Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

9. G.J.P. Valetteaant.

G.J.P. Valette (1853-1922) schreef als G. Valette verschillende ‘Indische schetsen’, waarvan er een aantal gebundeld werd onder de titel Baren en oudgasten (1880). Het boek is in zijn tijd zeer bekend geworden; het wordt tenminste telkens in de litteratuur genoemd. Blijkbaar voldeed het aan de behoefte aan informatie over Indië in een vorm die zich ‘aangenaam liet lezen’. De recensent in De Indische Gids van 1881 (deel ii, blz. 130-133) schreef tenminste: ‘De schetsen van de Hr. Valette zullen inderdaad m.i. de kennis van Indische toestanden helpen bevorderen, omdat dergelijke litteratuur meer kans heeft van algemeen gelezen te worden dan de in deftige toon gestelde bijdragen van speciale tijdschriften.’ Zoals hij moeten de meeste lezers Valette beoordeeld hebben: om het gehalte van zijn informatie en het streven dit ‘breder bekendheid’ te geven. Tot diep in de tweede helft van de negentiende eeuw heeft het nuttigheidsprincipe van de Verlichting blijkbaar nog

[p. 213]

doorgewerkt. Maar Valette zelf heeft nergens-zoals bijvoorbeeld Jan ten Brink - geschreven dat het zijn bedoeling was de lezer te informeren over Indische toestanden. Hijzelf behoorde tot een nieuwere generatie voor wie de nadruk niet op de informatie, maar op het litteraire genre lag. In zijn ‘Woord vooraf’ noemt hij zijn verhalen ‘bladen uit een schetsboek’, waarin hij Indische figuren en taferelen, ‘in losse omtrekken heeft nagetekend’, zegt hij, en ‘vluchtig getint’; hij wilde een tekenaar met de pen zijn, zoals de Franse realisten dat waren. Hij was een aanhanger van de ‘nieuwe school’, dat is duidelijk; niet alleen omdat hij Zola en Balzac met instemming citeert, maar omdat hij zich verzet tegen alle idealisering, tegen onwaarheid en onwerkelijkheid. Hij richt zich vooral tegen de geromantiseerde kijk op Indië.

Valette was een man met letterkundige aspiraties die zich half-journalist, half-schrijver voelde en die bestuursambtenaar was. Waar Valette en zijn vrouw kwamen, werd het gezelschapsleven gestimuleerd en georganiseerd en het duurde nooit lang of mevrouw Valette werd het middelpunt van alle recreatieve en artistieke activiteiten. Ze kwam uit een bekend nest. Ze was de oudste zuster van Louis Couperus, Trudy, die de naam had bijzonder geestig te zijn. Toen Couperus en zijn vrouw in 1899 een reis door Java maakten, logeerden zij de langste tijd bij de Valettes, eerst in Tegal, later in Pasuruan, maanden zelfs. Louis Couperus en zijn tien jaar oudere zwager moeten het bijzonder met elkaar getroffen hebben. Ze hadden een gemeenschappelijke litteraire en historische belangstelling, in het bijzonder voor de renaissance. Er waren in ieder geval genoeg aanknopingspunten voor een uitstekende verhouding. In het residentshuis in Pasuruan werd De stille kracht geschreven en als we ons verwonderen over Couperus' grote kennis van de bestuursverhoudingen, dan verwijst hij ons zelf naar Valette. Valette moet zijn zwager geholpen hebben toen deze De stille kracht ging schrijven. Niet alleen heeft hij hem het bekende geval van ‘stille kracht’ aan de hand gedaan, hij hielp Couperus ook met het tekenen van de hoofdfiguur, de resident Van Oudijck. Zo heeft deze van Couperus allerlei eigenschappen meegekregen die Valette als grote deugden voor elke bestuursambtenaar zag, precies zoals hij ze later formuleren zou bij de herdenking van de resident A. Pruys van der Hoeven.

