Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 155]

VI Vier ‘Excentrieken’

‘een karakter, wel wat excentriek, maar van innerlijk hoge waarde’ de resident van Menado over E. Douwes Dekker

1. S.E.W. Roorda van Eysingaaant.

In een brief van 20 april 1872 schrijft Roorda aan Multatuli: ‘Met mijn stijl kan ik niets winnen, met mijn denkbeelden en kennis tot heden nog minder. Alleen mijn Vloekzang zal blijven leven.’ En in zijn Verzamelde stukken (postuum uitgegeven in 1889, 2de aflevering, blz. 26) vinden we de wens uitgesproken dat men op zijn grafsteen zal beitelen: Hier ligt de dichter van den vloekzang: De laatste dag der Hollanderen op Java. Er is nooit iets van gekomen. Wat was de ‘Vloekzang’ voor een werk dat de overigens bescheiden schrijver zo hoog schatte? Een naar onze opvattingen nogal bombastisch gedicht.

vloekzang
 
De laatste dag der Hollanderen op Java door Sentot
 
Zult gij nog langer ons vertrappen,
 
Uw hart vereelten door het geld,
 
En, doof voor de eis van recht en rede,
 
De zachtheid tergen tot geweld?
 
 
 
Dan zij de buffel ons ten voorbeeld,
 
Die sarrens moe de hoornen wet,
 
De wrede drijver in de lucht werpt
 
En met zijn lompe poot verplet.
 
 
 
Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
 
Dan roll' de wraak langs berg en dal,
[p. 156]
 
Dan stijg' de rook uit uw paleizen,
 
Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.
 
 
 
Dan zullen wij onze oren strelen
 
Aan uwer vrouwen klaaggeschrei,
 
En staan, als juichende getuigen,
 
Om 't doodsbed van uw dwingelandij.
 
 
 
Dan zullen wij uw kinderen slachten
 
En de onzen drenken met hun bloed,
 
Opdat der eeuwen schuld met rente,
 
Met woekerwinste word' vergoed.
 
 
 
En als de zon in het Westen neerdaalt,
 
Beneveld door de damp van 't bloed,
 
Ontvangt zij in het doodsgerochel
 
De laatste Hollandse afscheidsgroet.
 
 
 
En als de nachtelijke sluier
 
De rokende aarde heeft overdekt,
 
De jakhals de nog lauwe lijken
 
Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...
 
 
 
Dan voeren wij uw dochters henen.
 
En elke maagd wordt ons een boel,
 
Dan rusten wij aan haar blanke boezems
 
Van moordgetier en krijgsgewoel.
 
 
 
En als haar schand zal zijn voltrokken,
 
Als wij ons hebben moegekust,
 
Als elk tot walgens toe verzadigd,
 
Het hart van wraak, het lijf van lust,
 
 
 
Dan tijgen wij aan het banketteren,
 
En de eerste toast is: 't Batig Slot!
 
De tweede toast: aan Jezus Christus!
 
De laatste dronk: aan Neerlands God!
[p. 157]
 
En als de zon in 't Oosten opdaagt,
 
Knielt elk Javaan voor Mahomed,
 
Wijl hij het zachtste volk der aarde
 
Van christenhonden heeft gered.

Door Multatuli is de ‘Vloekzang’ bekend geworden. Hij vergeleek haar - in de aantekeningen bij de herziene druk van de Havelaar van 1875 - met die van Camille uit Corneilles treurspel Horace en stelde haar daarboven. Al eerder, in 1871, had hij Roorda geschreven dat hij het gedicht ‘prachtig’ vond. ‘Ik ken niets zo fors,’ voegde hij eraan toe, ‘En wáár! Een dichter, ziener en profeet, 't is alles een’ (brief van 3 januari 1871). Deze lof afkomstig van de door hem sinds jaren vereerde schrijver, met wie hij sedert kort in correspondentie was geraakt, moet Roorda aanvaard hebben als een machtsspreuk. Al verweert hij zich in den beginne zwakjes en al gedraagt hij zich wat onwennig onder de complimenten waar Multatuli hem mee overlaadt (‘hoe ijdel ik ook ben, verdien ik niet complimenten gelijk een jong meisje’), hij is ten slotte gaan geloven in het oordeel van Multatuli, omdat hij aan al diens uitspraken nu eenmaal groot gezag toekende. Naarmate de correspondentie met Multatuli verder gaat, wordt Roorda echter kritischer tegenover zichzelf. Hij aanvaardt het niet zomaar als Multatuli hem op 6 mei 1872 schrijft: ‘Ik ken niemand die zo goed schrijft als gij.’ In zijn antwoord van 16 mei bekent hij wel dat het zijn vurigste wens is een groot schrijver te zijn, maar vier dagen later verklaart hij: ‘Uw vriendschap maakt u blind voor wat ik te kort kom. Als schrijver breng ik het nooit ver. [...] Bekommer u niet om mij. Ik ben een dabbler. Van veel iets en van niets veel. Dat is mijn kennis. Mijn schrijfwijze sinds mijn verbanning heeft dit nog erger gemaakt. [...] Mislukt militair, mislukt ingenieur, mislukt publicist en zonder mijn huwelijk mislukt mens!’

