Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. De andere wereld

Als ons tot dusver in de Indische letterkunde iets is opgevallen - en wat in de vorige hoofdstukken gezegd is, sluit hier geheel op aan - dan is het dat de Europeaan in een soort enclave moet hebben geleefd temidden van een miljoenenmassa, in een eigen gesloten samenleving - die overigens hemelsbreed van die in het moederland verschilde en die van elke Europeaan een ander mens maakte dan hij in Holland was. Zijn kijk op de dingen werd bepaald door de nieuwe sociale verhoudingen waarin hij kwam te verkeren, maar hij bleef in Indië onder Europeanen leven. De onderwerpen van de Indische romans zijn ontleend aan deze Indisch-Europese samenleving en de ‘Inlander’ wordt alleen beschreven voorzover hij deze samenleving binnentreedt. Hij wordt ook vanuit een andere wereld dan de zijne benaderd, lang niet altijd zonder welwillendheid en genegenheid, maar toch beoordeeld naar de normen

[p. 276]

die aan de Europese samenleving zijn ontleend. Wel moeten we een onderscheid maken tussen de Europeaan in de steden en die in de binnenlanden. In de binnenlanden leefde men dichter bij de ‘Inlandse wereld’ en betekende aanpassing iets heel anders dan op Batavia, Semarang of Surabaja. Voor de bestuursambtenaar en de planter, wonend op diep in het binnenland gelegen plaatsen en ondernemingen, lag de zaak anders dan voor de bureau-ambtenaar die altijd in de steden had gewoond en die met recht zeggen kon: ‘persoonlijk ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking geweest’, zoals Daum een van zijn figuren laat zeggen. Zij kwamen voortdurend met de bevolking in aanraking. Bij hen vindt men dan ook het meeste begrip voor de ‘eigen wereld’ van de Inlander. Er waren er zelfs die zich geheel assimileerden en naamloos onderdoken in de Indonesische samenleving. Hun aantal is niet te schatten, maar waarschijnlijk groter dan men vermoedt. In de Indische dag- en weekbladen vindt men meer dan eens het levensverhaal van zo'n Europeaan die ver van de andere Europeanen temidden van de bevolking leeft, zoals de resident Van Oudijck uit De stille kracht zich aan het slot van het boek diep in de binnenlanden heeft teruggetrokken. In enkele romans treedt zo'n zonderlinge Europeaan als hoofdfiguur op, zoals in G. Gonggrijps De blanke tijger (1935). G.P. Rouffaer die in de jaren tachtig een reis door Java maakte, ontmoette verschillende van zulke figuren, waaronder Van der Tuuk. Een andere - een gewezen assistent-resident - gebruikte hij als bron van inlichtingen voor zijn studie van de verhoudingen in de desa. Zulke mensen leefden al dan niet in stilte hun eigen ‘plantenleven’ buiten de andere Europeanen om, als kleine aartsvaders of westerse medicijnmannen. Ze hadden hun blanke huid afgestroopt. Ze waren door de bevolking opgenomen en werden bij hun dood als een der hunnen ten grave gedragen, op inlandse wijze, zoals dit met de ‘blanke tijger’ gebeurt of met de Belgische fuselier, de ‘Paria’ in het navrante verhaal dat de jonge controleur M.B. van der Jagt doet in het Koloniaal Tijdschrift, 1917, deel i, blz. 632. Ze hadden zich, zo drukt Rouffaer zich uit, ‘door een eigenaardige draai van de geest zozeer met de Inlandse samenleving vereenzelvigd, dat ze volkomen bewust werden te dier bate te leven.’

Maar tussen deze ‘zonderlingen’ en de Europeanen uit de steden die in hun eigen coterieën leefden, waren vele overgangen. Er waren er

[p. 277]

