Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 293]

3. Jan Fabriciusaant.

Jan Fabricius (1871-1964) ging eind 1892 naar Indië als ‘chef d'atelier’ van een drukkerij, maar zijn ambities gingen meer in de richting van de journalistiek. Met een vriend richtte hij in Bandung de Preangerbode op. In 1902 werd hij ziek en ging naar Holland terug. Tijdens zijn verblijf in Nederland - maar met hoofd en hart nog steeds in Indië - schreef hij zijn eerste Indische toneelstukken. In Haarlem waar hij werkzaam was, ontmoette hij de toneelspeler Frits Bouwmeester die met plannen rondliep voor een Indische tournee. Bouwmeester zei toen tegen Fabricius: ‘Jij maakt voor mij een toneelstuk, een Indisch toneelstuk. Ik open ermee in Batavia.’ Fabricius nam de woorden in ernst, Frits Bouwmeester blijkbaar niet. Hij was al naar Indië vertrokken toen Fabricius met zijn eerste toneelstuk voor de dag kwam. Er was aanvankelijk niets mee te doen; pas later zag Fabricius kans het opgevoerd te krijgen. Het heette Met den handschoen getrouwd (1906). Het gegeven was nogal traditioneel; het was zelfs één van de meest verbruikte thema's van de Indische bellettrie. Ook Brooshooft had ermee gewerkt in Zijn meisje komt uit. In beide stukken, maar ook in talrijke verhalen en romans, gaat het om het ‘uitkomen’ van een ‘handschoentje’ dat in de nare complicaties geraakt van een typisch Indische situatie. Het Indische leven gaf het elke dag te zien: het jonge vrouwtje dat aan boord haar ‘zoutwaterliefde’ leert kennen of de jonge man die zich niet van zijn njai kan losmaken of die zijn voorkinderen verzwegen heeft of de njai die wraak neemt of dit alles te zamen. In ieder geval zijn de consequenties altijd akelig voor de betrokken partijen. Spanningen in overvloed, maar juist daarom bij uitstek geschikt voor het scheppen van dramatische scènes, want toneel, meende men toen blijkbaar, moest nu eenmaal dramatisch zijn en daarvoor waren ‘schrille contrasten’ nodig en conflictsituaties die tot een climax en een catastrofe moesten leiden, met handenwringen, snikken en tranen, vooral ‘ingehouden tranen’. Aan deze eisen voldeed het eerste stuk van Fabricius ruimschoots.

Een jaar later, in 1907, verscheen Eenzaam, een nieuw stuk met een andere variant op Indische toestanden: alweer een planter, maar ditmaal een die niet - zoals in Met den handschoen getrouwd - ondergaat in ruwheid en beestachtigheid, maar die zijn hoge idealen blijft conser-

[p. 294]

veren. Hij offert zich op voor het meisje dat hem liefheeft: ‘Dat ze uit liefde voor mij de mooiste jaren van haar leven in een afgelegen wildernis doorbrengt, met ter wereld geen sterveling om zich heen, als ik eens een dag of wat het bos in moet. Dat wil ik niet! Ik ben er trots op het niet te willen.’ Hijzelf gaat aan de eenzaamheid ten onder en wordt krankzinnig. En men moet zich de mogelijkheden hiervan op het toneel voorstellen!

Beide stukken hebben groot succes gehad. Met den handschoen getrouwd en Eenzaam zijn ‘enige honderden malen’ gespeeld, zowel door Nederlandse beroepsspelers als Indische amateurs. De figuur van de zo eenzame en opofferende Willem Bijlevoorde stelde Cor van der Lugt Melsert tot een ‘grote creatie’ in staat, kan men lezen, en we behoeven slechts de foto te bekijken van de gek wordende Willem (= Cor van der Lugt Melsert) om te weten wat men daaronder verstond. We moeten Fabricius nageven dat hij een goed gevoel had voor wat men toen essentieel voor het toneel vond: het vermogen spanningen te verbeelden en op te voeren naar een (melo-) dramatisch hoogtepunt. Zijn dialoog steunt daarbij voortdurend de handeling. Van Fabricius kunnen we zeggen dat hij over een intuïtief vakmanschap beschikte, dat wat juist vele Nederlandse toneelschrijvers ontbrak. Zijn stukken waren uitstekend opvoerbaar.