Dit alles getuigt niet van zelfoverschatting. Maar hoe is het dan te verklaren dat Roorda tot het laatste toe een uitzondering heeft gemaakt voor zijn ‘Vloekzang’, waarvan hij meende dat ze hem onsterfelijk zou maken. Het is niet onmogelijk dat hem - behalve het oordeel van Multatuli - ook de romantische opvatting van het dichterschap parten heeft gespeeld: de poëzie als een bron van inspiratie die uit de borst opwelt. Roorda had zich inderdaad geïnspireerd gevoeld toen hij zijn

[p. 158]

gedicht maakte (hij kookte van verontwaardiging, schreef hij, over wat de bevolking was aangedaan). Voor het overige had hij vertrouwd op zijn eerste impuls en hieruit was zijn ‘Vloekzang’ bijna ‘aus einem Gusz’ omhooggekomen.

In 1866 heeft hij in een brochure, getiteld Mijne verbanning en mijn vloekzang over het ontstaan van zijn gedicht geschreven, maar wij kunnen de ‘geschiedenis van de vloekzang’ niet los zien van zijn optreden daarvoor en daarna. Daarom volgen hier eerst enkele levensbijzonderheden. S.E.W. (Sicco) Roorda van Eysinga - dit blijkt uit Wertheims artikel in de Bijdragen van 1960 - was de bijna dertig jaar jongere halfbroer van Ph. P. Roorda van Eysinga. S.E.W. Roorda werd in 1825 te Batavia geboren uit het tweede huwelijk van hun beider vader met een veertienjarige jongedochter. Sicco werd evenals zijn oudere broer Ph.P. voor officier opgeleid. Als jong tweede luitenant bij de genie vertrok hij naar Indië, maar voor het militaire leven bleek hij volstrekt ongeschikt. Hij sprak zijn meerderen tegen, weigerde bevelen op te volgen en deed nog veel meer dingen die men van een militair niet kan dulden. Hij was, kort gezegd, een lastig en onbruikbaar officier. Na elf jaar dienst, met een strafoverplaatsing achter de rug, vroeg hij eindelijk zijn ontslag en verkreeg dit. Na een ‘regering van honderd dagen’ als mede-redacteur aan het Bataviaasch Handelsblad, waarin hij tevoren menigmaal geschreven had, werd Roorda beheerder van een koffieonderneming in Midden-Java ter vervanging van de eigenaar die met Europees verlof ging. Dank zij de ‘weldadige wijzigingen’ die Roorda aanbracht ten behoeve van de bevolking (het zijn de woorden van de resident Bekking), kreeg hij alle medewerking van het bestuur. Hij slaagde er zelfs in de produktie te verhogen. Na een conflict met de eigenaar die aanmerkingen maakte op zijn kostenrekening, nam of kreeg Roorda ontslag en trad in gouvernementsdienst. Hij werd aangesteld als ‘chef bij de opnamen voor een bevloeiings- en scheep-vaartkanaal’ in de ‘klassieke streek der ellende’ Grobogan, waar nog in 1860 de tekenen van de verschrikkelijke hongersnood van 1849 overal zichtbaar waren. In plaats van de vroegere rijstvelden en de vroegere bewoners, zag Roorda niets dan ondoorwaadbare moerassen en ondoordringbare rietbossen, bevolkt door wilde dieren; een landschap van een ‘huiveringwekkende eenzaamheid,’ zoals hij schreef. Als hij door de nabijgelegen dorpen trok, zag hij soms meer graven dan hui-

