Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 290]

2. Het ‘Weekblad voor Indië’

Het eerste nummer van het Weekblad voor Indië verscheen op 1 mei 1904. De redacteur was M. van Geuns en de uitgeefster de N.V. Soerabajasch Handelsblad en Drukkerijen te Surabaja. Van Geuns was ook hoofdredacteur van het Soerabajasch Handelsblad. Natuurlijk moest hij het eerste nummer van zijn weekblad ‘een woord ter introductie’ meegeven. Hij refereert aan Otto Knaap wiens gebundelde muziek-recensies Eenige jaren kunstleven te Batavia (1899) door hem worden genoemd. Het kunstleven is arm, al valt er op muzikaal gebied nog wat te beleven. Zodra we echter over bellettrie komen te spreken, grijpen we in een luchtledig. Borel wordt geciteerd (uit het Voorwoord van zijn Studiën), die ook al eerder door Otto Knaap werd aangehaald: ‘De litteratuur is in Indië nog altijd enkel een verstrooiing voor ledige uren, en een innig apart litterair leven bestaat er evenmin als een aparte Nederlands-Indische litteratuur van betekenis.’ Van Geuns tracht het verschijnsel te analyseren in een pretentieus Nederlands: alleen een kleine elite (een ‘keurtroepje’, zegt Van Geuns) heeft behoefte aan litteratuur, maar zij hebben geen publicatiemogelijkheid of zoals Van Geuns het fraaier tracht te zeggen: ‘de weg van hun gemoed naar dat van anderen is vrijwel ongebaand’. Wel kunnen ze hun bijdragen naar een dagblad sturen, maar ‘in een courant past teer litterair werk evenmin als champagne in een ordinair drinkglas.’ Er moet een andere ‘receptakel’ komen, schrijft hij. Welnu, dit wil het Weekblad voor Indië zijn.

We moeten ons overigens niet voorstellen dat het Weekblad voor Indië een periodiek is geworden voor ‘kunst en letteren’. Het werd een compromis. Naast toneel- en boekrecensies, naast kunstbeschouwingen, naast de publicatie van oorspronkelijke feuilletons, schetsen, verhalen en toneelstukken, staan er ook artikelen in over politiek en staatkunde, over onlusten, over roofovervallen en moorden. Zo wordt de beruchte moordenaar Brinkman, die een dubbel leven leidde en twee vrouwen op spectaculaire wijze vermoordde, in een reeks aantrekkelijke artikelen (met foto's) aan het ‘keurtroepje’ van lezers voorgesteld. Niet ten onrechte overigens, want misschien is het Weekblad voor Indië juist door dit compromis leesbaar gebleven en heeft het zich zo lang weten te handhaven. Welgeteld vijftien jaar; iets ongehoords voor Indië!

[p. 291]

Al die jaren heeft het blijkbaar in een behoefte voorzien. Het heeft ruimte geschapen en daardoor een zekere litteraire werkzaamheid gestimuleerd, hoe men over de kwaliteit daarvan ook mag denken.

Als we de vijftien jaargangen doorbladeren, vinden we bevestigd wat door historici en sociologen al eerder is opgemerkt: dat na 1900 een proces van europeanisering begint of zich doorzet en dat tegelijk - hoe paradoxaal dit ook klinkt - een toenemende aandacht komt voor het eigene, voor het karakteristiek Indische en Indonesische.

Europa komt door de verbeterde communicatiemiddelen dichterbij Nederlands-Indië te liggen en de belangstelling voor het moederland wordt levendig gehouden door beschouwingen over wat er in Europa en vooral in Nederland gaande is, op allerlei gebied. We vinden artikelen over het concertleven in Nederland, over het toneel, over Nederlandse letterkunde; er is een Parijse correspondentie, er is een rubriek ‘Wereldnieuws’, er zijn beschouwingen over de nieuwste damesmode, maar de nadruk valt op Indische aangelegenheden, op Indische toestanden, op Indische bellettrie en Indisch toneel. Er zijn artikelen over het pauperisme onder de Indo's, over de Indo in de litteratuur, over de verhouding tussen totoks en Indo's, over de ‘karaktervorming van de Indo’; het Junghuhn-gedenkboek van 1910 wordt besproken en Augusta de Wit draagt bij met een artikel over Junghuhn; er is een rubriek ‘Indische pennekrassen’ en in elke jaargang worden Indische schetsen en verhalen afgedrukt of worden beschouwingen gewijd aan de kansen voor een Indische letterkunde, maar vooral het Indische muziek- en toneelleven wordt op de voet gevolgd.

