser van het Nederlands uit de conventies die haar jarenlang tot onbeweeglijkheid hadden gedoemd. Zo moeten velen het gevoeld hebben. Er was met één slag een nieuwe schrijver opgestaan. Niemand kon immers in 1860 weten dat aan het schrijven van de Havelaar een litteraire ontwikkeling was voorafgegaan! Een reactie als die van Van Lennep is kenmerkend voor de algemene reactie. De schok lag voor hem en voor de meeste lezers niet in het sociale protest (zoals voor Van Hoëvell), maar in het verrassingselement van vorm en taal. Daarna kwamen pas de andere overwegingen. Ook voor Busken Huet lag de betekenis van Multatuli allereerst in diens gevoel voor stijl: ‘Multatuli waar hij op dreef is, bezit die gaaf in zo grote mate, dat zijn werken in zichzelf, onafhankelijk van de zaak die erin bepleit wordt, een reden van bestaan hebben, en men hem liefheeft en bewondert, ook wanneer men met hem van gevoelen verschilt.’ Aan de formulering merkt men het al: Huet distancieert zich van Dekkers denkbeelden en toch wordt hij telkens weer overrompeld door de wijze waarop Multatuli zich in taal uitdrukt, door wat Huet stijl noemt. En wij weten welke betekenis hij daaraan hechtte, iets wat veel meer inhield dan ‘mooi schrijven’. Multatuli wilde overigens deze onderscheiding niet maken of hij vond haar, voor het doel dat hij zich gesteld had, niet bruikbaar. Hij kon zoals Ten Brink eens vertelde, woedend weglopen en uitroepen: ‘mooi schrijven, ik wil er niets van horen; ik veracht alle mooischrijverij.’ Bij andere gelegenheden beklaagde hij zich erover dat men hem om zijn ‘stijl’ prees, maar hem en zijn gezin in schulden en armoede liet leven. Hij heeft dit gedaan in scherpe en ironische commentaren, in allerlei vormen. Meer dan eens in de vorm van een parabel, zoals die van de impressario die sujetten zocht, of die van de goudmaker, of van de moeder die zich erover beklaagt dat men om het fraaie jurkje haar kind niet kon of wilde zien; soms ook in de dialoogvorm, zoals in het vlijmscherpe gesprek tussen Dimanche en Don Juan, maar vooral in het ‘sprookje’ van Chresos in Beotië dat in de Minnebrieven staat. Zijn verbittering is begrijpelijk, maar ze berust op een misver-

[p. 152]

stand tussen hem en zijn lezers. Zij interpreteerden zijn boodschap anders dan hijzelf. En ook dat was begrijpelijk. Er was om politieke redenen, maar ook louter uit overwegingen van sentiment, in kranten en tijdschriften of in de vorm van brochures, al vrij veel tegen de misbruiken in Indië geschreven. Zo had prof. Veth in zijn bekende Gids-artikel bij de verschijning van de Havelaar verschillende namen kunnen noemen van schrijvers die reeds vóór Multatuli de verkeerde bestuurspraktijken op Java hadden gesignaleerd, vaak in felle bewoordingen. De stem van de oppositie had in de Kamer bij monde van Van Hoëvell jarenlang bij elke gelegenheid die misstanden gehekeld, maar niemand - en hier gaat het om - had dit ooit gedaan op deze wijze, in deze sterk aansprekende vorm, in zulk ‘levend Hollands’ als Multatuli. Wie uitsluitend aandacht vraagt voor Dekkers temperament, voor zijn idealisme, voor zijn moed, voor zijn martelaarschap, kortom voor zijn persoonlijkheid en zijn optreden zonder daarbij het schrijverschap te betrekken, miskent in het algemeen de betekenis die het schrijven voor een schrijver hebben kan, en voor Multatuli in het bijzonder. Multatuli's optreden is juist sterk door zijn wil tot schrijven bepaald. Hier kan niet genoeg de nadruk op worden gelegd. En zijn sociale en culturele invloed is evenmin los te maken van zijn vermogen om in taal, zoals hij het zelf formuleerde, alle indrukken van het menselijk gemoed weer te geven.

Dat Multatuli's invloed groot is geweest, staat vast. Op vele terreinen. Hoe meer men zich bezighoudt met Multatuli's plaats in het Nederlandse geestesleven, hoe meer men zich realiseert dat zijn denkbeelden verregaand hebben doorgewerkt, dat hij potentiële krachten in het Nederlandse volk heeft geactiveerd en gerevolutioneerd. Wat Multatuli voor duizenden en nog eens duizenden in Nederland betekend heeft, is niet gering geweest. Hij bracht een innerlijke omwenteling teweeg. Vooral in de middenklassen van het Nederlandse volk heeft hij tallozen wakker geschud en met eigen ogen leren zien en daarmee heeft hij het sociale gezicht van zijn tijd mede bepaald.