[p. 159]

zen: ‘Die terpen verweten mij zwijgend de schuld van mijn volk. Daaraan ontbrak het grafschrift: gestorven voor het batig slot.’ Tijdens zijn werkzaamheden had Roorda gehoord over de hongersnood van elf jaar tevoren en dit had zijn ‘kokende verontwaardiging’ gewekt. In 1860 dreigde er weer hongersnood: ‘Wie een weinig verbeeldingskracht heeft, kan zich mijn gemoedstoestand op 1 december (de geboortedag van de vloekzang) denken, toen de hongersnood weer grijnsde.’ Het gedicht ontstond overigens voor het grootste deel op een zeer prozaïsche plaats: in de badkamer. Terwijl hij zich uitkleedde, vertelt Roorda, ‘ontsprong de vloekzang aan mijn verkropt gemoed Ik schijn vreselijk gebulderd te hebben, want de bediende van mijn huisgenoot liep naar zijn heer met de woorden: ik geloof dat de heer Roorda onaangenaamheden [perkara] heeft met zijn opziener, want hij bromt zo kras in de badkamer.’ Later heeft Roorda verklaard (in een brief aan Multatuli van 13 maart 1882) dat de vloekzang gedicht werd onder de invloed van de Max Havelaar.

Roorda schreef dat men zijn vloekzang niet als opruiing moest zien, maar als een waarschuwing aan zijn landgenoten, opdat hen niet hetzelfde lot zou treffen als drie jaar tevoren de Engelsen. Roorda doelt hier op de ‘great mutiny’ die op een grootscheepse en afschuwelijke slachting onder de Engelsen, mannen, vrouwen en kinderen, was uitgelopen. De gebeurtenissen in Brits-Indië - over de ‘great mutiny’ bestaat een hele litteratuur - hingen als een teken aan de wand en hebben ook onder de Europese bevolking in Nederlands-Indië grote onrust veroorzaakt. Ook de Java-oorlog (1825-1830) lag nog betrekkelijk vers in het geheugen. Roorda moet daar eveneens aan hebben gedacht. Sentot, die hij sprekende invoert, was de bekendste en verbitterdste legeraanvoerder tijdens de opstand van Diponegoro.

Toen het Bataviaasch Handelsblad het gedicht weigerde, zond Roorda het aan zijn broer in Nederland, maar ook deze ried een publicatie af. Roorda heeft zich er toen bij neergelegd. Hij heeft het overigens nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij er de dichter van was, integendeel. Hij was er trots op en heeft het herhaaldelijk voorgedragen, en men mag wel aannemen met de bij zulke voordrachten passende gebaren en stemverheffingen, niet alleen in vriendenkring, maar ook op min of meer officiële bijeenkomsten waar de resident bij aanwezig was. Dat hij dit zo vrijelijk doen kon, wijst er alleen maar op dat zulke

[p. 160]

emotionele explosies - door de romantiek als deugd beschouwd - in die tijd mogelijk waren, zelfs bij een zo sterk autoritair geoordeeld bewind. De gedachte dat het weleens af kon lopen met het Nederlands koloniaal bewind leek in die tijd minder onwaarschijnlijk dan men nu denken zou. Ze is niet alleen door Roorda in het openbaar geuit, het onbehagen was zelfs vrij algemeen. Als men leest wat particulieren en ambtenaren in sommige dagbladen schreven en schrijven kónden, dan staat men verbaasd. Ze spraken een taal die ons nu als agitatie in de oren klinkt. De felle toon paste bij de romantiek; ze was gebruikelijk in de strijd tegen het cultuurstelsel die omstreeks de jaren zestig met grote heftigheid gevoerd werd, in en buiten de Kamer, in de eerste plaats door de liberale oppositie. Roorda behoorde wel tot de oppositie, maar niet tot de liberalen. Zijn denkbeelden gingen veel verder, maar de onstuimige wijze waarop hij polemiseerde en ageerde, baarde minder opzien dan men oppervlakkig zou vermoeden. Roorda is dan ook niet om deze ‘Vloekzang’ in 1864 uit Nederlands-Indië verbannen, maar op grond van enkele indiscreties in een brochure die hij bedoeld had als een hommage aan de resident Nieuwenhuizen. Hij was daarbij aan de porseleinkast gekomen van de Indische politiek: de positie van de vorsten in de zelfbesturende gebieden, speciaal in hun verhouding tot de Europese landhuurders. De manier waarop zijn verbanning tot stand kwam en de rol die verschillende hooggeplaatste personen daarbij gespeeld hebben, is - hoe men het ook beziet - weinig verheffend geweest.

Roorda vertrok naar Nederland, oneervol ontslagen, zonder pensioen. Hij werd door zijn zoon in Indië financieel gesteund en leefde verder van de schrijverij. In talrijke Nederlandse en Indische dag- en weekbladen vinden we artikelen van hem. Ook als hij ze niet ondertekent, herkent men Roorda aan zijn zeer persoonlijke schrijftrant die aan die van Multatuli doet denken, al is hij, naar zijn eigen zeggen, ‘ruwer bewerktuigd’.