Tussen 1900 en de Eerste Wereldoorlog bezoeken met toenemende frequentie bekende musici en toneelgezelschappen Indië en maken tournees die weken en maanden duren. Het eerste Nederlandse toneelgezelschap dat naar Indië kwam (in 1904), was dat van Henri Brondgeest (het ‘Brombeest’, zei men in Indië). Door zijn repertoire bij de Indische smaak en de wens naar divertissement aan te passen, werd zijn tournee een succes, maar als men sommige malcontenten mag geloven als Henri Borel, Karel Wybrands, de redacteur van Het Nieuws van den Dag, of de kunstzinnige bestuursambtenaar J.E. Jasper, dan had Brondgeest zijn publiek ‘prulwerk’ voorgezet (Wybrands) dat met kunst niets te maken had (Borel) en het peil van dilettanten maar even overschreed (Jasper). Het was duidelijk dat Brondgeest het ouderwetse

[p. 292]

theater bracht, met ‘ogengerol’ en ‘bulderende uitvallen’, met ‘allerzonderlingst gedraai’ en ‘krampachtige bewegingen’. Na Brondgeest kwam de grote Louis Bouwmeester op het financiële succes af. Hij speelde, maar zijn gezelschap acteerde en de regie faalde. Met zijn stemgeluid en gebaren kon hij het alleen niet redden. Het is een verdienste van het Weekblad voor Indië geweest zich niet te hebben laten overbluffen door een grote reputatie.

Soms maakte een aantal spelers zich van een gezelschap los en bleef in Indië om een nieuw gezelschap te vormen. Bekende acteurs en actrices als Eduard Verkade, Louis Chrispijn, Fie Carelsen, Frits Bouwmeester, Louis de Vries, Cor van der Lugt Melsert, Annie van Ees, Tilly Lus, Cor Ruys en talrijke anderen zijn in Indië opgetreden. Maar als men het repertoire beziet, is het duidelijk dat het Indische publiek nog altijd afkerig was van ‘zware kost’. Bij de betere stukken bleef men eenvoudig weg. Het is een klacht waarover men dikwijls leest, niet alleen in het Weekblad voor Indië, maar ook in de dagbladen. Naast deze toneelensembles bezochten ook buitenlandse, Franse, Italiaanse, Russische en Duitse opera- en operettegezelschappen Indië. Bijzonder populair werd Poldi Reiff (‘der schöne Poldi’), vooral met zijn Dollar-prinzessin.

Door de komst van deze beroepsspelers werd de zelfwerkzaamheid nauwelijks geremd, ze werd eerder gestimuleerd. Steeds weer, in elk nummer, lezen we in het Weekblad voor Indië van muziek- en toneelopvoeringen en voordrachten door Indische amateurs. Indië had in deze jaren zijn eigen muziekensembles, zijn eigen muziekleraren, zijn eigen toneelverenigingen, zijn eigen toneelspelers en regisseurs; het had zelfs zijn eigen toneelschrijvers. Het aantal Indische stukken is talrijk geweest. De Semarangse journalist Brooshooft bracht in de jaren tachtig al Indische onderwerpen op het toneel. Na hem kwamen anderen waarvan niemand zich de namen of de titels nog herinnert. Men kan ze in het Weekblad voor Indië terugvinden. Slechts een drietal heeft bekendheid gekregen: Jan Fabricius, Henri van Wermeskerken en Hans van de Wall. Ze schreven te zamen een heel Indisch repertoire bij elkaar.