Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 189]

2. F.C. Wilsenaant.

De oudste van al de schrijvers die Huet noemt, is F.C. Wilsen. Hij was een tijdgenoot van Ritter, Tollens, Van Deventer en die lange lijst van Indische lijsters. Wilsen werd in 1813 in Wenen geboren uit Hollandse ouders. Hij was een nabloeier. Zijn naam vinden we nergens in Warnasarie, Biäng-Lala of het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië of welk ander tijdschrift ook. Hij had toen kennelijk nog geen deel aan het litteraire leven, al heeft hij enige jaren (in 1846 en in 1853) in Batavia gewoond. Toch voerde hij ook toen al de pen, zoals dat heette, en schreef hij over oudheidkundige onderwerpen in het algemeen en speciaal over de Borobudur. Zijn studies werden gepubliceerd in het in 1853 opgerichte Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap en door hemzelf geillustreerd. Maar bellettrie was daar niet bij. Geen verhalen, geen romans of gedichten.

F.C. Wilsen was in 1842 als korporaal naar Indië gekomen en bij de topografische opneming tewerk gesteld aan de Westkust van Sumatra. Later werd hij naar Java overgeplaatst. In 1849 werd hem door Gouverneur-Generaal Rochussen, met een zekere Schönberg Müller als assistent, opgedragen tekeningen te maken van de basreliëfs van de Borobudur. Vier volle jaren zijn zij daarmee bezig geweest. Het resultaat waren bijna duizend tekeningen - waarvan verreweg het grootste deel door Wilsen zelf werd vervaardigd - en drie bundels beschrijvingen van de Borobudur. Op Wilsens werk is later door prof. Krom nogal wat kritiek uitgeoefend.

In 1868 ging Wilsen met ziekteverlof naar Nederland. Hijzelf schrijft dat hij vanaf zijn twintigste jaar een journaal heeft bijgehouden. Uit dit dagboek moet hij hebben geput voor zijn eerste, lijvige boek in briefvorm Lain dooeloe, lain sakarang (voorheen en thans), waarvan deel i nog in het eerste verlofjaar uitkwam; het tweede verscheen een jaar later, in 1869. Het had direct succes en werd in die tijd veel gelezen, veel genoemd en veel geciteerd, waarschijnlijk omdat het inhaakte op een actualiteit. Het verscheen namelijk op een voor Wilsen gelukkig tijdstip. Het cultuurstelsel stond op het punt te verdwijnen na een jarenlange, felle strijd tussen de beide grote partijen, de conservatieven en de liberalen. De publieke mening was dat het cultuurstelsel met zijn

[p. 190]

staatsexploitatie, met zijn verouderde bestuursmethoden, met zijn misbruiken en batig saldo zichzelf overleefd had. Wilsens boek paste volkomen in deze gedachtengang. Hij laat in het eerste deel het ‘oude Indië’ zien van 1840-1846 zoals het in de buitengewesten op de Westkust van Sumatra was in de tijd van Generaal Michiels en de jonge Douwes Dekker (die hij gekend heeft). Het tweede deel verplaatst ons naar Java (1846-1853). Java is meer ontwikkeld. Alleen dáár is in grote delen het cultuurstelsel ingevoerd en Wilsen laat zien hoe dit toen, omstreeks 1850, werkte. Ook hij zegt, evenals Multatuli, dat er overal geknoeid wordt door de Inlandse én Europese ambtenaren. Hij stelt twee soorten van bestuursambtenaren tegenover elkaar in twee figuren uit zijn boek, de beide oud-studievrienden Dirk Voortman (de progressief-denkende) en Pieter Blijfman (de conservatief-denkende) die - terwille van de discussie voor de lezer - met elkaar blijven corresponderen ondanks hun controversiële opinies. Er bestaat geen ogenblik twijfel over het standpunt van Wilsen zelf. Hij staat voluit aan de kant van Dirk Voortman met wie hij - en hij is de militaire topograaf Werner - in hartelijke correspondentie staat. Lain dooeloe, lain sakarang verscheen bij de firma R.C. Meyer, de uitgever van de eerste boeken van Multatuli na de Max Havelaar, de bekende vrijdenker R.C. d'Ablaing van Giessenburg. Dit zegt op zichzelf wel iets. We komen in Wilsens boek allerlei bekende figuren tegen, zoals de bekende Generaal Michiels (die Douwes Dekker in Padang zonder wachtgeld liet verpauperen en waar ook Wilsen moeilijkheden mee gehad heeft); de vechtjas en grote held, de bijna legendarische commandant uit de oorlog tegen de Padri's, Toontje Poland; de Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist (die er heel wat beter afkomt dan in de Max Havelaar) en enkele andere figuren die Wilsen achter pseudoniemen verbergt. We lezen ook Wilsens reactie op de Havelaar (die zeer curieus is), maar vóór alles vertelt hij over Indische toestanden ‘van vroeger’: over het leven in concubinaat, over ‘huwelijken buiten de wet’, over de prostitutie en de drankzucht onder alle lagen en rangen van Europeanen, over de positie van de Indo-Europese groep, over de zonderlingen die de Indische samenleving altijd opgeleverd heeft, over de geweldige rijkdommen bij de landhuurders in de Vorstenlanden, over hun leefwijze en over hun grootscheepse bacchanalen. De uitvoerige en gedetailleerde beschrijving hiervan in het tweede deel moet de