ook - en hun aantal is niet gering geweest - die tussen twee werelden bleven hangen. Ze waren Europeanen; de band met de andere Europeanen was niet verbroken, en toch waren ze anders geworden, hun denkwijze en hun habitus waren veranderd. Ze waren vaak planters of bestuursambtenaren of iets anders. Sommigen leefden met een ‘vrouw des lands’, anderen hadden een Europese vrouw en Europese kinderen, maar ze leefden temidden van de bevolking, bijna altijd omkleed met het gezag van de Europeaan, ook al waren ze geen gezagsdragers. Ze werden beurtelings aangesproken met kandjeng (heer) en bapak (vader) zoals de bekende planter Karel Holle die werkelijk als een vriend en vader temidden van de Sundanese bevolking leefde. Al deze Europeanen spraken de taal van het volk, ze kenden de adat, ze kenden het leven in de desa, ze kenden de bospaden en waren vertrouwd met de geur van de kampungs, ze leefden dichterbij de mensen en de aarde van het land dan verreweg de meeste van hun landgenoten. Zij waren het ‘die veel begrepen’. Zó zou de bevolking zich ook uitgedrukt hebben: ‘dia jang mengerti’. Ze ‘begrepen veel’, omdat ze dagelijks tussen de mensen verkeerden; ze zagen veel van wat de andere Europeanen ontging. Zij wisten van de armoede waarin de bevolking sinds jaren leefde, van de willekeur waar ze aan overgeleverd werd.

Zo iemand was P.C.C. Hansen (1867-1930) die ook onder het pseudoniem Boeka schreef. Hij was een totok die in Amsterdam geboren werd, maar die jarenlang planter geweest was op een hooggelegen koffie-onderneming in Midden-Java en dat betekende dagen-, soms wekenlang, geen andere aanspraak dan vermoedelijk zijn Javaanse huishoudster, zijn bedienden, zijn opzichters, enkele Inlandse hoofden en soms een Europeaan of Indo-Europeaan. Door de koffiebladziekte (hij schreef hierover in de Indische Mercuur van 1898) en de teruggang van de koffiecultuur, werd ook hij in 1897 gedwongen naar Europa terug te keren. Maar Java en vooral het lot van de bevolking lieten hem niet los. Hij publiceerde talrijke artikelen in week- en maandbladen zoals De Amsterdammer, De Indische Gids. In De Amsterdammer schreef hij onder eigen naam onder meer een artikel over de voortdurende verarming van de Javaan, in het nummer van 15 september 1902. In De Indische Gids van 1903, deel ii, blz. 1137 staat een beschouwing van hem onder zijn schuilnaam Boeka over ‘De Inlander’, een soort credo voor hemzelf dat hij ten onrechte ‘eene studie’ noemde, maar die in

[p. 278]

ieder geval getuigt van zijn grote genegenheid voor de Javaanse bevolking, in het bijzonder voor de desabevolking. Hij verdedigt haar tegen de gebruikelijke vooroordelen van de meeste van zijn landgenoten als zou de Javaan lui zijn, apatisch, fatalistisch, onderdanig enzovoorts. Dit oordeel berust op oppervlakkige waarneming, aldus Boeka, en wijst slechts op het onvermogen met andere dan westerse maatstaven te meten. De Javaanse samenleving is allerminst een idyllische samenleving en de Javaan heeft zijn gebreken - Boeka ontkent ze niet - maar ze komen niet uit hemzelf voort: ‘Het zijn de invloeden van buiten, tyrannie door eigen hoofden en door een verweg gevestigd vreemd gezag, kortom gebrek aan doorzicht en aan medegevoel bij zijn bestuurders die de Inlander het leven dikwijls maken tot een drukkende last’ (blz. 1183). Aandacht vragen voor deze situatie, middelen aangeven ter verbetering, zijn landgenoten waarschuwen voor de gevolgen van hun koloniaal beleid, Boeka heeft er zijn levensdoel van gemaakt. Hij spreekt ook uit wat zijn landgenoten niet weten of niet willen weten: dat de Inlander vervuld is van ‘een gloeiende haat tegen zijn overheersers, ontstaan en gevoed door verbittering over het vele onrecht hem aangedaan’ (blz. 1169).

Maar beter dan door tijdschrift- of dagbladartikelen meende Boeka zijn doel te kunnen bereiken door de bellettrie die ook hij als een vorm van ‘aangename ontspanning’ moet hebben gezien: ‘het lezend publiek bekend te maken met allerlei mistoestanden in Java's binnenlanden [opdat] recht zal worden gedaan waar onrecht gepleegd wordt en verbeteringen zullen worden aangebracht waarmee reeds te lang gewacht werd’ (in zijn woord vooraf bij zijn bekendste roman Pàh Troeno).

