Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 263]

XII Indië belasterd en gewrokenaant.

1. Bas Veth en zijn tegenstanders

Met zijn esteticisme, met zijn verfijning en artisticiteit botste Couperus vanzelfsprekend tegen het koloniale Indië op (waarvan hij in De stille kracht het einde reeds voorspelt), maar hij blijkt met al zijn psychologische intuïtie evenmin in staat tot het ‘Oosterse Indië’ door te dringen. Zijn verhouding was ambivalent en gecompliceerd.

Gecompliceerd was de verhouding van Bas Veth (1860-1922) tegenover Indië allerminst. Hij verfoeide Indië, het koloniale Indië van de Europeaan in de eerste plaats, en in zijn haat werd het ‘andere Indië’ eenvoudig meegenomen. Als handelsman die altijd in steden had gewoond als Makassar en Surabaja, heeft hij er nooit oog voor leren krijgen; hij heeft het eenvoudig niet gezien, hij leefde eraan voorbij, soms lijkt het wel: opzettelijk. Alsof hij de band met Indië zo los mogelijk wilde houden. Zijn boek met de onschuldig lijkende titel Het leven in Nederlandsch-Indië (1900), heeft omstreeks de eeuwwisseling de Indische gemoederen aan het borrelen en koken gebracht. ‘Zijn pen is in vitriool gedoopt,’ schreef een tijdgenoot en inderdaad is er nooit zo'n fel, zo'n bitter, zo'n onredelijk en rancuneus boek over Indië verschenen, voordien niet en daarna niet. Nu was het Indische publiek nogal verwend geweest. Reizigers die het land hadden bezocht en die naar Indisch gebruik overal gastvrijheid hadden genoten, schreven onveranderlijk vriendelijke verhalen.

Het boekje van de Fransman Chailley-Bert Java et ses habitants (1900) - dat overigens hier en daar milde kritiek laat horen - had de Indischman gestaafd in de idee van in een ‘heerlijk land’ te wonen waar het goed leven was. De bekende schrijver van grappige volksschetsen Justus van Maurik die als sigarenhandelaar een Indische markt zocht,

[p. 264]

schreef voor een deel uit reverentie, voor een ander deel omdat hij niet meer geven kón, een opgewekt en oppervlakkig reisboek van ruim vijfhonderd bladzijden, rijk geïllustreerd en luxueus uitgegeven, dat hij Indrukken van een ‘totok’ (1897) noemde. Hij bleek in de korte tijd dat hij in Indië was alle Indische vooroordelen te hebben overgenomen: hij vermaakte zich met de krompraat van de Indo's en stelde de Inlanders als een kinderlijk volkje voor. Hij vertelde, gekruid met zijn banale humor, alle soosverhalen over. Met de argeloosheid van de onwetende gaf hij na zijn studiereis nog een verhaal over de njai, die hij naar tropisch gebruik ‘een inventarisstuk’ noemde. Hoe het ook zij, hij stemde de Indischman mild en welgezind jegens hem. De reis van Justus van Maurik werd dan ook een groot succes waar men nog jaren later over sprak.

Bas Veth deed precies anders dan Justus van Maurik. Ook hij was handelaar, zij het in ‘ongeregelde goederen’, maar hij had geen goed woord over voor dezelfde Indischman die Justus van Maurik zo hartelijk, zo royaal en zo gastvrij vond. De Indischman was voor Bas Veth niet de Indo-Europeaan, maar de bij het Indische leven aangepaste Hollander, de ‘losgelaten bourgeois in de ploertigste buitensporigheid’. Hij was een produkt van de kolonie waar hij al zijn ondeugden volop kon botvieren: ‘De Indischman maakt in Indië een dolzinnig gebruik van de prerogatieven positie, geld en blanke huid. Dan blijkt de feroce kracht van het wapen kolonie. In Europa was hij bourgeois, vette, volle bourgeois gebleven, maar in toom gehouden door iets wat hij “fatsoen” acht en waarvoor hij bang is. [...] In de kolonie is de bourgeois Indischman geworden en een Indischman is een zeer kenmerkende variëteit van het mensenras. Waar hij ook is, in Indië, op de boot, in Europa, overal kunnen de raskenmerken van zijn variëteit worden aangetoond. Al reeds dadelijk door zijn langdradig spreken over futiliteiten, zijn twee-driemaal vertellen van hetzelfde feit aan één persoon, door zijn onbehoorlijk liggen in een krossie-males [luierstoel] met blote voeten en half opgestroopte slaapbroek, door zijn grof doen tegen Inlandse bedienden. Hij bezit aanleg voor corpulentie, pafferige vetzucht. Gemeenlijk is hij dan ook dikbuikig en opgezet. Bij de algemene kenmerken van zijn signalement behoort ook een zekere voze goorheid. Zijn breedsprakerigheid eist het predicaat zwetsend. Hij is een vervaarlijk rijsttafelvreter; eter is te zwak. Borden vol rijst met vieze poespas

