Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

5. Melati van Javaaant.

Dr. Jan ten Brink noemde het werk van Melati van Java (1853-1927) ‘geurig en rein als de lieve tropische bloemen wier naam zij op het titelblad schreef.’ Busken Huet dacht bij dezelfde metamorfose van Nicolina Maria Christine Sloot in een melati aan iets anders: ‘aan een wit poesje, aan een lief meisje en aan een waskom.’ Dit verschil in toon tussen de galante en hoffelijke protecteur van vele damesschrijfsters en de desnoods onhoffelijke verdediger van talent en persoonlijkheid, is evident. Toch wilde ook Huet aan Melati van Java niet een ‘zekere mate van talent’ ontzeggen; hij vond zelfs haar debuut met twee korte schetsen niet onverdienstelijk, maar van haar eerste grote roman (die

[p. 231]

verschillende drukken beleefde) De jonkvrouwe van Groenerode, kon hij even weinig goeds zeggen als Ten Brink er alles goeds van zei. Huet vatte zijn oordeel aldus samen: ‘Maar zolang een roman zonder vernuft, zonder hartstocht, zonder mensenkennis en zonder stijl mislukt moet heten, zal De jonkvrouwe van Groenerode een vergissing blijven.’ Het was ongelukkig voor Melati van Java dat zijzelf juist met deze roman, geschreven kort na de dood van haar moeder, het begin zag van haar ware schrijverschap: ‘Wat ik vóór de dood van mijn moeder schreef, was eigenlijk niets anders dan het onbewust verwerkte uit de herinneringen die ik had van mijn dagelijkse lectuur. Toen het verdriet in mijn ziel was geboren, een zéér groot verdriet, was het alsof de hele wereld en de mensen eensklaps waren veranderd.’ In deze gemoedsstemming, vervolgde ze, werd De jonkvrouwe van Groenerode geboren.

We moeten Melati van Java overigens nageven dat ze zich weinig heeft aangetrokken van het oordeel van de gevreesde Huet en op gezag van Ten Brink haar eigen weg is blijven volgen, want wat ze daarna geschreven heeft aan romans en novellen als Dorenzathe, Miss Campbell, Hermelijn, De familie van den resident en talrijke andere - al dan niet ondergebracht in de vele bundels Romantische werken - is volgens eenzelfde procédé geschreven, in eenzelfde stijl, in eenzelfde toon, in eenzelfde geest, die naar de woorden van Ten Brink ‘eenvoud, bescheidenheid en zachtheid’ ademen. Melati van Java mocht dan in werkelijkheid niet zo'n lief wit poesje zijn als Huet meende, haar bescheidenheid, haar zachtheid enzovoorts zijn kenmerkend voor haar, maar ze zijn te alledaags. Als we naar woorden zoeken om uit te drukken wat Melati van Java als schrijfster ontbrak, komen we weer bij Huet uit, wiens tong voor zijn tijdgenoten te scherp was, maar die achteraf voor een andere generatie afdoende zijn bezwaren tegen dit soort litteratuur heeft kunnen formuleren. Hij deed dit alleen door de inhoud te vertellen: ‘Met behulp van velerlei vliegwerk fatsoeneert Melati een Gelders romanheld die door de gehele wereld, met zijn familie aan de spits, als een snode moordenaar en dief bejegend, maar door freule Eugénie van Groenerode weldra voor het slachtoffer van een noodlottig misverstand, en daarbij voor een van Gods edelste schepselen erkend wordt. De geroutineerde romanlezer begrijpt aanstonds welk een uitgebreid terrein de schrijfster op die wijze voor de door haar beraamde campagne vinden moest. De gewaande struikrover Wolfgang leidt het

[p. 232]

leven van een paria, doet een paar reizen om de wereld en vertoont uitwendig (door zijn afzondering, door zijn onafhankelijk fortuin, zijn kunstzin, zijn ringbaard, zijn donkere oogopslag en de groef in zijn voorhoofd) zulk een belangwekkend wezen dat elk onbevooroordeeld meisje hetwelk met hem in aanraking komt, zich noodzakelijk op hem verlieven moet. [...] Langzamerhand ontdekt zij het geheim van Wolfgangs somberheid en hoe meer hij het zijn plicht gaat achten haar te ontlopen ten einde haar voor de op hem rustende vloek te bewaren, des te krachtiger ontwaakt bij haar de lust om voor de diep ongelukkige jongen een levensgezellin te worden. Vandaar een wedren tussen die twee welke in Nederland aanvangt, op Java wordt voortgezet en na vele hindernissen tant bien que mal in Nederland terechtkomt. Eerst arm en afhankelijk, daarna rijk en meesteres van haar daden, laat Eugénie geen voegzaam en met de jonkvrouwelijke kiesheid bestaanbaar middel onbeproefd, Wolfgang zijns ondanks gelukkig te maken. En in zover beleeft ze tenslotte genoegen aan haar standvastigheid, dat na een kortstondig en teringachtig huwelijk met haar, Wolfgangs onschuld door zijn bloedverwanten erkend en hij in zijn eer hersteld wordt.’ Zij is niet in staat, zegt Huet, haar karakters tot leven te wekken: ‘Dodelijk voor de belangstelling van de lezer in het algemeen is het dat bij de aanvang van het verhaal de karakters reeds gevormd zijn. Zelfs de hoofdpersoon maakt geen uitzondering op die regel. Het enige onderscheid tussen de Eugénie van het eerste en de Eugénie van het laatste bedrijf is, dat de ene in een zwart stofje, de ander in zwart fluweel gekleed gaat.’

Melati van Java werd inderdaad op Java geboren. Er bestaat een portret van haar als klein meisje: een mager, heel ernstig gezichtje met ogen die van ons wegkijken. ‘Urenlang kon ze andere kleinen bezig houden met door haarzelf verzonnen verhaaltjes.’ De kleinen werden groot, maar de verhaaltjes bleven, kan men zeggen. Op haar achttiende jaar ging ze met haar ouders naar Holland. Daar begon haar schrijfstersloopbaan, eerst onder de schuilnaam Mathilde, later als Melati van Java.

Indië is nooit uit haar boeken verdwenen, ook op het laatst niet. Eenmaal koos ze zelfs een Javaanse stoffe en verhief de Javaanse rebel Soerapati die tegen de Compagnie vocht, tot held van een enige malen herdrukte roman. Soerapati's zieleleven is overigens geheel bij dat

[p. 233]

van de Europeaan uit de negentiende eeuw aangepast zoals uit de theatrale monologen en dialogen overduidelijk blijkt. Merkwaardig is wel des schrijfsters sympathie voor deze opstandeling tegen haar landgenoten. Melati van Java had verlichte en vooruitstrevende denkbeelden en ook zij vocht met haar bescheiden middelen voor de emancipatie van de vrouw. Op haar negenenzestigste jaar zei ze nog tegen een journalist: ‘Ik zou zo graag willen medewerken aan de opheffing van de Javaanse vrouw.’