Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. Alexander Cohenaant.

Alweer Multatuli die - hoewel veel later - aan het begin staat van een politieke en schrijversloopbaan. Hij levert niet alleen voer voor opstandigen, maar leert ook de pen los te besturen. We weten niet wat het belangrijkste is geweest. In het veel later, pas in 1932, verschenen eerste deel van zijn autobiografie In opstand, vertelt Alexander Cohen (1864-1963) in zijn onvergetelijke jeugdherinneringen hoe hij, als zijn vader hem het bidden gebiedt, ‘doet alsof’, door op het gebedenboek

[p. 170]

de Max Havelaar te leggen. Hij was toen zestien of zeventien. 6 september 1882, achttien jaar oud, vertrekt hij als koloniaal naar Indië met een gevoel van ‘enchantement’, zegt hijzelf, die de gehele reis voortduurt. ‘Vaarwel, vaderland!’ Aan deze vlucht uit het ouderlijk huis in Leeuwarden - want zo kan men zijn vertrek nog het beste karakteriseren - ging een sombere, vreugdeloze jeugd vooraf.

Zijn moeder stierf toen hij negen jaar was aan tbc - ‘tering’ noemde men het in die tijd - ‘een schone, stille, zachte en vriendelijke vrouw.’ Alexander Cohen herinnert zich haar alleen als een zieke. Het enige beeld dat hij van haar heeft, is dat op het doodsbed. In zijn leven is zij er nauwelijks geweest. Alleen zijn vader is er, een figuur waar hij tegenopbotst, een orthodoxe jood, ‘een harde man die vol systemen en beginselen zit.’ ‘Al de akeligheid, al de ellende thuis, is voortgevloeid uit zijn begrip, zijn wanbegrip van de opvoedkunde.’ Voor hem moeten de kinderen opgroeien tot nuttige leden in de maatschappij. Daarom ontneemt hij hun alle vrijheid, alle spelletjes, alle speelgoed en onthoudt hij hun zakgeld. Dit systeem heeft goed gewerkt bij Alexander Cohens broers. Ze zijn ‘doortrapt fatsoenlijk’ geworden, zegt hij. Maar hem heeft het gemaakt tot een ‘rebel en non-conformist’. Hij haat zijn vader en in zijn vader elk autoritair systeem. Hij wordt, is en blíjft - in de beeldspraak die hij zelf gebruikt - ‘een onhandelbaar wild dier dat tegen de tralies van zijn kooi opspringt, dat van zich afslaat en bijt.’ Straffen helpen niets; geen tuchtigingen, geen ‘zonder eten naar bed’, geen ‘roggebrood met water-dieet.’ Hij steelt wat hij niet krijgt, hij loopt weg, tweemaal zelfs, maar wordt teruggehaald. Het gaat hoe langer hoe meer hard tegen hard. Toch zijn er in zijn jeugd enkele lichtpunten, zoals de stemming op Seider-avond, maar het zijn vooral sommige mensen die hij met een ingehouden vertedering herdenkt: de gazan van de synagoge van Leeuwarden, die nooit nalaat hem over het hoofd te strijken als het zijn beurt is om kadosch te zeggen en van wie hij zich vooral de stem herinnert, ‘een wondere stem, die jubelt, klaagt of schreit, al naar de aard der dagen.’ En dan uit de Rotterdamse familie van zijn moeder: haar jongste zuster Tante Netje, ‘charmante, gracieuse Tante Netje!’ Ze is een ‘van geest sprankelende, in de grond melancholische, fantaske afgod’ die hem altijd in bescherming neemt. Hij is uiterst gevoelig voor een vriendelijke bejegening. Maar ook zij sterft jong, met een voorgevoel van haar vroege dood (uit een brief aan haar

[p. 171]

zuster: ‘Je zult nu nog tweemaal van mij horen: bij mijn bevalling en bij mijn dood’).

Cohens besluit om als ‘klonejaal’ naar Indië te gaan, vormt in de reeks gebeurtenissen een anti-climax. Geen enkel verzet, alleen maar instemming en een gevoel van opluchting. Als hij vertrekt denkt hij het verleden achter zich te hebben gelaten, maar het verleden achterhaalt hem overal. Zijn harde jeugd heeft hem voorgoed opstandig gemaakt, recalcitrant en agressief.

Aan boord naar ‘de(n) Oost’ gaat het nog redelijk goed en de eerste weken als soldaat-schrijver ook nog, maar dan wordt hij ernstig ziek. Eerst na maandenlange verpleging in het gezondheidsetablissement Sindanglaja geneest hij. Voordat hij de wildernis ingestuurd wordt (‘Midden in de wildernis? Des te beter! Hoe wilder, hoe woester het landschap, hoe liever ik het heb’), komt hij al in botsing met zijn superieuren. De eerste maanden op Sumatra, in Lahat, zijn overigens van een ‘lijdelijke zaligheid’, maar dan begint de lange reeks conflicten, voortkomend uit een volstrekt onbelangrijk incident over het salueren; ‘een gebeurtenisje,’ zegt hij zelf, ‘waarvan de gevolgen mij geleidelijkerwijs meeslepen in een kolkende maalstroom van onbehagelijke wederwaardigheden. Lotgevallen waarover ik mij niet beklaag, nog nooit beklaagd héb, en die ik ook niet betreur. Want voor alles hier beneden moet de prijs betaald worden. En welke prijs is te hoog voor de zeldzame kostbaarheden die zelfrespect en onafhankelijkheid van geest heten?’