[p. 191]

Hollandse provincialen uit de negentiende eeuw hebben doen gnuiven en watertanden! Kortom, er is veel dat ertoe meegewerkt heeft dit boek bekendheid te verschaffen. Dit succes moet voor Wilsen - die toen al zesenvijftig was - een aanmoediging zijn geweest. Hij zou daarna nog veel schrijven: een aantal romans, of liever lange verhalen, zelfs zó lang dat ze in twee delen moesten verschijnen. We houden er een beeld van over van het toenmalige Indische leven dat allesbehalve geïdealiseerd is. Wilsen maakt soms de indruk van een roddelaar te zijn, maar hijzelf zou dit verwijt onmiddellijk op de samenleving hebben teruggekaatst. Wat hij geschreven heeft, zegt hij, is alleen maar waar. In Lain dooeloe, lain sakarang laat hij Werner een soort litterair credo uitspreken, waarmee hij zich duidelijk van de romantische school van Ritter en Tollens distancieert: ‘Mijn schetsen zijn expeditiën in het rijk der waarheid.’ En inderdaad, hij zoekt niet buiten de werkelijkheid, hij werkt niet met gefingeerde of geromantiseerde situaties, en als hij die indruk desondanks wekt, dan is dit alleen omdat hij niet in staat is de ‘waarheid’ geheel waar te maken. Wilsen voert zijn figuren op, hij leidt ze door de werkelijkheid heen en plaatst ze in situaties die de lezer een indruk moeten geven van Indische toestanden, maar daarbij kan hij niet nalaten zelf tussenbeide te komen (zoals Hildebrand dat ook doet) met aardigheden die in teveel woorden gewikkeld zijn en die men het liefst zou willen schrappen, evenals de zinnetjes waarin de lezer plotseling wordt toegesproken. Als buitenstaander in de litteratuur is hij, zodra hij schrijven gaat, niet vrij van de litteraire conventies van zijn tijd. Wat overblijft kan soms aardig zijn, want welke bezwaren we ook mogen hebben tegen Wilsens schrijfwijze, hij kan uitstekend observeren met een uitgesproken gevoel voor een bijzondere situatie. In één van zijn meest leesbare boeken, Uit de Koningin van het Oosten (1873), vertelt hij over het vrijgevochten leven van de ongetrouwde en getrouwde Europese jongelui in een stad als Batavia (‘De Koningin van het Oosten’). Eén van deze jongelui, Sander Clifford, merkt dat zijn jockey en staljongen niet ongevoelig is voor de aantrekkelijkheden van Sarinah, de dochter van de koetsier. Deze situatie doorkruist de plannen van Clifford, die overigens een relatie heeft met de vrouw van de rijke planter De la Motte. Hij maakt korte metten, neemt Sarinah op een nacht mee in een gesloten rijtuig, een zogenaamde palankijn, en brengt haar van Batavia naar Buitenzorg over. Als voor-

[p. 192]

beeld van de manier waarop Wilsen een gebeurtenis weet te vertellen, het volgende korte fragment: ‘Het is sedert vele jaren usance dat men te Batavia getrouwd zijnde, onmiddellijk een huwelijksreisje naar Buitenzorg gaat doen. We weten dat kortgeleden op zekere avond een reiswagen, komende van Batavia, langs de frikadellenbuurt [blok woningen voor onderofficieren] reed, begeleid wordende door de vrome wensen van twee officieren die juist naar de sociëteit gingen. De reiswagen was potdicht gesloten en reed zowat tegen middernacht voor het plein van het logement van Buitenzorg. Kort daarop verscheen een Javaanse opzichter en hoorde men een stem uit de wagen om een kamer vragen. Men had nog een paar kamers disponibel. Dat was goed. De wagen werd geopend, een heer stapte daaruit die aan de lopers enig drinkgeld gaf en zijn bagage naar de aangewezen kamer liet brengen. Toen dit geschied was, kwam, het aangezicht met een sjaal bedekt, een ranke vrouwelijke Javaanse gestalte tevoorschijn. Ze werd door een jonge man die met haar gekomen was, naar de voor hen bestemde kamer geleid. Kort daarop werden de paarden weggebracht, verdween de mandoer in zijn nederige woning, kraaide een van de voornaamste hanen uit het kippenhok van het herenlogement en vervolgden een paar verliefde katten hun concert op één van de daken van de buurman. - Gelukkige kerel, zei één van de officieren.’

Vergeleken bij W.L. Ritter bijvoorbeeld, schrijft Wilsen natuurlijker en ongedwongener en met meer plezier, naar het schijnt. Hij kritiseert wel, maar klaagt niet aan; hij oordeelt wel, maar amuseert zich tegelijk. Hij doet soms aan P.A. Daum denken (zie hoofdstuk over Daum) maar we zien pas wat hem ontbreekt, als we Daum lezen: mensenkennis. Waar Daum in slaagt, in het tot leven brengen van zijn figuren, daar schiet Wilsen tekort. Zijn kracht ligt vrijwel geheel in het anecdotische, in het vertellen van ‘geschiedenissen’.

Na zijn terugkomst uit Nederland is Wilsen blijven schrijven. Hij keerde niet meer naar Holland terug en ging na zijn pensionering in Semarang wonen waar hij in 1889 overleed.