[p. 265]

verdwijnen achter zijn kaken, tot hij etenszat zijn bedtent opzoekt waar hij als een boa-constrictor ligt te digereren tot vijf uur 's middags.’ Zijn rancune doet Bas Veth aardige woordvondsten aan de hand; zijn typeringen zijn vaak raak; zijn sarcasme is menigmaal doeltreffend, maar op den duur is hij vervelend, door het ‘langdradig spreken over futiliteiten’, dat wat hij juist de Indischman verwijt. In dit opzicht is hij één der hunnen. In meer dan één opzicht trouwens, want ook hij leeft alsof het in Indië alleen maar om de Europeaan gaat; ook zijn zicht is beperkt. Zo gezien krijgt de hele ruzie van Bas Veth met zijn blazende en ziedende tegenstanders iets van een familieruzie, een ruzie tussen twee neven die het niet eens kunnen worden over een kwestie van smaak. Wat de een afwijst, wordt door de ander geprezen, wat de een gezellig noemt, noemt de ander vulgair, wat de een hartelijk vindt, is voor de ander onbeschoft en zo kunnen we tot in het oneindige doorgaan. Maar als het erop aankomt, speelt hun beider leven zich af in dezelfde kleine wereld, waar slechts enkele anonieme Inlanders doorheen lopen. Van de wereld daarbuiten ziet geen van beiden iets. De een, Bas Veth, is alleen voor een betere behandeling van de djongos, van de baboe of de njai, omdat hij het niet behoorlijk vindt om te snauwen en godverdomme te bulderen. Bas Veth heeft meer ontwikkeling, hij heeft belangstelling voor litteratuur, hij dweept met Heine, hij heeft behoefte aan goede muziek, hij mist in Indië lezingen, concerten en tentoonstellingen en een ‘beschaafde conversatie’. Beschaafd, idealistisch, mooi, schoon, rein, gezond, het zijn woorden die Bas Veth steeds weer in de mond neemt en waar hij in Indië, zegt hij, geen weg mee weet. Hij is een typische laat negentiende-eeuwse idealist, een schoonheidsaanbidder die abusievelijk in de Indische handel is terecht gekomen. En de Indische handel betekende ‘sjacheren met Chinezen over een geheim accoord, een sluipaccoord dat hem bevoordeelt boven andere crediteuren, die stommelingen!’

Bas Veth was achttien toen hij in Indië kwam als bediende van de firma Van Leeuwen te Makassar. Hij was tweeëntwintig of drieëntwintig toen hij een boekje schreef over Eenige handelsproducten van de Maccassaarsche markt. Daarin vindt men reeds kritiek op de wijze waarop in Indië de handel gedreven werd, maar voorzichtig geformuleerd en verontschuldigend aangeroerd: ‘Het is mogelijk dat ik teveel de zwarte zijde bekeek en wat te lang stilstond bij enkele donkere punten.

[p. 266]

Je ne sais quel diable me poussa, maar ik kon een paar keer de lust niet weerstaan wat alsem in de gal te mengen door mijn inkt.’ Later zou hij zich niet meer verontschuldigen, zelfs niet over het feit dat hij meegedaan had, mee had moeten doen met al het geknoei, ‘een steeple-chase van knoeierijen’.

Wat was Bas Veth eigenlijk voor een man? Waar kwam hij vandaan? Hij werd in 1860 in Amsterdam geboren en grootgebracht, maar zijn liefste jeugdherinneringen lagen in Alblasserdam waar hij de vakanties doorbracht, in die ‘ideale wilgenstreek’ [...] ‘met uw Waal, uw wetering en uw griendslootjes.’ Daar heeft hij als kleine troubadour rondgeslenterd, schreef hij in 1912, als een Rip van Winkle die de boerenmeisjes uit Fénélons Télémaque voorlas, die zwelgde in de lectuur van Heine en Multatuli en die toen ‘de kiem van de Weltschmerz’ in zich voelde. Luttele jaren later vertrok hij naar Indië. Hij zal het daar ongetwijfeld moeilijk gehad hebben.