De prijs is een strafregister, ‘zo zwart, als er maar weinig waren in het hele Oost-Indische leger.’ De krijgsraad te Palembang veroordeelt hem tot zes maanden, een jaar en nóg een jaar militaire detentie wegens driemaal gepleegde ‘insubordinatie door woorden.’ De laatste keer had hij de kapitein die stinkende soep en bedorven vlees ‘uitstekend’ had bevonden, toegeroepen: ‘Och, kerel, hoe kun jíj nog het eten proeven? Je hebt de jeneversmaak nog in je mond!’

Hij moet zijn straf van tweeëneenhalf jaar uitzitten in het bekende provoosthuis, het fort Pontjol te Semarang. Het regent straffen: cellulaire straffen, lijfstraffen als rotanslagen, het minste nog het slaan aan de kogel. Toch maakt hij vrienden. Hij herdenkt ze weer met dezelfde vertedering als waarmee hij de gazan uit zijn kinderjaren heeft herdacht. Ze zijn mensen en menselijk; ze zijn geen systeemdragers. Van

[p. 172]

een van hen krijgt hij bij diens vertrek uit Pontjol een exemplaar van de Max Havelaar!

Op 25 december 1886 was zijn straftijd om en wordt hij, omdat hij ‘volstrekt onhandelbaar’ is, als zogenaamd gepasporteerd militair naar Holland teruggezonden. Een bittere tijd is voorbij. Hij keert naar Leeuwarden terug, maar zijn vader zegt: ‘Het beste is maar dat je zo gauw mogelijk de deur uitgaat.’ In Amsterdam vindt hij een betrekking als corrector aan Recht voor Allen, het blad van Domela Nieuwenhuis die in de gevangenis zit, maar met wie hij kort daarop kennis maakt. Een paar weken later gebeurt het bekende incident op de Stationsweg in Den Haag als Koning Willem iii voorbijrijdt in een statiekoets en Cohen uitroept: ‘Weg met Gorilla, leve het socialisme, leve Domela Nieuwenhuis.’ Hij heeft het ongeluk dat een agent in burger naast hem staat. Of eigenlijk beschouwde hij het niet als een ongeluk. Het proces gaf hem gelegenheid, zegt hij, 1. meer bekendheid te geven aan het schotschrift Koning Gorilla van Roorda van Eysinga. 2. zowel de koning als de rechterlijke macht bespottelijk te maken. Zijn verdediging te vinden in Hop, hop, hop, hangt de socialisten op, 1967, blz. 192, werd een sarcastisch betoog dat grote bekendheid kreeg. Het werd integraal in Recht voor Allen opgenomen en fragmentarisch in allerlei dagbladen (‘O, heilige onnozelheid van het Gezag!’). Maar het kostte hem weer zes maanden gevangenisstraf!

Hij komt in de socialistische beweging terecht, bekeert zich tot het anarchisme, wordt later monarchist, maar blijft de ‘reactionair’, zoals hij zichzelf noemt, dat wil zeggen ‘in tegenactie van bijna alles.’ Op negenennegentig-jarige leeftijd sterft Alexander Cohen in Toulon onder vrij trieste omstandigheden. Vooral na de dood van zijn vrouw, in 1959, verlangde hij naar het einde, schreef hij aan een van zijn vrienden. Nog eenmaal, in 1905, heeft hij in opdracht van de Franse regering ter bestudering van de medische zorg voor de bevolking, een reis naar Indië gemaakt en daarbij Pontjol bezocht. Een verslag van die reis staat in Van anarchist tot monarchist, op blz. 184 e.v. Het rapport - uiteraard in het Frans geschreven - is in handschrift bewaard gebleven. Het zal te zijner tijd aan de collectie van het Letterkundig Museum worden toegevoegd.

Cohens autobiografie (In opstand, 1931 en Van anarchist tot monarchist, 1936) is uiterst boeiend. Hij schreef voortreffelijk, zonder gewichtig-

[p. 173]

heid, zonder franje, in een zó ongehinderd Nederlands, met zoveel humor, ironie en sarcasme, zó doeltreffend, dat zijn memoires als schoolvoorbeeld kunnen dienen voor alle memoireschrijvers - waarvan er zovelen vastlopen in zelfverheffing. Juist de ironie en de zelfspot blijken daar een uitstekend wapen tegen. Cohen gaf Van anarchist tot monarchist het volgende motto van Proudhon mee: ‘Ironie, vraie liberté, c'est toi qui me délivres de l'ambition de pouvoir, de la servitude des parties, du respect de la routine, du pédantisme de la science [...] et de l'adoration de moi-même.’ Vooral als men deze herinneringen van Cohen leest na die van Domela Nieuwenhuis (Van christen tot anarchist) realiseert men zich wat schrijven betekent en hoe superieur Cohen in dit opzicht is.

Dat Cohen Multatuli op jeugdige leeftijd heeft gelezen, weten we, dat Multatuli veel voor hem betekend heeft eveneens. In zijn Uitingen van een reactionnair schreef hij in enkele ‘Multatuli-souvenirs’: ‘L'homme libre die ik gebleven ben tot op deze dag, dankt aan Multatuli zijn ideologische vrijmaking.’ Hij vertaalde ook stukken uit Multatuli voor de Mercure de France toen hij weer voor de zoveelste keer in een gevangenis zat, maar als we over de directe invloed van Multatuli op zijn schrijfwijze willen gaan spreken, wordt het moeilijker. Hij zelf heeft er nooit iets over gezegd. Wel heeft hij eenmaal een vraagteken gezet bij de woorden van een recensent die vond dat hij met ‘Multatuliaanse allure’ schreef. In ieder geval had hij evenveel recht als Multatuli te zeggen: ‘mijn stijl, dat ben ik.’