Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

5. I. Gronemanaant.

Isaäc Groneman (1832-1912), eerst praktizerend arts in Bandung, Indramaju, Banjumas en Jogjakarta, later ook lijfarts van de sultan van Jogja, wordt door Ten Brink terloops genoemd en door Huet verzwegen. Toch schrijft hij niet minder dan Ten Brink zelf en niet minder dan Van Rees, Perelaer of Wilsen. Zijn boeken zijn alleen minder bekend geworden, om welke reden ook. Ook Groneman schreef over Indische huwelijken, over het concubinaat, over nonna's en sinjo's, over machtsmisbruik en het batig slot, over onrecht en rechtspraak, over de officiersstand en over het duelleren en natuurlijk over de onvermijdelijke Indische perkara's, kortom: over ‘Indische toestanden’. Maar hij bezag dezelfde dingen vanuit een ander gezichtspunt dan de

[p. 202]

gemiddelde lezer, hij verkondigde geen ‘algemene opvattingen’ zoals Van Rees, die altijd verzekerd kon zijn van de publieke instemming, zelfs als hij kritiseerde. Wat Groneman schreef, lokte tegenspraak uit, omdat hij allerlei taboes toetste aan zijn normen van de ‘redelijk ontwikkelde mens’.

In zijn schetsen voert Groneman zichzelf op onder de naam Si-Anoe (‘die ene’, ‘mijnheer zo-en-zo’). Hij is weliswaar niet dezelfde als Si-Anoe, zegt hij, maar deze is wel de drager van zijn denkbeelden - hetgeen op niet veel minder dan een naamsverwisseling uitkomt. Natuurlijk schrijft ook Groneman - en wat kan hij anders doen in zo'n kleine samenleving - dat hij alleen personen heeft geschetst die nooit bestaan hebben, maar het is duidelijk dat hij hierin niet consequent is geweest. In ieder geval heeft hij zijn figuren in een bestaande omgeving en herkenbare omstandigheden geplaatst. ‘En zo meen ik’, schrijft hij in ‘Een woord vooraf’ bij zijn Indische schetsen (1875), ‘waarheid en verdichting op een voldoende manier verbonden te hebben, om daarmee te kunnen zeggen wat ik te zeggen heb.’ In zijn werkwijze wijkt hij dus niet af van al de schrijvers die onder dit hoofdstuk bijeengebracht zijn.

Wij zijn Groneman in dit boek al eerder tegengekomen aan het sterfbed van Junghuhn. Hij was het ook die in het Gedenkboek Franz Junghuhn (1910) over Junghuhns laatste jaren schreef. Groneman leerde Junghuhn kennen in 1859 toen hij zich als arts in Bandung had gevestigd. Op 23 augustus van dat jaar noteert Groneman in zijn reisdagboek: ‘Twee mijner wensen heeft deze dag vervuld. Ik heb Junghuhn ontmoet - en ik bevind mij temidden der onweerswolken.’ Hij zou Junghuhn nog meermalen ontmoeten en zich nog meermalen temidden van onweerswolken bevinden. Ofschoon tussen beiden een groot leeftijdsverschil bestond, werd hij niet alleen Junghuhns huisarts, maar ook zijn vriend en vertrouweling die hij vaak in Lembang (boven Bandung) opzocht: ‘Daar heb ik hem leren kennen, hoogachten en liefhebben, daar heb ik hem bewonderd.’ Door Junghuhn leerde Groneman de Indische bergnatuur zien en als ‘geloofsgenoot’ beleven. Zijn eerste boek Bladen uit het dagboek van een Indisch geneesheer (1874) is een boek over bergen en bergtochten. In de beschrijvingen van de natuur en de natuurervaring doet Groneman voortdurend aan Junghuhn denken en wat deze met andere woorden gezegd heeft, zegt ook

[p. 203]

hij over de natuur als een schepping Gods: ‘... want de schepping getuigt van God; de Schepping is God. God is alles - en het heelal is God.’

