Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 271]

2. Creusesol

In zijn protest tegen het boek van Bas Veth, dat vooraf reeds ter sprake is gekomen, schreef L.C. van Vleuten - toen hij zijn eigen ‘geringe litterarische talenten’ te berde bracht - dat hij eigenlijk van de schrijver Creusesol een antwoord op Bas Veth had verwacht. En alleen omdat deze niet reageerde had Van Vleuten zich verplicht gevoeld - ondanks zijn litteraire handicap - een brochure tegen Veth te schrijven en ook uit te geven. De verwachting dat Creusesol de man geweest zou zijn die Bas Veth het beste van repliek had kunnen dienen, is overigens niet zo vreemd. Van Vleuten kon vermoeden dat hij tot de verdedigers van Indië zou behoren, al kon hij dat vermoeden toen op niet meer dan één boekje baseren. Creusesol had in 1896 in de Soerabaia-Courant een aantal ‘schetsen van een koffielandje’ gepubliceerd die nogal in de smaak van het publiek waren gevallen. Begin 1899 verschenen ze gebundeld onder de titel Op en om Soeka Sepi (letterlijk: lust tot eenzaamheid). Ook toen bleek weer - en niet ten onrechte - dat het Indische publiek ze graag las. Daum bijvoorbeeld was er bijzonder mee ingenomen. De Indischman vond er zich in terug. Daarbij was het nogal aardig geschreven, causerend en badinerend, wat zelfingenomen, maar toch niet zo joviaal en banaal als Justus van Mauriks Indrukken van een ‘totok’.

Creusesol was trouwens geen buitenstaander als Van Maurik. Hij wist waar hij over sprak. Hij was ook een totok, maar hij was in Indië geboren en getogen. We weten overigens niet zo heel veel meer van hem af dan hijzelf verteld heeft: ‘eerst in de koffie, die aan bladziekte sukkelde; toen in de suiker en later in de drukinkt gekomen.’ We weten ook dat hij in 1851 in Semarang geboren is, dat hij 1897 in Soerabaja woonde - hij is dan al aan de krant - en in 1898 of '99 voorgoed naar Holland gaat; in ieder geval blijkt hij in oktober 1899 in Den Haag te wonen waar hij zich nogal onwennig en buitengesloten voelt. Ja, eigenlijk voelt hij precies hetzelfde als Ruzius, wat zovele Indische mensen voelen als ze lang in Indië gewoond hebben en pas in Holland zijn. Hij mist de zon, hij heeft het koud en staart door het raam ‘tien meter boven 's-Gravenhages klassieke bodem’ en ziet de sneeuw vallen die hij ‘udjan kapok’ (kapokregen) noemt. Dan komen de herinneringen aanstormen: ‘Gelaatstrekken van vrienden, gezichten van vijanden, beelden van bekende plekken, klanken eenmaal ge-

[p. 272]

hoord, zoals het windgeruis door de toppen der waringin, het rijststampen in de kampong ... het komt alles terug, het laat zich horen en zien in de allerbontste mengeling ... het verschijnt op de vleugelen der gedachten, die afstanden vernietigen, de oceaan overspringen met de allerdolste beweging, zonder orde en regelmaat, en hier bij uw Hollandse haard aanschouwt ge in uw verbeelding, omlijst door de nevelen van de vervlogen tijd, het beeld van dat land, dat rijke, schone, heerlijke eiland, ons enig Java! [...] Ze zeggen: er zit in een der vulkanen van dat eiland een krachtige magneet. Die eens Java betrad, zou daardoor blijvend aangetrokken worden. Die magneet werkt het krachtigst op u als een Hollandse nevel u omvangt, als het zwerk loodzwaar hangt boven een triestig winterlandschap. [...] Willen wij oversteken? Lezer, daarginds op Java?’

Deze citaten zijn ontleend aan Creusesols ‘schetsen van een terugkerende’, die evenals zijn vorige eerst in een Indisch dagblad waren verschenen, ditmaal in de Java-Bode. Ze werden later gebundeld onder de titel Naar Holland (1900). Een recensent van het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage (in het nummer van 2 november 1900) zag er direct een tegenhanger in van Bas Veths Het leven in Nederlandsch-Indië, maar de naam Bas Veth komt in het hele boek niet voor, eenvoudig omdat de schetsen reeds enige jaren tevoren geschreven waren!