Boeka heeft een viertal van zulke ‘tendens-romans’ geschreven - zoals hij ze zelf ook noemt. Zijn eerste boek Een koffieopziener [1901] beschrijft het leven van een kleine Indo-Europeaan, zoon van een totok en de ‘traditionele huishoudster’, die na de dood van zijn vader als Indo tussen de Europeanen en als Europeaan tussen de Inlanders, zijn eigen weg moet zoeken in een dunne strook van niemandsland. Zijn positie is moeilijk en economisch kwetsbaar. Het levensverhaal van de Indo-pauper Karel Steenstra, die nauwelijks Nederlands spreekt, is door Boeka niet als een aanklacht geschreven, maar wel als een aanklacht bedoeld, een aanklacht tegen het gouvernement dat nooit iets heeft gedaan voor de sociale positie van de Indo. Karel Steenstra kan

[p. 279]

alleen maar dulden: ‘Ja, versleten was hij nu en degenen in wier dienst dat geschied was, die de voordelen daarvan plukten, zetten hem nu meedogenloos op straat. Maar wat hielp het hem zich kwaad te maken en zich te ergeren, de heren hadden de macht en daardoor behoefden ze zich weinig te bekommeren om zijn protest’ (blz. 284). Hij verpaupert en kan zijn eigenwaarde alleen redden door geheel op te gaan in de Javaanse samenleving, ‘dan had hij niet de bevelen af te wachten van verwaande Hollanders’ (blz. 287). Maar ook de Javaanse samenleving waarvan hij een deel gaat uitmaken, vertoont een allesbehalve rooskleurig beeld. Boeka heeft er ons al over verteld in Een koffieopziener, maar hij doet het expliciet in zijn tweede roman Pàh Troeno [1901], de levensgeschiedenis van een eenvoudige desaman die hulpeloos is in een samenleving van ‘willekeur en dwingelandij’. Boeka somt een aantal mistoestanden op: het opiummisbruik (‘een kanker’), de woeker (‘oorzaak van armoede en hongersnood’), de rechtspraak (‘allertreurigst’), het strafstelsel (‘ongeschikt’), de pandhuispacht (‘een zuigpomp op de bevolking’) en vooral de grote onveiligheid die ‘tot schandelijke toestanden aanleiding geeft.’ Ze hebben, concludeert Boeka, de Javaan ‘reeds lang alle vertrouwen in het gouvernement doen verliezen.’ Boeka kritiseert de zelfvoldoening in Nederland over het koloniaal beleid. De officiële rapporten en de beschouwingen in de Nederlandse dagbladen en tijdschriften versluieren de werkelijke toestand op het Javaanse platteland. En Boeka kon het weten. Hij beschikte over een grote kennis van de Javaanse samenleving - hij had er ten slotte jarenlang tussenin gezeten - een kennis die, om maar een voorbeeld te noemen, veel groter was dan die van Douwes Dekker. En toch is Boeka nu een onbekende en vergeten schrijver. Er is hier maar één verklaring voor: zijn trage en compacte schrijfwijze mist wat die van Multatuli juist in hoge mate bezit: een schittering, een welsprekendheid en een overtuigingskracht. Waaruit weer eens blijkt hoe nauw de werking van het sociale engagement met de uitdrukkingsmiddelen verbonden is, in dit geval met de stijl.

Boeka's tweedelige roman Beschaving [1903] is een herhaling en een uitbreiding van wat hij in zijn romans heeft geschreven. Eén element voegt hij eraan toe: de ondergang van de beschaving van de oorspronkelijk beschaafde en onbedorven bevolking door de aanwezigheid van de Europese ondernemingen die de desa-structuur ontwrichten en de

[p. 280]

demoralisering in de hand werken. In en in de nabijheid van de ondernemingen groeien de misdaad, de prostitutie en de dobbelzucht. Dit is ook het hoofdmotief van Pàhkasinum [1904], Boeka's laatste en beste roman, waarschijnlijk omdat de tendens ditmaal in het verhaal verwerkt is en niet meer uitgesproken wordt in tussengevoegde beschouwingen. In 1903 verscheen van Boeka nog een tweedelig werk over het Bestuur van Oost-Indië met als slotconclusie dat er voor Indië weinig kans op verbetering zal zijn zonder een verandering in de positie van afhankelijkheid ten opzichte van het moederland.

Bij dezelfde uitgever van Boeka verscheen nog een Indische roman getiteld Sakinum (1899) geschreven onder de naam G. Dompers, een soortgelijke tendens-roman als die van Boeka, geschreven in een stijl die sprekend op die van Boeka lijkt.