Er bestaat een brief van Bas Veth aan zijn vriend Henri Borel; ze is geschreven na zijn terugkeer in Holland in 1898, maar vóór hij aan zijn boek begon. Hij was toen achtendertig. Aan Borel die nog in Indië woont, beschrijft hij het interieur van zijn kamer. Op zijn tafel staat, zegt hij, een buste van Heine en een ornamentiek van Thorn Prikker; verderop liggen de verzen van Kloos, de beide delen Veertien jaar literatuurgeschiedenis, Het jongetje van Borel, de brievenuitgave van Prikker, Heine's Buch der Lieder, De kleine Johannes, Johannes Viator en overal in de kamer portretten van Byron, Schubert en Wagner; ook nog een grote foto van Van Deyssel en een afbeelding van Ibsen. Dit is Bas Veths wereld, en men kan zich voorstellen hoe deze man, die in de ivoren toren van de kunst leefde en wilde blijven leven, zich gevoeld moet hebben tussen al die hartelijke en ongemanierde, luidruchtige en kletsende landgenoten - die Daum overigens veel beter dan Bas Veth begrijpelijk maakt. Er is weinig fantasie voor nodig om ons in te denken hoe men zich geërgerd moet hebben aan zijn artisticiteit en hooghartigheid. En men zal zich op hem gewroken hebben met spot en plagerijen.

Wil men het portret van Bas Veth getekend door één van zijn meest verwoede tegenstanders? Ziehier de schets van een zekere mr. Paul J. Koster Hzn, die op zijn beurt, vierhonderd bladzijden lang op Holland ging schelden: ‘Ik herinner me die koopman heel goed. Het was zo'n

[p. 267]

mollig, bollewangachtig manneke met zelfbewust voorkomen die zich met wanhopende ijver rechts en links liet voorstellen en onvermoeid zijn beroerd klinkend, geaffecteerd “èngenèm” liet horen en daarbij een slap handje gaf. Het was oppervlakkig oordelende een ijdel opdringerig kereltje en toch geen Joods type en nu hoor ik dat hij van fijne gereformeerde familie is. Zo zie je, degeneratie is nooit uitgesloten.’ Dit korte citaat vindt men, compleet met het altijd latente anti-semitisme van die jaren, in Uit de nagelaten papieren van een Indische nurks (1904). Mr. Koster was overigens niet de enige die Bas Veth aanviel; er waren al eerder anderen geweest als L.C. van Vleuten die zich als officier voorstelde en vertelde reeds dertig jaar in Indië te wonen. Hij schreef, zoals hij zelf terecht zei, met zijn ‘geringe literarische talenten’, een brochure die hij te Batavia op eigen kosten liet drukken: De waarheid omtrent het leven in Nederlandsch-Indië. Protest tegen het boek van Bas Veth (1900). Van Vleuten vertelt dat ‘het boek van Bas Veth’ na zijn verschijning het gesprek van de dag was, maar zo voegt hij eraan toe, ‘gelukkig ging er meestal een kreet van verontwaardiging op.’ Aan verontwaardiging heeft het Bas Veths tegenstanders niet ontbroken. Wie de dag- en weekbladen uit die tijd raadpleegt, zal telkens zijn naam tegenkomen en op de titel van zijn boek stuiten, nog lang na 1900. Vrijwel allen bestreden hem, al dan niet anoniem, en noemden zijn requisitoir achtereenvolgens overdreven, leugenachtig, of perfide; men ging hem wijzen op talrijke overdrijvingen, fouten en onjuistheden. Alsof het Bas Veth om argumenten ging! Hij schreef ronduit dat hij zijn boek als een wraakneming bedoeld had, als een radicale afrekening, ‘dikke strepen onder een conto, afsluitstrepen, eens en vooral om er nooit meer terug te komen.’ Toen hij eindelijk uit Padang vertrekken kon, gaf hij naar eigen zeggen, een schop tegen de steiger, ‘en ik zal wel gevloekt hebben erbij.’ Met welgevallen zag hij vanaf het dek ‘bij ondergaande zon het laatste stuk Indië in 't zwart wegzinken.’ Men moet in zijn eerste brieven uit Holland lezen hoe hem het terugzien van Europa aangreep: ‘O, man, het zijn onvergelijkelijke ogenblikken van intens genot, van hoog geluk.’ Toch bleek de Indische nachtmerrie niet voorbij; na enige tijd kwamen de spoken terug en bleven hem vervolgen. Dáárom schreef hij zijn boek. Bas Veth vertegenwoordigt in extreme vorm de ontwortelde en daardoor verbitterde Europeaan in Indië die het de waringinboom kwalijk nam dat