In 1870 raakt hij met Multatuli in correspondentie. De vriendschap in brieven zal bijna tot het laatste toe voortduren. Multatuli sterft op 19 februari 1887; de laatste brief is van 22 augustus 1886. De meeste brieven zijn echter tussen 1870 en '75 geschreven. Daarna vallen er telkens hiaten die langer worden. Vooral Multatuli laat soms lang op antwoord wachten. Zijn weerzin van alle schrijverij blijkt hem vaak

[p. 161]

te machtig. ‘Die vervloekte pen’, schrijft hij eens. De toon van de brieven blijft vriendschappelijk, maar de stemming tegenover de buitenwereld wordt bitterder. Het zijn, vooral van de kant van Multatuli, vaak sombere brieven met klachten over miskenning en onbegrip, over ziek zijn en ouder worden en vooral over de nooit eindigende verplichting tot schrijven. In allerlei variaties lezen we - bij beiden trouwens -: ‘Ik moet weer broodschrijven. Dus voor ditmaal genoeg.’

De laatste jaren schuift zich ook een andere figuur tussen Roorda en Multatuli. Het is F. Domela Nieuwenhuis. Langzaam maar zeker zien we Roorda's sympathie groeien voor de door Multatuli verafschuwde socialisten. Roorda gaat in Recht voor Allen schrijven, met een verbazingwekkende energie. Uit de produktie van twee jaar heeft Domela Nieuwenhuis na Roorda's dood een boekje kunnen samenstellen van meer dan driehonderd bladzijden! In Recht voor Allen schreef Roorda ook de beruchte schandaalkroniek over het leven van Koning Willem iii die hij voortdurend ‘Koning Gorilla’ noemde. Het weinig geflatteerde portret dat Roorda van Willem iii maakte, blijkt overigens veel te lijken op het beeld dat uit het dagboek van de oud-minister van oorlog A.W.P. Weitzel naar voren komt en dat eerst in 1968 door Paul van 't Veer (gedeeltelijk) werd uitgegeven onder de titel Maar Majesteit... Domela Nieuwenhuis en Roorda van Eysinga kenden elkaar persoonlijk; ze hadden elkaar verschillende malen ontmoet. Domela Nieuwenhuis heeft zelfs na zijn gevangenschap enige tijd bij Roorda gelogeerd die toen al in Clarens (Zwitserland) woonde. Bij het overlijden van Roorda op 23 oktober 1887 schreef Domela Nieuwenhuis een necrologie van zijn vriend. Ook uit zijn gedenkschriften Van christen tot anarchist [1910] blijkt zijn sympathie voor Roorda. We leren hun beider verhouding ook kennen uit hun (ongepubliceerde) correspondentie. We kunnen niet zeggen dat Domela Nieuwenhuis in de plaats is getreden van Multatuli, maar Multatuli is toch niet meer de enige vriend. Merkwaardig is dat de correspondentie met Domela Nieuwenhuis ‘huiselijker’ is, minder over zaken en meningen gaat dan die met Multatuli, vooral nadat een zoon van Domela Nieuwenhuis in Clarens bij Roorda in huis is gekomen. In die correspondentie, of wat daarvan bewaard is gebleven, kunnen we ook voor het eerst enige kritiek beluisteren op Multatuli die zijn briefschrijvers vaak (ook Roorda heeft dit ondervonden) lange tijd zonder antwoord laat: ‘Clarens,

[p. 162]

4 januari 1887. [...] Multatuli is niet boos op u, geloof ik, tenzij het ware omdat ge in oktober niet bij hem gingt. Hij schrijft bijna nooit. Zeker vrij inconsequent in iemand die altijd klaagt over gemis aan weerklank. Zijn hooghartige advertentie is verklaarbaar. Genieën zijn meestal dictatoriaal. Ook hij werd bedorven door lof en geeft nu orakelspreuken. Hij vindt het een toppunt van staatsmanswijsheid zich onfeilbaar te verklaren (weinig rijmend met zijn schrijven: minimum aan staatsbemoeienis). Zijn karakter is minder groot dan zijn geest, maar wij kunnen het gerust aan de Droogstoppels overlaten dat te meten. Wij staan op zijn denkers-schouders en wij moeten niet ondankbaar zijn jegens het lot en eisen dat het ons nog een groter man gegeven had.’ Anderhalve maand later sterft Multatuli in Nieder-Ingelheim.