Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2. H.N. van der Tuukaant.

Ergens in zijn correspondentie met Multatuli schrijft Roorda dat hij voor een uitgever ‘hele vellen uit Van der Tuuks particuliere brieven’ heeft overgeschreven. Ze zijn echter nooit gepubliceerd en nú zijn de brieven van Van der Tuuk aan Roorda niet meer te achterhalen, helaas. Hij viel toen blijkbaar al op als een groot briefschrijver. Uit de weinige gegevens die we uit Van der Tuuks brieven aan anderen hebben, blijkt dat Roorda hem zelfs nader lag dan Multatuli.

Van der Tuuk (1824-1894) was geen letterkundige in die zin dat hij geen letterkundig genre beoefende. Hij heeft zelfs geen vloekzang nagelaten. We kennen alleen zijn gedrukte polemieken en zijn geschreven brieven. Litterator of niet, hij kon weergaloos goed schrijven, spottend, sissend en blazend. Hij las overigens ook veel, óók veel litteratuur. Na zijn dood vond men in zijn bamboehuis in Bali een uitgelezen bibliotheek met een complete Shakespeare, met alle werken van Breero en Starter en natuurlijk bezat Van der Tuuk alles wat Multatuli geschreven had. Multatuli, Roorda en hij leken soms wel familie van elkaar. Ze hadden veel met elkaar gemeen: hun afkeer van het christendom, hun afkeer van de Hollandse provincie, hun afkeer van alle bedaardheid. Ze waren alle drie lastige, rebellerende figuren, middelpuntvliedende krachten die van geen maat wisten, maar die als het

[p. 163]

erop aankwam, honnêtes hommes waren, omgekeerde moralisten.

Van der Tuuk was behalve een tegendraadse figuur een taalgeleerde die bij zijn leven reeds een legende was om zijn fabelachtige kennis en zonderlinge leefwijze. Hij kon grof en respectloos zijn als hij bezig was met het omgooien van heilige huisjes, met het choqueren van mensen en het bevechten van taboes; taboes die in de wetenschap werkzaam waren, in de maatschappij, in de moraal en bij het gebruik van de taal. Hij was tegen het dilettantisme van zijn vakgenoten, tegen het cultuurstelsel en het regeringsbeleid, tegen machtsusurpatie en huichelarij, tegen de oratorische stijl en tegen de christelijke moraal. Kind van zijn tijd is hij door de aard van zijn taboes, ‘tijdgenoot’ is hij voor ons om zijn levendige manier van schrijven, om zijn ‘humor van een haai’ en zijn stekende ironie, kortom om de directe en natuurlijke toon waarop hij zich tot ons richt en die om dezelfde reden ‘modern’ aandoet als bij Multatuli. Hij overtreft deze alleen nog enige malen in ongegeneerdheid. Had Multatuli naar zijn eigen zeggen, het (Europese) negligé nodig in plaats van de lubben die Buffon droeg, Van der Tuuk liep letterlijk en figuurlijk naakt rond als de Baliërs waartussen hij leefde, met niets dan een sarung om de lendenen.

Velen die Van der Tuuk gekend hebben, spreken over zijn ‘eigenaardig optreden’, vrijgevochten en ongemanierd, maar anderen - die hem het beste gekend hebben - prijzen zijn hulpvaardigheid en hartelijkheid, terwijl één van zijn vrienden op een onvermoede trek in hem wijst: zijn ‘zachte en eenvoudige manieren tegenover oudere en jongere vrouwen.’ Hij was volgens weer een ander getuigenis, een overgevoelig mens, soms tot tranen toe geroerd. Maar aan de buitenwereld toonde hij zijn ‘tweede gezicht’, zoals op de bekende foto die we van hem kennen. Hij kijkt ons daarop aan met zijn ‘zonderlinge varkensoogjes’; de chagrijnigheid en ergernis zijn zo van het gelaat af te lezen. Zijn ‘gevoeligheid’ breekt slechts een enkele keer door, maar dan getemperd door zijn ironie.

Er is nog een trek in Van der Tuuk die onmiskenbaar is en bij zijn karakterbeeld past: zijn neerslachtigheid die hem bij vlagen overviel. Ze duikt telkens in zijn brieven op in zijn studententijd (‘waarom deze avond mij zo gruwelijk aangrijpt, weet ik niet’), maar vooral in zijn Batakse jaren, na de bijna volledige crack up te Batavia in 1850. Zijn ‘onbeschrijflijke lusteloosheid’ kan hij alleen maar de baas worden door

[p. 164]

een ‘gedurige agitatie’. Misschien ligt hierin ook de verklaring van zijn agressiviteit, waarin we vooral later, ook de toon van de wanhoop kunnen horen.