Gérard Johannes Petrus Valette werd in 1853 in Semarang geboren. Zijn portret als jongeman toont hem als een ‘Indische jongen’. Hij

[p. 214]

werd ook in Indië grootgebracht. Na van zijn moeder huisonderwijs te hebben genoten, ging hij naar het bekende Gymnasium Willem iii te Batavia. Herinneringen aan deze tijd vinden we in Baren en oudgasten, in het eerste verhaal. Na zijn eindexamen werd hij naar Holland gezonden. Het sprak bijna vanzelf dat hij aan de bestuursacademie te Delft ging studeren. Zijn vader was bestuursambtenaar geweest en ook zijn jongere broer zou het worden. In Delft raakte hij bevriend met John Ricus Couperus, een ruim tien jaar oudere broer van Louis. Vermoedelijk kwam hij door zijn vriendschap met John Ricus bij de familie Couperus thuis en leerde hij daar zijn latere vrouw kennen. Tijdens zijn ziekteverlof van 1879 tot 1882 maakte Valette kennis met Multatuli. Hij behoorde tot de grote groep jongeren, waaronder veel bestuursambtenaren, die onder invloed van Multatuli kwam. Multatuli bleef voor hem zijn leven lang de Meester, al mocht hij hem vertrouwelijk ‘Dek’ noemen. Hij vertegenwoordigt voor Valette samen met de reeds genoemde Pruys van der Hoeven, de ideale bestuursambtenaar die opkomt voor de belangen van het volk. In 1910 schreef hij zijn herinneringen aan Multatuli. Ze verschenen in De Gids van 1910 onder de titel ‘Dek’. Na zoveel eigen bestuurservaring vindt hij ook dat Douwes Dekker in Lebak onberaden en verkeerd is opgetreden en beleidsfouten heeft gemaakt, maar de toon waarop hij over Multatuli schrijft, verraadt zijn onverzwakte eerbied voor de veel oudere vriend van zijn jeugd. Ook Valette's stijl doet soms aan die van Multatuli denken; hij schrijft in ieder geval veel meer met een losse hand dan zijn tijdgenoten. Vooral in zijn kritieken en journalistieke stukjes komt dit tot uiting. Tijdens zijn ziekteverlof in Holland schreef hij voor Het Nieuws van den Dag zijn ‘reporter-praatjes’, waarvan er enkele onder de titel Uit Den Haag (1882) als een miniboekje herdrukt werden. Er is maar één stuk(je) bij dat iets met Indië van doen heeft, maar het is wel één van de aardigste stukjes.

Na zijn terugkeer in Indië maakte Valette snel carrière. Waarschijnlijk werd hij toen geabsorbeerd door zijn bestuurswerk en kon de litterator zich alleen nog maar uitleven in zijn befaamd geworden dienstrapporten of soms in kleinere stukjes in Indische dagbladen of in De Nederlandsche Spectator. In dit tijdschrift dat in die tijd voor atheïstisch en revolutionair doorging, schreef Valette onder de schuilnaam Paul Ekhard.

[p. 215]

In 1907 gaat hij met pensioen en vestigt zich in Den Haag. Als in 1912 het Koloniaal Tijdschrift wordt opgericht, verplaatst hij zijn activiteiten hierin. In elke jaargang vinden we bijdragen van Valette. Paul Ekhard herleeft in de ‘Blocknotes van een oudgast’, waarin vele herinneringen uit zijn bestuursloopbaan staan. Men leest ze omdat ze goed geschreven zijn, maar ze zijn óók van belang voor de kennis van het machtige B(innenlands) B(estuur). Als ‘Tertius’ verzorgde hij bovendien een vaste rubriek, waarin allerlei Indische activiteiten werden becommentarieerd, vaak met de spot die hem nooit verlaten zou. Maar het is een milde spot geworden. De oudere Valette wordt gekenmerkt door wat hij zelf eens bij de herdenking van een collega schreef: ‘the milk of human kindness’.