Als planter en particulier had Boeka het voordeel minder als gezagsdrager te worden beschouwd dan de werkelijke gezagsdragers, de bestuursambtenaren. Daardoor kon hij meer te weten komen van wat in de Javaan omging, vooral van wat deze dacht over het gouvernement en het bestuur. De bestuursambtenaar zelf bleef veel meer de officiële vertegenwoordiger van het regeringsstandpunt, die een ‘verheven’ positie innam en die juist hierdoor van een stuk informatie werd afgesneden. Toch zijn er onder het bestuur ambtenaren geweest met een indrukwekkende kennis van het land en van het volk, van zijn zeden en gebruiken, van zijn wensen en noden. Ze konden daardoor optreden als vraagbaak en toeverlaat voor hun jongere broeders en kinderen, waarmee respectievelijk de Inlandse bestuursambtenaren en de bevolking bedoeld werden. Zo iemand was Jasper, zo iemand was Opheffer (G.L. Gonggrijp), zo iemand was Westenenk en verschillende andere figuren die toevallig niet schreven.

Van hen allen moet J.E. Jasper (1874-1945) zich het meest letterkundige hebben gevoeld. Hij schreef tientallen artikelen in allerlei tijdschriften en dagbladen; over bestuurszaken, over kunstnijverheid (heel veel), over toneel, over politieaangelegenheden, over bijgeloof, zelfsuggestie en mystiek, over de levensloop van een wonderdokteres, over de geschiedenis van de stad Tuban (aan de noordoostkust van Java), over legenden in de Minahasa enzovoorts. En daarnaast ‘echte’ bellettrie, waarvan een groot deel zich in de Javaanse samenleving afspeelt zonder dat er een Europeaan in optreedt.

[p. 281]

Jasper heeft zich eens in een artikel in het Weekblad voor Indië van 7 augustus 1904 erover beklaagd dat de jonge bestuursambtenaren onvoldoende op de hoogte waren van de toestanden in hun ressort. ‘Men weet niets, constateert niets, komt alleen wat te weten uit de onmiddellijke omgeving en daarmee verzaakt hij aan zijn eerste bestuursplicht: het doordringen in het leven van de kleine desaman.’ Een artikel als dit is karakteristiek voor Jasper. Hij had wél contact met de bevolking, hij kende wél zijn ressort; hij bepaalde zich bij het tourneren niet tot de hoofdwegen, hij drong diep in de desa's door en sprak met de mensen in hun eigen taal. Hij wist hoe ze leefden, hij kende hun gebruiken en ritueel; hij zou nooit inbreuk maken op hun adat. Hij kende het volk door en door en schreef erover. Hij was menselijk bewogen met het lot van de kleine man, maar het is de bewogenheid van de waarnemer, ook litterair gesproken: ‘La nature à travers un tempérament’. Hij protesteert niet, hij klaagt niet aan zoals Boeka. Uit deze ‘objectieve’ houding komt ook zijn politieke behoudzucht voort. Het zijn voortdurend kleine mensen die in Jaspers verhalen voorkomen. Ze hebben allen iets tragisch en zieligs; zij zijn weerloos, ze kunnen in de maatschappij hun plaats niet vinden, ze zijn niet opgewassen tegen de situatie waarin ze verkeren; ze zondigen, ze zijn zwak, maar ze blijven bij Jasper altijd iets beminnelijks behouden, omdat hij hun zonden en zwakheid begrijpt uit hun situatie. Maar deze situatie is voor hem een vast gegeven, nauwelijks voor verandering vatbaar.

Het lange, afzonderlijk uitgegeven verhaal Het leven van Ardja en Lasmi [1908], is een geschiedenis van alweer menselijke dwaling en zwakheid - van de kant van Ardja - en van ontroerende trouw van de kant van Lasmi, een eenvoudige, wat al te dierbare desa-geschiedenis die door Jasper helaas met teveel litteraire franje wordt voorgedragen. Zodra Jasper schreef, meende hij blijkbaar litteratuur te moeten bedrijven, dat wil zeggen schrijven in de trant van een aantal kennelijk door hem bewonderde schrijvers. Hij wilde kunstenaar zijn, maar juist omdat hij dit te weinig was, bediende hij zich van een procédé. Om duidelijker te zijn: Jasper was een Tachtiger epigoon die zich als schrijver zocht te bevestigen door impressionistische observaties als deze waarbij men zich niets meer kan voorstellen: ‘Tussen neerleppende bladeren der stijfrechte struikjes, met rossige bloesem aan top, felden zonnestraaltjes neer op hompige klonters van pas losgewoelde grond,