Van der Tuuk werd in 1824 te Malaka geboren, toentertijd nog een Nederlandse kolonie. Zijn kinderjaren bracht hij in Surabaja door. Op zijn twaalfde of dertiende jaar werd hij naar Holland gezonden om daar naar school te gaan. Hij bezocht onder andere het gymnasium te Veendam en werd in 1840 - op zestienjarige leeftijd dus - in Groningen als student ingeschreven. Zijn vader had hem bestemd voor de juridische studie. Een ander examen dan zijn ‘propjes’ (in 1843) heeft Van der Tuuk echter nooit gedaan. Hoe langer hoe meer ging hij op de studie van de Oosterse talen over en verhuisde naar Leiden. Op voorspraak van twee van zijn hoogleraren kwam hij - wiens atheïstische overtuiging reeds uit zijn brieven uit die tijd blijkt - in dienst van het Bijbelgenootschap als ‘afgevaardigde voor de Bataklanden’. Daar heeft hij van 1851 tot 1857 gewoond. Van der Tuuk heeft het toen nog geheel onbekende Bataks toegankelijk gemaakt. Voor de kennis van de taal achtte hij het nodig vertrouwelijk met de Bataks om te gaan. Hij kwam daardoor achter veel mistoestanden die aan het bestuur verborgen bleven of waar dit geen oog voor had. Hij laat niet na felle kritiek uit te oefenen én op de politiek van de Regering én op die van het Bijbelgenootschap. Van der Tuuk heeft het taalprobleem nooit los gezien van het maatschappelijke en culturele leven. Van 1857 tot 1868 was hij in Nederland voor het uitwerken van zijn bouwstoffen. Hij begaf zich onmiddellijk in allerlei polemieken, onder andere met de toen zeer gezaghebbende prof. Taco Roorda van de Delftse Academie. Van der Tuuk heeft Roorda tot het einde toe vervolgd onder een motto dat hij bij zijn geliefde Shakespeare gevonden had: ‘Lay on Macduff and damned be him, that first cries: hold, enough!’ In deze zelfde jaren leerde hij ook Multatuli kennen. Hij stond bewonderend en kritisch tegenover hem. Hij bewonderde Multatuli's moed en onafhankelijkheid, hij dacht over veel hetzelfde als Multatuli, maar hij was te nuchter om Multatuli's profetische allure te kunnen verwerken: ‘Hij wil Jezus vervangen, maar een Jezus ii is in onze tijd teveel; aan No. i hebben we reeds meer dan genoeg.’ (Brief ongedateerd, doch geschreven in 1888.)

In 1868 ging Van der Tuuk weer naar Indië. Vanaf 1870 woonde hij

[p. 165]

in Bali, ergens in een kampong, als een Baliër levende tussen de Baliërs. Hij leerde de taal in bijzonder korte tijd en wel zó dat een van de vorsten zei: ‘er is op geheel Bali maar een man die de Balische taal kent en begrijpt en die man is Tuan Dertik (Mijnheer van der Tuuk).’ Van der Tuuk zette zich aan het samenstellen van een Kawi-Balinees woordenboek dat uitdijde tot een massaal werk, waar geen einde aan scheen te komen. Bijna dagelijks vloeiden hem nieuwe gegevens toe. Zijn woordenboek kwam nooit klaar (‘zulk een razernij verwekkende troep varianten; ben half gek van beroerdheid’, schreef hij in augustus 1888).

De laatste vier, vijf jaren van zijn leven was zijn werkkracht sterk verminderd. Als een zieke tijger had hij zich in zijn bamboehuis teruggetrokken, van tijd tot tijd grommend en zijn klauwen uitslaand naar al de spoken die hij om zich heen zag. Ook Multatuli moest het ontgelden, zelfs toen deze al overleden was: ‘Veel toch staat in zijn werken dat “unpalatable” is en geschreven is om een zeker aantal bladzijden te vullen en tevens zijn zak. Nu en dan lult hij zwaar’ (in een brief van begin 1888). En twee jaar later: ‘Multatuli is mij zeer tegengevallen. Zijn noten zijn het lezen niet waard en juist daarom heb ik op zijn dood gewacht.’ (Brief van 28 maart 1890.)

Van der Tuuk had met Multatuli overigens veel gemeen. In de eerste plaats dat hij schreef zoals hij was, al was hij anders. Zijn handschrift - in tegenstelling tot dat van Multatuli - was onbeschrijflijk slordig, zijn spelling bijzonder inconsequent en eigengereid, maar hun beider stijl is die van het gesproken woord. We horen Van der Tuuk evenals Multatuli - maar misschien nog méér dan Multatuli - voortdurend praten: opgewonden, woedend, wanhopig, bitter of neerslachtig. We kunnen zijn wisselende stemmingen op de voet volgen. Tussen hem en zijn taal staat geen enkele litteraire of sociale conventie; tussen hem zoals hij was en zoals hij schrijft, bestaat geen enkele afstand. We kunnen wat dit betreft zelfs zeggen dat Van der Tuuk verder is gegaan dan Multatuli, omdat hij de terughouding mist van de laatste, wiens vocabulaire toch altijd een zekere pudeur verraadt. Bij Van der Tuuk is daar geen sprake van; zijn woordkeuze is ongegeneerd - wonderlijk in een tijd van provincialisme en puritanisme - maar al met al de adequate uitdrukking van zijn persoonlijkheid en van zijn verachting voor de hypocriete moraal van een negentiende-eeuwse samenleving in een

[p. 166]

uithoek van Europa die Holland heette, dat ‘krentekakkerige land, waar ik me moet ergeren aan de slachtoffers van de jenever en de dominees.’ Hij zegende het daar niet te wonen, zei hij.

Van der Tuuk stierf in de nacht van de 16de op de 17de augustus 1894 in het Militair Hospitaal te Surabaja aan de gevolgen van dysentrie en verwaarlozing in Bali. Hij had daar alle ‘wissewasjes’ moeten achterlaten waar hij toch aan gehecht geraakt was: zijn honden, zijn kippen, zijn ezels. Ook zijn njai bleef achter. Een kleine honderd brieven zijn bewaard gebleven en duizenden velletjes met aantekeningen. Hij schreef eens aan de secretaris van het Nederlandsch Bijbelgenootschap dat zijn pen teveel gal uit de inkt had opgetrokken. Welnu, van gal vloeien zijn geschriften rijkelijk over.