Critici hebben er meer dan eens op gewezen dat Multatuli's ideeën niet nieuw en niet origineel waren en dat ze alle in zijn lectuur zijn terug te vinden. Dit is zeer wel mogelijk; het waren de denkbeelden van zijn tijd, maar hij heeft ze voor velen toegankelijk gemaakt door zijn persoonlijke en ongeëvenaarde formulering. Alleen hierdoor wer-

[p. 153]

den ze gehoord. Dat was wat Multatuli ook wilde. ‘Ja, ik wil gelezen worden,’ schreef hij. En hij werd gelezen. Ook in Indië. Hij werd gelezen en nagevolgd.

Multatuli mocht er zich in 1860 terecht over beklagen dat de uitgever slechts twintig exemplaren van zijn Max Havelaar naar Indië had gezonden (met het argument dat de Indische boekhandel zo slecht betaalde), toch zijn er langs verschillende kanalen, zoals andere boekhandelaren, veel meer exemplaren naar Indië gekomen. Er wordt altijd gesproken over het ene stukgelezen exemplaar van de sociëteit De Harmonie te Batavia, maar een detail als dit is misleidend. De schrijver Multatuli heeft als de assistent-resident Max Havelaar school gemaakt. Na 1860 kwam een nieuwe generatie bestuursambtenaren van de Academie te Delft die allen de Havelaar gelezen hadden en er grote stukken uit konden citeren. Een reeks van Multatulianen trad het bestuur binnen met geheel nieuwe denkbeelden, en vooral met een bewuste en positieve instelling ten opzichte van hun taak tegenover de bevolking. Hun invloed op het bestuursbeleid is onmiskenbaar geweest. Een zekere G.P. Rouffaer die in de jaren tachtig een reis door Indië maakte, omdat hij meende dat alleen dáár de Havelaarzaak onderzocht kon worden, schrijft in zijn reisaantekeningen: ‘De invloed van Multatuli op het ambtenaren-corps is ontzaggelijk geweest’ en hij geeft een lijst van namen van bestuursambtenaren die hij ‘Multatulianen’ noemt. Als men deze lijst beziet: op het toenmalig betrekkelijk kleine corps van Europese ambtenaren een respectabel aantal. Dan geeft Rouffaer, enige bladzijden lang, sprekende voorbeelden van Multatuli's invloed op de bestuursambtenaren. Ze zijn symptomatisch voor de invloed die Multatuli uitoefende, maar dat hij deze kon uitoefenen, dankt hij aan zijn bijzondere verhouding tot de taal. Een brochure van de bestuursambtenaar L. Vitalis, De invoering, werking en gebreken van het stelsel van kultures op Java (1851) is als het erop aankomt, een gedocumenteerder en vernietigender aanklacht geweest tegen de misbruiken van het regeringsbeleid dan de Havelaar, maar Vitalis heeft nooit bereikt wat Multatuli bereikt heeft, eenvoudig omdat zijn betoog de overtuigingskracht van het woord miste.

We staan met Multatuli voor een paradoxale situatie: de assistent-resident Douwes Dekker die met zijn (romantisch-) individualistische visie zichzelf op een verkeerd spoor zette bij de beoordeling van de

[p. 154]

sociaal-culturele situatie in Banten, en die daardoor - hoe men het ook beziet - ernstige beleidsfouten heeft gemaakt, heeft als de schrijver Multatuli een niet licht te overschatten invloed gehad op de handelingen van het bestuur en zelfs op het regeringsbeleid. De situatie is paradoxaal, dat wil zeggen ontleedbaar; er is geen sprake van een contradictie. Daarom hebben we geen moeite met de stelling dat Douwes Dekker als bestuurder in Lebak faalde en tegelijk één van onze belangrijkste en invloedrijkste schrijvers werd. Dat deel van zijn persoonlijkheid waardoor hij beoordelingsfouten maakte, staat buiten zijn schrijverschap.

De Max Havelaar heeft niet alleen de schrijver Multatuli in Douwes Dekker opgeroepen, de Havelaar werd voor Multatuli ook een toetssteen, een morele norm. Zijn verhouding tot alle maatschappelijke problemen maakt de indruk te zijn voortgekomen uit de Havelaar of variaties te zijn op het grondthema daarvan. Op deze wijze gezien staat de Havelaar centraal in zijn werk en is Douwes Dekkers verblijf in Indië ook van beslissende betekenis geweest voor de ontwikkeling van de schrijver Multatuli.