[p. 282]

bleven er trillend na-beven, geelrood over zwart’ (Van Java's wegen, 1904, blz. 67). Zulke schilderingen met de pen overwoekeren zijn verhaal, ze leiden af van wat hij te zeggen heeft; in plaats van iets te suggereren werkt zijn schrijfwijze irriterend. Jasper was als schrijver de dupe van een in die tijd overigens nogal veelvuldig voorkomend misverstand waardoor een afstand ging ontstaan tussen de werkelijke bedoelingen van de schrijver en zijn litteraire pretenties. Zijn hele werk - het latere overigens minder - wordt door dit misverstand bepaald en we kunnen het alleen maar betreuren dat daardoor zoveel mogelijkheden verloren zijn gegaan. Wat had hij van de verhalen uit de bundels Van deugden en dwalingen [1910] of Stille invloeden [1906] niet kunnen maken! Het gegeven van bijna elk verhaal uit de reeks van Indische levens die hij ons in deze bundels laat zien - van Javanen, Indo's en totoks - is boeiend en een enkele keer, als het leven het van de litteratuur wint, zoals in de schets ‘Oudje’ of ‘Ommekeer’ of ‘De muziekmeester’, vergeten we dat hij aan litteratuur bezig is. Zulke verhalen laten dan een sterke indruk op ons achter.

In hetzelfde jaar 1910 - een zeer werkzaam jaar blijkbaar - bracht Jasper weer een aantal verhalen bijeen die eerst in allerlei tijdschriften (waaronder De Gids) en dagbladen (vooral in de Java-Bode) gepubliceerd waren. Hij noemde deze bundel De diepe stroomingen [1910]. Dat waren voor hem de hartstochten die de mens beheersen en zijn lot bepalen: liefde, haat, jalouzie, lust en onlust.

Eén ding valt bij Jasper op: dat hij zich het beste in de gevoelswereld van de Indo-Europeaan kan inleven, de altijd bij de Europeaan achtergestelde Indo-pauper met zijn rancune tegen de totok en zijn vanzelfsprekende superioriteit tegenover de Inlander (‘Overal moet een haat broeien,’ zegt de Indo). Jasper was zelf een ‘Indische jongen’, in Surabaja geboren, en al werd hij later een hoog ambtenaar (hij eindigde als gouverneur van Jogjakarta), hij bleef zich tot op zekere hoogte solidair voelen met de kleine Indo. Maar Jasper - al stond hij er wat verder van af - kende óók de Javaan; hij begreep hem en zonder zich met zijn lot te vereenzelvigen, wist hij zoveel van hem af als dit voor een Europeaan mogelijk was. Hij wist precies hoe een Javaan zijn hoofddoek plooide en een Javaanse vrouw haar sarung. Hij was de grote kenner van de Javaanse batik- en weefkunst en de organisator van vele tentoonstellingen. In 1906 werd hij als controleur belast met een onder-

[p. 283]

zoek naar de kunstnijverheid. Met een onderbreking van twee jaren (voor verlof in Nederland) bleef hij tot 1915 aan dit onderzoek werken. Toen was het voltooid. Van 1912 tot 1930 verscheen het prachtig uitgegeven standaardwerk dat Jasper in samenwerking met Mas Pirngadi schreef: De Inlandsche kunstnijverheid in Nederlandsch-Indië, in vijf zware delen met talrijke gekleurde platen en reprodukties.

Jasper heeft zich na zijn pensionering niet in Holland gevestigd zoals de meeste Europeanen. Hij beschouwde Indië als zijn moederland en werd een blijver. In 1945 stierf hij in het Japanse concentratiekamp te Tjimahi.