[p. 268]

hij geen wilg was, die de natuur benauwend vond (‘het Indische landschap geeft geen vreugde’), die het Indische eten ‘vieze poespas’ noemde en alle Indische meisjes berekenend. Dit oordeel over de Indische meisjes, in het algemeen over de vrouwen in Indië, wekte de gramschap op van een zekere mevrouw Koopman die ook een ‘tegenschrift’ schreef onder de titel Het paradijs der vrouwen (1900). Maar een tegenschrift als dit richt zich tegen de schrijfster zelf. Het verweer van mevrouw Koopman is al te naïef. Bas Veth vond de Indische recepties het toppunt van aanstellerij; welnu mevrouw Koopman stelt er eenvoudig een andere beschrijving tegenover. Het is er gezellig en men maakt een afspraak om te pick-nicken bij een natuurbadplaats. Zijn vrouwen in Indië werkelijk zo anemisch en bleekzuchtig? Is hun teint werkelijk zo goor als Bas Veth zegt? Bekijk ze dan eens in het water: ‘Het is een heerlijk gezicht de jeugdige gestalten met de sarong boven de borst saamgebonden, te zien dartelen in het vloeibaar kristal. De meesten kunnen zwemmen, zelfs op de rug, slechts het hoofd boven de oppervlakte, de flinke borsten en slanke armen omvloeid door het heldere water.’ En zo gaat ze bladzijden door met Bas Veth tegen te spreken, niet beseffend dat ze daarmee in zijn kaart speelde. Het kan niet anders of Bas Veth moet in zijn huis in Amsterdam hartelijk om haar gelachen hebben.

Zelfs vijf jaar na de verschijning van Het leven in Nederlandsch-Indië kwam er nog een reactie in de vorm van een lijvig boek. De schrijver heette J.B. Ruzius; de titel was Heilig Indië (1905). Het heeft nogal wat bekendheid gekregen, maar meer door de titel dan om het boek zelf. ‘Heilig Indië’ heeft jaren dienst gedaan als een soort gevleugeld woord. Ruzius is het type van de Indischman die te lang in Indië gewoond heeft om in Holland nog gelukkig te kunnen zijn. Hij voelde zich soms tot stikkens toe beklemd tussen de muren van zijn huiskamer in Den Haag en moest heel diep ademhalen als hij aan Indië dacht. Dan werd hij overvallen door visioenen van wijdheid en ruimte, van gezichten en vergezichten. Bas Veth heeft ook hem beledigd in wat hem dierbaar is; ook hij vindt Bas Veth onbillijk en rancuneus. Hij kan hem eenvoudig niet begrijpen. Het boek van Veth heeft hem er overigens toe gebracht zich af te vragen wat ‘dat schone land’ voor hem betekend heeft, het land dat nooit uit zijn gedachten is geweest. Hij zegt wel ergens dat hij zijn boek is gaan schrijven ‘mede uit de drang om de

[p. 269]

smet af te wissen, waarmee anderen die schreven uit rancune, het hebben beklad’, maar de nadruk valt niet op de polemiek. Tegenover de visie van Bas Veth stelt hij alleen zijn eigen ‘positieve instelling’. Zijn protest is daardoor waardiger dan dat van de anderen die zo fel tegen Bas Veth uitvoeren. Toch verliezen zijn herinneringen zich teveel in futiliteiten en sentimentaliteiten. Ze zijn niet belangrijk genoeg. Ruzius blijkt teveel de doorsnee gepensioneerde ambtenaar. Men merkt het zelfs aan zijn stijl, ook al bedient hij zich af en toe van zinswendingen die hij van de Tachtigers moet hebben afgekeken. ‘Zijn kunst is luttel, zijn kunnen nog geringer’, schreef een vaste medewerker in Het Weekblad voor Indië, 1905/1906, blz. 728, de leraar Engels F.P.H. Prick van Wely.

