Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 216]

IX Romantiek in sarung kabaja

1. Het damescompartimentaant.

Met mevrouw M.C. Vanger-Frank (schrijvende onder haar meisjesnaam M.C. Frank) betreden wij het damescompartiment van de Indische letterkunde. Zij is de oudste, geboren in 1838; op haar volgt met één jaar verschil Mina Krüseman; daarna komen de jongere zusters Annie Foore (1847) en Melati van Java (1853) en ten slotte de jongste, Thérèse Hoven (1860). Ze waren allen op hun tijd wat opgewonden, wat dweperig en hooggestemd, maar soms ook een beetje of zelfs erg agressief, want ze hadden hun plaats als vrouw te verdedigen zodra ze buiten hun compartiment kwamen. Alleen door te schrijven en te publiceren stonden ze als vrouwen onder verdenking van maatschappelijke vrijbuiterij en losbandigheid. Melati van Java vertelt hoe diep ze zich schaamde toen haar eerste boek Mathilde uitkwam. Schrijvende dames werden met de vinger nagewezen, openlijk en achter hun rug om uitgelachen, maar ook wel bewonderd om haar moed, zij het meestal in stilte. Men kan zich hun optreden niet indenken zonder de emancipatie van de vrouw die zich in deze jaren ook in de breedte ontwikkelde en een grote specifieke lectuurbehoefte schiep. Ze hebben allen door te schrijven bijgedragen tot de ‘opheffing van de vrouw’; ze brachten grote onderontwikkelde delen van ons volk tot lezen en tot bezinning op hun eigen positie en eigen problematiek. Men moet de litterair-sociale betekenis van deze eerste damesschrijfsters niet gering schatten. Ze hebben eerst in een behoefte voorzien en toen een markt geschapen - kúnnen scheppen - juist misschien doordat ze meer aan lectuur dan aan litteratuur deden. Ze hebben een produktiviteit ontwikkeld en een publiciteit gekregen die menig mannelijk collega haar benijd zal hebben. Dank zij de tijdschriftredacties en uitgevers konden

[p. 217]

ze langzamerhand een sterke positie opbouwen die ze tot in de twintigste eeuw wisten te handhaven. Eerst na de emancipatie van de vrouw van lectuur tot litteratuur, raakten ze op de achtergrond en gleden ze ongemerkt het verleden in. Toch zijn zelfs nu nog enkele van hun namen en sommige titels van hun boeken bekende klanken die een vage herinnering oproepen - al worden hun boeken nooit meer gelezen. Sommigen zijn oud geworden als Mina Krüseman, Melati van Java en Thérèse Hoven. Van hen kunnen we zeggen dat hun leven ‘tussen twee stilten luid is geweest’. Ze hebben in hun jonge jaren verguizing moeten trotseren en later, oud geworden, eenzaamheid moeten leren verdragen. Uit hun werkzaamheid ‘daartussen’ moeten zij een gevoel van voldoening hebben geput.

Hun levenspad als schrijfster is niet over rozen gegaan. Ze hebben het allen zonder uitzondering moeilijk gehad en ze hebben hun moeilijkheden elk op hun eigen wijze moeten verwerken: in gelatenheid, in boosheid en zelfs in blijmoedigheid.