Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

8. C. van Nieveltaant.

Carel van Nievelt (1843-1913) die behalve onder zijn eigen naam, onder verschillende schuilnamen schreef als Gabriël, Ypsilon, J. den Oude enzovoorts werd door de Tachtigers verguisd en bespottelijk gemaakt. Hij op zijn beurt maakte de Tachtiger woordkunst belachelijk (‘een bajert van ongelooflijke woordfabrikaten en woordkoppelingen, tweelingwoorden, drielingwoorden, woorden als kalveren met twee hoofden en zeven poten, woord-monstruositeiten, genoeg voor een

[p. 210]

gans museum op sterk water - en dat alles zonder een sprankeltje van lach of humor’). Ze hoorden inderdaad niet bij elkaar, de Tachtigers en hij. Daarvoor was Nievelt te ‘ouderwets’, te patetisch, te gezwollen en soms ook te sentimenteel. Hij hoort bij een andere generatie. Maar men kan zijn werk niet op één grote hoop gooien met dat van alle minuscule talentjes waartegen de Tachtigers zich weleens al te gemakkelijk hebben afgezet. Zijn werk mist het kleine en bedompte van zoveel wat in die tijd in Holland voor litteratuur moest doorgaan.

Ook Van Nievelt beweegt zich tussen waarheid en verbeelding, maar bij hem valt de nadruk op de verbeelding die zich soms van de werkelijkheid losmaakt en zich zelfstandig beweegt. Toch is zijn proza minder ‘bevleugeld’ (zoals een criticus het noemde) dan gezwollen. Maar het heeft iets persoonlijks. Hij schrijft vaak met zo'n heftigheid dat de ontroering of opwinding - precies zoals we ertegenover staan - dwars door zijn inderdaad ‘verouderd proza’ heenbreekt. Hij was een romantische persoonlijkheid die naar zijn eigen zeggen weleens de neiging vertoonde aan het hollen te slaan. Een criticus gebruikte het beeld van een briesend paard. Misschien zou hij het zelf ook hebben gebruikt. In een kennelijk auto-biografische roman, in ieder geval een roman met onmiskenbaar auto-biografische gegevens, Herman Wolsinck, een levensverhaal (1889), heeft de ik-figuur een sterk sensuele inslag (‘als een verterend vuur’) die hem veel leed heeft bezorgd, maar die bij hem nooit een gevoel van schaamte heeft gewekt, omdat zijn moraal niet de maatschappelijke moraal is. Genot is deugd, ook lichamelijk genot. Zo beschrijft hij het zinnelijke genieten bij het zwemmen ‘onder een tropische middagzon’, een fragment dat in die tijd door pastoor Jonckbloet (dezelfde die tegen Multatuli schreef) ‘gedrochtelijke stilering’ werd genoemd: ‘Met forse slagen doorklief ik de stroom wier vlugge rimpeltjes mij tegemoet- en voorbijsnellen, wonderbaar zoet ruisend en lispelend, zo vlak aan mijn oor. Nu eens roei ik statig op en bied aan de golfjes de opgezette borst waartegen zij komen aanklotsen als tegen de plompe steven van een Spaanse galjoot; dan weer wend ik mij opzij en zwem, de uitgestrekte arm voorwaarts houdend, met snelle stoten voort, gelijk een ramtorenschip van de Nederlandse marine. En als ik moe begin te worden, laat ik mij luiweg omrollen op de rug en rust ik uit. [...] Ik drijf. Een geringe beweging met de aan het lijf gesloten handen is genoeg om mijn li-

[p. 211]

chaam horizontaal in evenwicht te doen blijven. Zo zacht rust geen prins op het kostbare eierdons, zo wulps wiegt geen divan de Grote Turk, als dit veerkrachtige vocht dat al mijn leden draagt en opheft en koelend omstuwt. Als ik de ogen sluit, zou ik kunnen slapen, maar vreemder, fijner genot kan ik smaken dan slaap. [...] Ik staak de lichte vinslagen van mijn handen; mijn benen beginnen te zinken.’

