Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 187]

VIII Tussen waarheid en verbeelding

1. ‘De Indische melkkoe’

In 1880 schreef Busken Huet: ‘Indië is ook in het litterarische een melkkoe.’ Niet in de staart, maar in het woordje ‘ook’ schuilt hier het venijn, want het is duidelijk dat hij zinspeelt op de zogenaamde ‘batig slot-politiek’ van de opeenvolgende regeringen die jaarlijks miljoenen aan Indië onttrokken en in de Nederlandse schatkist deden vloeien. ‘'t Moederland heeft geld van doen; met veel drukken moet het lukken, sap genoeg in de citroen,’ spotte een Indische anonymus in '75 of '76. Op dezelfde wijze, zo bedoelt Huet het te zeggen, werd ook Indië ten bate van de Nederlandse boekenproduktie geëxploiteerd. Er verscheen in die tijd een stroom van boeken over Indië, van herinneringen, schetsen, romans, biografieën, landbeschrijvingen en wat al niet meer. Deze stroom, die zich ook later zou voortzetten, kunnen we beschouwen als een soort nevenverschijnsel van hetgeen zowel in de Tweede Kamer als daarbuiten over de ‘Indische kwestie’ te berde werd gebracht. Er waren in Nederland in de loop van de negentiende eeuw vele geruchten overgewaaid over fabelachtige rijkdommen, maar ook over misbruiken en ‘lichtschuwe toestanden’ die eenvoudig prikkelend werkten op de lectuurbehoefte. Van Hoëvell had reeds in boek- en brochurevorm, maar vooral in zijn redevoeringen binnen en buiten de Kamer op allerlei feiten en toestanden gezinspeeld en deze zelfs gesignaleerd. De verschijning van de Max Havelaar en het rumoer daarna haalden het hek van de dam en vooral na 1860 doken telkens weer nieuwe schrijvers en schrijfsters op die zich opwierpen als ‘kenners van Indië’, louter op grond van de omstandigheid dat ze daar een paar jaren hadden doorgebracht. Ze voelden zich geroepen of ze lieten zich door een uitgever uitnodigen het Nederlandse publiek al dan niet

[p. 188]

‘op aangename wijze’ voor te lichten en dat ‘aangename’ betekende: in de vorm van bellettrie. Als onze kleinzonen eenmaal aan het catalogiseren slaan, zo ongeveer drukte Huet zich uit, zullen ze zich verbazen over het aantal letterkundigen dat aan het melken van die Indische melkkoe heeft meegedaan. Daarna noemt hij een reeks namen te beginnen met Van Hoëvell en eindigend bij G. Valette (Litterarische fantasien en kritieken, deel 25, blz. 183). Ook als men de tijdschriften in Nederland langsgaat, blijkt het aantal ‘Indische bijdragen’ opvallend groot. In maand- en weekbladen als De Gids, de Tijdspiegel, Nederland, De Nederlandsche Spectator en andere treft men geregeld zulke bijdragen aan, ook letterkundige, die men trouwens ook vindt in algemene, speciaal op Indië gerichte tijdschriften - die overigens telkens maar een kort bestaan hebben gehad - als Koloniale Jaarboeken, De Indische Mail, De Indische Opmerker, Insulinde, De Indische Tolk enzovoorts.

Indië werd in de negentiende eeuw duidelijk zichtbaar aan de horizon, maar men kon vanuit het moederland toch niet veel meer dan de contouren zien. Hoe het in werkelijkheid was wist men niet. Men hoorde erover, maar men kon zich er geen goede voorstelling van maken, noch van de natuur, noch van de mensen, noch van het leven daar. Indië was een vreemd land dat men misschien wel zou willen betreden ... maar alleen als het leven in het moederland geen uitzicht meer bood.

 
Vader al te vroeg gestorven
 
En geen mens die bijstand bood;
 
Onder vreemden rondgezworven,
 
Daar carrière, hier geen brood.

Dit staat in de Nederlandsch-Indische Muzen-almanak voor de jaren 1859 en 1860 (1859, blz. 109). Men wilde ‘zijn geluk beproeven’ zoals de uitdrukking steevast luidde, maar daarvóór had men behoefte aan inlichtingen. Hieraan is door de Indië-vaarders ruimschoots tegemoet gekomen.