Als we de ambtelijke loopbaan van Jasper volgen, zien we dat hij een ‘Java-man’ was, d.w.z. een bestuursambtenaar die zijn diensttijd vrijwel geheel op Java had doorgebracht. L.C. Westenenk (1872-1930) was een man van de buitengewesten. De buitengewesten betekenden een andere manier van leven, een primitiever bestaan, maar ook een andere aanleg en een andere persoonlijkheid. Westenenk werd overigens evenals Jasper op Java geboren. Hij was de zoon van een koffieplanter. Zijn moeder was een Indische, stammend uit een grote Indische familie. Op zijn zevende jaar nam zijn vader hem mee naar Holland waar hij bij een tante in Deventer in huis kwam. Toch behield zijn spraak, ook later, een Indisch accent en evenals Jasper bleef hij in verschillende opzichten een Indische jongen. Voor het overige houdt de vergelijking met Jasper op. Jasper was een man van een zekere verfijning, een kunstzinnig man, voorzitter van de kunstkring, een sociabel man ook, met iets van de esteet over zich; in ieder geval een ander type dan Westenenk. Damsté, jarenlang zijn vriend, vertelt over Westenenks jeugdjaren in Deventer. Hij was toen al een uitblinker. Hij spoog het verst, hij liep het snelst en sloeg het hardst en toen hij ouder werd: roeien, zwemmen, schaatsenrijden en wandelen, urenlang. Een jongen bestemd voor het buitenleven.

Zijn vader besliste dat hij bestuursambtenaar zou worden en het gebeurde. In Bandung, op een bureau, hield hij het niet uit. Hij werd naar Borneo overgeplaatst aan de rivier de Kapuas als enige blanke in een gebied van negentig vierkante geografische mijlen. Hij was toen drieëntwintig. Een huis op palen in de rivier, planten, bloemen, vooral orchideeën en een hele menagerie. ‘Zo'n leven bevalt me uitstekend,’ schreef hij naar huis, ‘men kan tegelijk zo heerlijk studie

[p. 284]

maken van land en volk, ethnografica inzamelen enz.’ En zo zou het blijven. De Westkust van Sumatra zou later zijn gebied worden. Hij hield van jagen, hij hield van honden en paarden. Overal waar hij kwam liet hij renbanen aanleggen en organiseerde hij races. Westenenk bezat niet bepaald een retrospectieve natuur, hij was meer een man van de daad en de praktijk, minder ambtenaar dan bestuurder, een man van tournees door het binnenland, tot diep in het oerwoud met alleen een paar gidsen en dragers bij zich. En dan maar praten met de mensen die hij ontmoette! Hijzelf was een geboren verteller, die als causeur grote indruk op Louis Couperus zou maken. Op die dagenlange tochten - levend met en tussen zijn mensen - leerde hij de bevolking kennen, hun gewoonten, hun gedachtensfeer, hun adat. Daardoor leerde hij veel begrijpen en bezat hij groot gezag. Hij wist veel meer van zijn gewest en de mensen af dan de meeste andere bestuursambtenaren en daarmee imponeerde hij iedereen, zowel zijn collega's als buitenstaanders. Als jong ambtenaar had hij reeds geleerd te beslissen en te bevelen. Dit heeft een stempel op zijn persoonlijkheid gedrukt. Hij deed veel voor de bevolking omdat hij haar op zijn manier oprecht liefhad, maar hij gedroeg zich daarbij weleens als een heerszuchtige vader die geen tegenspraak duldde. Om dezelfde eigenschap kwam hij ook in conflict met andere ambtenaren, ook met zijn superieuren. Westenenk heeft in zijn loopbaan vele ‘kwesties’ gehad, maar zijn voortreffelijk bestuurswerk redde hem steeds en vooral zijn grote kennis van de bevolking. Ze spreekt uit elke bladzijde van zijn boeken: Waar mensch en tijger buren zijn (1927) en Het rijk van Bittertong, postuum uitgegeven in 1932.

Westenenk was geen ‘litterator’, maar hij schrijft goed, eenvoudig, recht op de man af, niet in een grote stijl, maar ook zonder tierelantijnen of woordkunst. Hij schreef geen verhalen en geen romans, maar altijd vanuit zijn eigen ervaring (‘geen verdichtsels’, zei hij zelf): over tijgers en het tijgergeloof, over een oud volkshoofd, over ‘bijgeloof’ en magie, over de bosmensen, de ‘orang pèndèk’, over de raadselen der wildernis', over de jacht op groot wild, over de ‘tjinta manis’, de dromende giftslang, over Penjoe, de trogschildpad, over Telegoe, de stinkdas, of Jozef de neushoornvogel enzovoorts. Alles wat hij schrijft is curieus, merkwaardig, boeiend en interessant. En als men zich afvraagt of het verhaal zelf dan wel de vertelwijze de overdracht be-

[p. 285]

werkstelligt, dan moet het antwoord zijn dat dit er weinig toe doet. Westenenk slaagt erin ons binnen te voeren in een onbekende en intrigerende wereld. En hij doet dit door te schrijven.