Van Nievelt werd te Rotterdam geboren waar zijn vader een boekwinkel had. Zijn moeder heeft hij nooit gekend; ze stierf toen hij nog heel jong was. Hij studeerde aan de bestuursacademie te Delft en vertrok na zijn studietijd naar Java als burgerlijk ambtenaar. Hij was toen drieëntwintig. Aan boord, in Straat Soenda, als het einde van de reis in zicht is, neemt hij afscheid van Nonna Flora, een ‘bruin meisje uit Menangkabau’ dat voor haar opvoeding in Holland is geweest en hij prijst het in haar dat de koude mist van het Noorden haar warme bloed niet tot ijs heeft gemaakt. Zijn eerste kennismaking met de Indische natuur heeft hij beschreven in een langer verhaal ‘De Slamat’ in de bundel Ontboezemingen (1869).

Lang schijnt Van Nievelt niet in Indië te zijn geweest, waarschijnlijk niet meer dan enkele jaren. Na nog een tijd in Londen te hebben gewoond, keerde hij naar Holland terug. In 1869 verbond hij zich aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Omstreeks 1890 woonde hij in een Hollands dorp op een buitengoed. Hij was toen gehuwd en had één dochter. Hoe kort Van Nievelt ook in Indië geweest is, Indië komt toch telkens in zijn boeken voor. Waarom is hij zo spoedig teruggegaan? Omdat hij ziek werd. Maar hij was óók niet erg geconformeerd aan de Europese samenleving. Hij had andere denkbeelden over de verhouding tot de bevolking en hij dacht anders dan de meesten over de politiek van de regering en zelfs over het recht van kolonisatie. Dat blijkt onder meer uit een verhaal ‘Onder de palmen’ in een bundel van 1875, Fragmenten, winter- en zomerbeelden: ‘Arm, miskend, nederig volk, word wakker, word sterk. Zweer af uw lome gedweeheid, uw matte berusting in een toestand die uw miljoenen niet langer behoeven te dulden dan hunzelf lust.’ Dat moet in die tijd in Indië als ‘agitatie’ hebben geklonken! Maar nog verder gaat eigenlijk het satirisch verhaal ‘In den schommelstoel’ dat in 1879 in De Indische Gids (deel i, blz. 119 e.v.) verscheen (later opgenomen in de bundel Chiaroscuro, 1882) met als ondertitel ‘Een Indisch oudejaarsavondstukje’. Van Nievelt intro-

[p. 212]

duceert een zekere mr. Justus Dadelboom, een ambtenaar aan de Secretarie, in zijn woning aan de Berendrechtslaan (een bestaande laan te Batavia). Hij heeft voor de oudejaarsviering een aantal vrienden op bezoek. Het wordt een lawaaierige viering van jongelui onder elkaar. De politieke frases die ze in hun dronkenschap ventileren - in scherpe tegenstelling tot hun laatdunkend gedrag tegenover de bedienden - worden door Van Nievelt geridiculiseerd. Na afloop van het feest gaat mr. Dadelboom rustig in een schommelstoel zitten om te bekomen van de wijn en te genieten van de koelte. Hij is soezerig en misschien droomt hij wel als naast hem de oude heer Sylvester komt zitten, ook in een schommelstoel. Ze gaan over de Indische politiek praten en dan zegt Sylvester sprekende over de Java-oorlog: ‘Wederom triomfeerde een handjevol geweldenaars die vochten om gewin, over een volk dat kampte om vrijheid.’ En hij eindigt met: ‘Het zal een schone dag zijn voor Nederland wanneer het zal kunnen heenwijzen naar een bloeiend rijk in het Verre Oosten, en verklaren: “Daar ligt mijn werk, mijn bezittingen niet langer, maar mijn stichting. Mijn schuld is verzoend. Finis, finis, finis Coloniae!”’ Een nogal afwijkend standpunt, zoals men ziet. En niet alleen voor 1880.