Groneman was evenals Junghuhn een kind van de romantiek. Dit blijkt uit zijn hang naar het woeste, het grootse, naar het Alomvattende en het Eeuwige; uit zijn exaltatie, uit zijn neiging tot somberheid, uit zijn voorliefde voor muziek als de hoogste vorm van kunstgenot, in het bijzonder die van Beethoven (‘... luisteren we met innige sympathie naar die klagende tonen die de uiting zijn van het gemoedslijden van de grote, arme man.’). Zijn liefde voor één van de vrouwenfiguren uit zijn boeken, wordt gevoed door de overtuiging dat ze in stilte lijdt; zijn sympathie voor het ‘gewillige Soendanese volk’ is niet los te maken van zijn overtuiging dat ze onderdrukt wordt, dat ze armoede lijdt - en zijn woede richt zich op de onderdrukkers, de heren van het ‘Hollands dierbaar batig slot’. In Een noodkreet in dichtvorm van 1887 (‘niet in de handel’) roept hij uit: ‘Opdat hij eindelijk niet, door eindloos wee, / Door al te lang gedragen duldloos lijden, / Door knellende armoede, raadloosheid en wrevel, / Tot felle haat gespoord, / zijn keet'nen breke / En ons ermee verplettre.’ Romantisch is Gronemans voortdurende strijd met ‘dode conventies’, met wetten en met het recht. Eindeloos vooral is zijn discussie over de bestaande huwelijkswetten zoals die bij de Indische verhoudingen kan leiden tot schuldgevoelens bij de man, tot vernedering van de vrouw en tot verwaarlozing van de buitenechtelijke kinderen, die vaak als verworpelingen in de Indische maatschappij moeten leven. Groneman bepleit een vrijzinniger huwelijkswet die de scheiding gemakkelijker maakt en de polygynie toelaat, want ‘de natuur dwingt de man tot omgang met de vrouw, maar de natuur dwingt hem evenzeer een andere vrouw te nemen als de omgang met de eerste vrouw voor lange tijd of voorgoed onmogelijk wordt.’ De toon van verschillende uitlatingen als deze is zo persoonlijk en Groneman roert het onderwerp zo dikwijls aan, dat we aan eigen ervaringen gaan denken. Dit blijkt ook uit zijn laatste geschrift, Een nieuwe Indische schets (1911), een verkapte autobiografie die hij ruim een jaar voor zijn dood schreef en voor eigen kosten liet drukken. Er komt een heel familiedrama uit naar voren: een ongelukkig huwelijk met een overspannen en ziekelijke vrouw. Als zij ten slotte in 1875 met hun enig dochtertje - een zoontje is in Indië overleden - naar Holland vertrekt, neemt hij een Javaans meisje in huis volgens de

[p. 204]

modus vivendi van de Vorstenlandse adel. De sultan verleent hierbij zijn bemiddeling. Zij was een ‘tjangga’ dat wil zeggen een afstammelinge uit het vierde geslacht van de sultan, een veertienjarig meisje dat noch lezen noch schrijven kon.

In 1875 kwamen ook Gronemans eerste Indische schetsen uit in twee delen waarin hij met zoveel nadruk op de onzedelijke consequenties van de toenmalige huwelijksmoraal en -wetgeving wijst. Eerst na de dood van zijn vrouw in 1903, heeft hij haar die hij sinds jaren als zijn tweede vrouw heeft beschouwd, kunnen huwen. Het huwelijk werd, zelfs met inachtneming van het gebruikelijke rouwjaar, op 28 oktober 1904 te Jogjakarta voltrokken. Van toen af heette Raden Aju Kasiyan, Raden Aju Njonja Groneman.

Na zijn eerste Indische schetsen, kwam vier jaar later, in 1879, een nieuwe bundel uit, getiteld Waar en onwaar, eveneens in twee delen. Ze is te beschouwen als een voortzetting van de eerste bundel en biedt eigenlijk weinig nieuws. Curieus om de formulering van zijn geloofsovertuiging en zijn verhouding tot Junghuhn is het hoofdstuk ‘In en buiten de kerk’. Groneman vraagt zich af of de lezer dit hoofdstuk niet vervelend zal vinden. Het is moeilijk te zeggen hoe men het toen beoordeeld moet hebben; voor de lezer van vandaag biedt het te weinig aanknopingspunten om nog leesbaar te zijn.

Zijn beste bundels zijn de beide delen Vorstenlandsche toestanden (1883, 1887), waarvan het tweede deel de titel Een kètjoegeschiedenis draagt. Het zijn sombere schetsen van veel leed, vernedering en onrecht in een gemengde samenleving met zeer gecompliceerde menselijke verhoudingen. Ook hier weer hamert Groneman op hetzelfde aambeeld: de ontoereikendheid van de Nederlandse wetgeving die met de sociale werkelijkheid geen rekening houdt. Met Een kètjoegeschiedenis (een soort roof- en moordpartij) signaleert Groneman toestanden en gebeurtenissen in de Javaanse wereld die buiten het Nederlandse bestuur om gaan en waartegen dit ook niet bij machte is op te treden. Zijn kennis van de Javaanse huishouding blijkt zo groot, dat hij nauwelijks meer een buitenstaander genoemd kan worden. Door zijn huwelijk en zijn verbindingen met de kraton heeft hij een deel van de Javaanse leefvormen overgenomen, al blijkt hij nog altijd vast te zitten aan zijn familie: zijn enige dochter, zijn broers en zusters. Gronemans zenuwgestel was zeer labiel, vooral in zijn latere jaren. Het

[p. 205]

bekende socialistische kamerlid H.H. van Kol, die door heel Indië reisde, zocht hem in Jogja op. Hij trof een oud en ziekelijk man aan: arm, verguisd en achterdochtig. Op 2 december 1912 maakte Groneman een einde aan zijn leven. Na 1887 heeft hij - behalve zijn reeds eerder genoemde autobiografie - geen schetsen of ander litterair werk meer geleverd. Toch is hij bijzonder actief gebleven als arts, als archeoloog, als de schrijver van talrijke brochures, artikelen en ingezonden stukken, kortom van een onafzienbare lijst van geschriften. Werken en studeren, schreef hij zelf, was voor hem de enige manier om zichzelf mentaal overeind te houden.