Onder allen die over het boek van Bas Veth schreven, was er één die niet met de wolven in het bos wilde meehuilen. Hij heette Otto Knaap (1866-1917) die zich op het omslag van zijn brochure over Bas Veth als een ‘Indisch-man’ afficheerde, maar die geen Indischman was in de zin die Bas Veth eraan hechtte. Hij was een ‘Indische jongen’ die op 29 juli 1866 te Cheribon werd geboren en wiens portret ook geen twijfel laat. Op welke leeftijd hij voor zijn opvoeding naar Nederland werd gezonden, weten we niet, waarschijnlijk reeds als kind. Omstreeks 1895 of iets later, duikt hij te Batavia op als employé bij de k.p.m. na een niet beëindigde letterenstudie te Leiden. Hij was in zijn jonge jaren, evenals Veth, een idealist en schoonheidsaanbidder op de wijze van de Tachtigers. Toen hij in Indië kwam, moet hij de illusie gehad hebben in het Indische kunstleven een rol te kunnen spelen. Hij schrijft dan ook: ‘Ik wilde het land dat mij lief was’ - hij had er immers zijn kinderjaren doorgebracht - ‘mooi maken door te trachten de muziek met meer oordeel te dienen. In mijn allerbinnenste had zich het onverzettelijk plan wortel geschoten om de kunstbeoefening in Indië enige schreden verder te brengen.’ Maar hij botste tegen een samenleving op waarin het dilettantisme hoogtij vierde, waarin niet de kunst, maar de sociale hiërarchie beslissend was. Het was eigenlijk onbegonnen werk voor hem het kunstleven te saneren. De ‘eigenwijze heren en giechelende dametjes’ gingen rustig door een gezelschapsspel te bedrijven. Knaap had moeten beginnen de samenleving te veranderen. Hij zag dat ook wel in, maar hij voelde zich machteloos. Het enige wat hij kon doen was kritiek uitoefenen. Bas Veth bood hem de gelegenheid

[p. 270]

daartoe. Toen iedereen hem aanviel, ging Otto Knaap hem verdedigen. Hij deed het in een brochure Bas Veth (1900).

Het lag in zijn aard zoiets te doen, al had ook hij bezwaren tegen het boek van Veth. Maar hij schreef: ‘in grond heeft Bas Veth gelijk.’ En Otto Knaap behoefde niets anders te doen dan te citeren wat hij zelf reeds eerder dan Bas Veth in de krant had geschreven. Veth had geschreven: ‘De kundigheid die hier het meest geëerd wordt, is het maken van fortuin. Tractement, promotie, geldverdienen, zijn de emblemen voor het leven van de meeste mensen in Nederlandsch-Indië.’ Men was hier woedend over. ‘Maar eilieve,’ vroeg Otto Knaap, ‘is dit niet waar? Waar streeft men hier dan wel naar?’ En wat de Indische moraliteit betreft, Bas Veth had misschien wat overdreven, maar ‘hoeveel schurken worden hier niet met een zeker ontzag pienter genoemd?’ vroeg Otto Knaap aan zijn lezers. En het ‘deftig doen’, het ‘prestige ophouden’, het parvenuschap, alles wat Bas Veth hekelde, bestond dat dan niet? ‘Men doet in Batavia graag deftig, maar is die deftigheid goed beschouwd eigenlijk niet om te stikken van het lachen? Want de Indische maatschappij is immers hoofdzakelijk samengesteld uit parvenu's. Ik vind het geen schande, integendeel, het is prijzenswaardig dat, om maar wat te noemen, iemand wiens vader in Holland krenten en rozijnen verkoopt of verkocht heeft, zich hier min of meer weet op te werken als een man van invloed of gezag. Maar wanneer diezelfde persoon zich gaat omgeven met een waas van voornaamheid en de allures aanneemt van iemand die van nobeler bloed is dan de meeste van zijn stadgenoten, dan vind ik dat in hoge mate belachelijk. Dergelijken zijn er Godbetert bij hopen! Wat is hier in Indië eigenlijk stand? Gewoonlijk niets anders dan een graad van parvenuschap die zelfs lang niet altijd langs koninklijke weg of door persoonlijke verdienste is verkregen. Toch wordt er bijkans nergens ter wereld zo op stand gelet als hier ter plaatse.’ Juist dit soort standgevoel stond de ontwikkeling van het muziek- en kunstleven in de weg en wie zoals Otto Knaap met allerlei ideeën rondliep tot verheffing van het kunstleven, moest wel met die samenleving in conflict komen.