Al pratend en citerend uit Franse, Duitse en Engelse poëzie, slaagt Creusesol er meer dan eens in een bepaalde stemming op ons over te brengen. Dan is hij op zijn best, maar hij kan ook lang doorzagen over futiliteiten (volgens Bas Veth immers één van de kenmerken van de Indischman). Eigenlijk vindt men zijn kwaliteiten en gebreken in al zijn boeken, in het ene alleen meer dan in het andere. In zijn eerste bundel Op en om Soeka Sepi weet hij het akelige gevoel van verlatenheid op te roepen dat de jonge Hollandse planter kan overvallen als hij als enige Europeaan op een hooggelegen onderneming zit. Maar Creusesol slaagt er óók in ons iets te doen gevoelen van de verrukking van het leven temidden van een grootse natuur. Zodra hij echter begint te oreren en allerlei beschouwingen ten beste geeft over zijn huisjongen, zijn staljongen, zijn kokkie of zijn mandoer, wordt hij met zijn neuswijsheid vervelend. Hij wil informatie verschaffen, dat is duidelijk, hij wil laten blijken dat die bedienden nog zo kwaad niet zijn en daarvoor treedt hij in discussie met anderen die anders denken, zonder te

[p. 273]

merken dat hij alleen de ene gangbare mening voor de andere inruilt. Soms geeft hij zijn gesprekspartners gelijk, soms bestrijdt hij ze. ‘Allemaal larie! De Javanen zijn als volk niets eerlijkers of oneerlijkers dan iedere andere stam [...] Andere begrippen dan de onze, goed te keuren of te veroordelen met onze begrippen, met onze zienswijze, kan niet goed wezen.’ Het klinkt alles nogal verstandig, maar deze soort verstandigheid gaat niet ver. Creusesol praat over de Inlanders - zijn kokkie, zijn huisjongen enzovoorts - alsof ze grote kinderen zijn, als een vader die zijn plaats weet in de patrimoniale verhoudingen van tempo dulu. Maar tot hun leven dringt hij niet door; hij blijft met al zijn kennis van land en volk de Europeaan. Als hij op zijn koffielandje de stemming van een tropische avond tracht op te roepen, met aan de hemel de miljoenen sterren (les hiéroglyphes brillants', noemt hij ze) en hij hoort in de verte de gamelan, dan gaan zijn gedachten naar Europa uit: ‘Als men op zo'n mooie avondstond nu ook maar een beetje muziek had. Ik bedoel natuurlijk geen gamelan, maar zoiets als een deuntje van Bilsen of Mannstädt’ (!). Maar in Den Haag met alle mogelijkheden om naar concerten te gaan, naar opera's, operettes en vaudevilles, begint hij er langzamerhand anders over te denken. De gamelan is geen ‘prul gamelan’ meer en de suling (een Javaans fluitinstrument) niet meer een ‘vervloekt piep- en jankinstrument’. Het geluid wordt hem zelfs dierbaar, omdat het voor Creusesol verbonden is aan onvergetelijke herinneringen aan een onvergetelijk land.

In 1908 verscheen een nieuwe bundel De Khimono, ‘benevens twee andere Oost-Indische verhalen’. Het eerste en langste bevat het levensverhaal en tegelijk het portret van een ‘nonna’, zoals wij dat in onze litteratuur niet eerder zijn tegengekomen. Toch begrijpt Creusesol weinig van dit soort Indische meisjes. Hij staat er als een totok te zeer bevooroordeeld tegenover en waarschuwt dan ook (met een Frans citaat!) de Hollandse jongens tegen het huwelijk met zo'n meisje. Hijzelf is dan ook met een ‘Hollandse Eva’ getrouwd.

Het laatste verhaal ‘Bij 't scheiden van de markt’ is in zoverre weer uniek dat Creusesol al sprekende een njai invoert en deze haar levensgeschiedenis laat vertellen. Het verhaal zelf moet zonder twijfel op werkelijke gegevens hebben berust en toch maakt het geheel weer de indruk te zijn omgebogen naar Creusesols Hollandse visie. De litteraire aankleding tast hier bovendien de authenticiteit aan.

