verschillende drukken beleefde) De jonkvrouwe van Groenerode, kon hij even weinig goeds zeggen als Ten Brink er alles goeds van zei. Huet vatte zijn oordeel aldus samen: ‘Maar zolang een roman zonder vernuft, zonder hartstocht, zonder mensenkennis en zonder stijl mislukt moet heten, zal De jonkvrouwe van Groenerode een vergissing blijven.’ Het was ongelukkig voor Melati van Java dat zijzelf juist met deze roman, geschreven kort na de dood van haar moeder, het begin zag van haar ware schrijverschap: ‘Wat ik vóór de dood van mijn moeder schreef, was eigenlijk niets anders dan het onbewust verwerkte uit de herinneringen die ik had van mijn dagelijkse lectuur. Toen het verdriet in mijn ziel was geboren, een zéér groot verdriet, was het alsof de hele wereld en de mensen eensklaps waren veranderd.’ In deze gemoedsstemming, vervolgde ze, werd De jonkvrouwe van Groenerode geboren.
We moeten Melati van Java overigens nageven dat ze zich weinig heeft aangetrokken van het oordeel van de gevreesde Huet en op gezag van Ten Brink haar eigen weg is blijven volgen, want wat ze daarna geschreven heeft aan romans en novellen als Dorenzathe, Miss Campbell, Hermelijn, De familie van den resident en talrijke andere - al dan niet ondergebracht in de vele bundels Romantische werken - is volgens eenzelfde procédé geschreven, in eenzelfde stijl, in eenzelfde toon, in eenzelfde geest, die naar de woorden van Ten Brink ‘eenvoud, bescheidenheid en zachtheid’ ademen. Melati van Java mocht dan in werkelijkheid niet zo'n lief wit poesje zijn als Huet meende, haar bescheidenheid, haar zachtheid enzovoorts zijn kenmerkend voor haar, maar ze zijn te alledaags. Als we naar woorden zoeken om uit te drukken wat Melati van Java als schrijfster ontbrak, komen we weer bij Huet uit, wiens tong voor zijn tijdgenoten te scherp was, maar die achteraf voor een andere generatie afdoende zijn bezwaren tegen dit soort litteratuur heeft kunnen formuleren. Hij deed dit alleen door de inhoud te vertellen: ‘Met behulp van velerlei vliegwerk fatsoeneert Melati een Gelders romanheld die door de gehele wereld, met zijn familie aan de spits, als een snode moordenaar en dief bejegend, maar door freule Eugénie van Groenerode weldra voor het slachtoffer van een noodlottig misverstand, en daarbij voor een van Gods edelste schepselen erkend wordt. De geroutineerde romanlezer begrijpt aanstonds welk een uitgebreid terrein de schrijfster op die wijze voor de door haar beraamde campagne vinden moest. De gewaande struikrover Wolfgang leidt het