[p. 274]

Met de verbetering van de economische situatie die zich in Indië tussen 1905 en 1910 duidelijker begon af te tekenen, werd de behoefte aan ‘import’ groter en daarmee de mogelijkheid voor Hollandse jongelui naar Indië te gaan. Toch bleek er enige aarzeling; men had ook zoveel lelijks over Indië gehoord en men was Bas Veth nog niet vergeten. Men wenste eerst nader geïnformeerd te worden. En ook nu weer, zoals in de vorige eeuw, kwamen de oudgasten aan die behoefte tegemoet. Zij schreven brochures, artikelen en verhalen over het acuut geworden probleem van ‘naar Indië gaan’. Er ontstond zelfs een hele discussie waar velen zich in mengden. De kolonie had behoefte aan Europese werkkrachten, zei men, maar niet meer aan de soort van vroeger zoals de ‘presentkaasjes’, de gelukzoekers, de avonturiers of de verarmde burgerjongens. Er was behoefte aan ‘lieden van opvoeding en beschaving’, aan jongelui van ‘goeden huize’, zoals Creusesol ze telkens aanduidt. Speciaal voor hen schrijft hij al causerend een aantal schetsen getiteld Naar de(n) Oost (1908). Hij schrijft over de ‘Grote Hindernis’, over de ‘Onverschilligheid’ en de kansen om in Indië goed te slagen. Hij vertelt iets over de uitrusting die men nodig heeft, hij beschrijft het vertrek, het afscheid, de bootreis en over het onvermijdelijk verschijnsel van het ‘handschoentje’. Hij eindigt met: ‘Ik heb gezegd ... en ik herzeg hier: Hollandse Jongelieden van Goeden Huize, waarom gaan er niet meer van jelui naar de(n) Oost?’

Toch waren er ook Indiëvaarders die tegen dit optimisme waarschuwden; er waren er die het gaan naar Indië, evenals Bas Veth, als het begin van een levensmislukking zagen. Zo iemand was Henri Borel. Hij trad in 1913 tegen Creusesol in het strijdperk in een brochure Een werkkring in Indië (1913). Creusesol (men kan het al raden) was pro en Borel was contra. Creusesol begint met te erkennen dat de grote carrières tot het verleden behoren, maar dat er nog mogelijkheden te over zijn, en hij herhaalt wat alle oudgasten zeggen: dat het leven in Indië meer vrijheid biedt en minder gebonden is aan maatschappelijke regels en conventies; en waarschijnlijk ter geruststelling van moeders en vaders, stelt hij vast dat het met de Indische immoraliteit nogal meevalt. Borel schildert dezelfde situatie minder rooskleurig en voert de term ‘ver-indischen’ in. Hij schrijft: ‘Het is volstrekt niet zoals in het beruchte boek van Bas Veth botweg staat, dat in Indië één onafzienbare rij patsers, parvenu's, fortune-hunters enz. enz. rondlopen. Ik

[p. 275]

zou dat niet graag beweren, want ik zou onwaarheid spreken. Het proces van ver-indischen is fijner, subtieler, onzichtbaar, want meestal ongeweten. Het is een vage ontaarding van smaak, van kijk op de dingen hebben, van geweten, van áánvoelen, vooral ook in het seksuele en in het ethische.’ Creusesol kan daar niet veel anders tegenover stellen dan zijn ontkenning, zijn nostalgie en zijn aangeboren optimisme. Hij is een sympathieke Indischman die ook aardig schrijven kan als hij op stoot is, maar die wel een beetje ijdel is (de ijdelheid van de self-made man); hij is fier op zijn positie in de Indische maatschappij, waarvan hijzelf zegt dat hij deze dankt aan zijn blanke huid; hij citeert overvloedig uit verschillende litteraturen, maar we krijgen de indruk dat hij een citatenboekje raadpleegde; hij geeft graag blijk van zijn Indische ervaring en verkondigt wijsheden zonder te merken dat hij alleen maar vooroordelen spuit, de typische vooroordelen van de (vriendelijke) oudgast. Eén ding moeten we Creusesol nageven: hij tilt niet zo zwaar aan wat hij zegt; zijn conversatie is luchtig en hij spot graag, ook met zichzelf. Dit pleit voor hem.

Rest ons nog te zeggen dat hij zijn pseudoniem (Fr. creuse-sol) van zijn werkelijke naam afleidde. Hij heette I.P.C. Graafland en overleed in Den Haag in 1918.