In begin 1910 ging Fabricius naar Indië terug. Hij was bijzonder energiek en richtte een nieuwe krant op, het Bataviaasch Handelsblad, dat onder zijn leiding een florissant bestaan leidde. Fabricius wist zijn medewerkers uitstekend te kiezen. Een van hen was de resident G.L. Gonggrijp (1859-1939) die onder het pseudoniem Opheffer ruim honderd brieven aan Fabricius schreef over allerlei zaken, vooral bestuurszaken. Ze vormden een trekpleister voor het blad. Gonggrijp kon bijzonder aardig schrijven, met een nooit aflatende ironie. Hij spotte op lichte toon met de ‘ethische richting’ (zie volgende hoofdstuk) die de Inlander wilde ‘opheffen’, en met het gepraat over de ‘bruine broeder’. Hij begreep niet goed waarom de ethici het nodig vonden zo te spreken. Hij kon en wilde niet van ideeën uitgaan, maar van de werkelijkheid en de mens zoals deze was. Opheffer was krachtens zijn aard en aanleg conservatief, maar op andere wijze dan de ethici ook ethicus door een aangeboren humaniteit. Fabricius had eigenlijk veel met hem gemeen. Wel was hij meer dan Gonggrijp

[p. 295]

een man van de ‘rechte lijn’ (titel van één van Fabricius' toneelstukken) die onder een ‘ruwe schors’ een portie ongecontroleerde gevoeligheid verborg.

En het is deze soort ‘gevoeligheid’ die hij als toneelschrijver niet in de hand weet te houden. Hij kan gruwelijk sentimenteel en melo-dramatisch worden, wat bij een deel van het publiek misschien wel aansloeg, maar wat hem verhinderd heeft een belangrijk of zelfs maar goed auteur te worden. Zijn onkritische biograaf, de Belgische doctor Karel Loos, vergelijkt hem met de grootste toneelschrijvers als Shakespeare, Molière, Ibsen. Ook met Heijermans. Juist Heijermans die in dezelfde tijd en in hetzelfde Nederland schreef, doet zien wat Fabricius miste.

Zolang Fabricius in Indië was, werd hij geheel in beslag genomen door zijn hoofdredacteurschap en de schrijver ging schuil achter de journalist. Maar niet zodra is Fabricius (sinds 1914) in Holland of hij begint weer (Indische) toneelstukken te schrijven, waaronder een drama in de aloude trant: Sonna (1916). Zo heet de njai van een officier die met verlof is gegaan en die zijn enige zoon uit de verbintenis met deze njai heeft meegenomen. Natuurlijk - de eerste complicatie ligt voor de hand - heeft hij in Holland een meisje leren kennen. In het begin van het stuk wacht Sonna in spanning de komst van haar zoon en haar ‘heer’ af. Maar de jongen, die voortdurend met een Kodak-toestelletje rondloopt, herkent zijn moeder niet meer; ze is een vreemde voor hem geworden. De officier blijkt intussen zeer gehecht te zijn aan zijn kind dat hij eerst niet gewenst heeft. Hij complotteert met zijn vriend de bestuursambtenaar om zijn zoon te erkennen. Een erkenning (louter een formaliteit) betekent dat het kind van de vader is en zijn naam krijgt zonder dat de moeder er rechten op kan doen gelden. De onwetend gehouden Sonna merkt pas aan het slot wat zij gedaan heeft door haar toestemming te verlenen en maakt een flinke scène. Maar het is te laat. De officier is wel onder de indruk van wat zij zegt (het is de bedoeling dat het publiek het ook wordt) en zijn vriend Julius, de bestuursambtenaar roept wel uit: ‘wij zijn schoften’, maar daar blijft het bij. Fabricius kiest nauwelijks partij - misschien wel emotioneel - maar hij verlaat zijn plaats van toeschouwerschap maar liever niet. Een Indische tragedie heeft zich voltrokken en een tragedie laat geen ruimte meer voor een persoonlijke keuze. In Sonna worden alle registers van het gevoel vrijblijvend voor het Europese schouwburgpubliek

[p. 296]

uitgetrokken. Aan het slot verdwijnt Sonna langzaam van het toneel: ‘buiten klinkt het geluid van een biddende Inlander.’ De officier kan een snik niet bedwingen.

In de drie volgende stukken die alle omstreeks dezelfde tijd geschreven werden, brengt Fabricius de Indo-Europeaan op het toneel. Daar is allereerst, van 1915, de ‘plantersidylle’ Totok en Indo: de rivaliteit tussen de Indo Herman en de totok Koeleman om Georgine, de dochter van de administrateur. De totok, ofschoon een ‘presentkaasje’ uit Holland, wint het natuurlijk. Hij is aardig, origineel en charmant. Herman, de Indo, is een goed mens, hij is alleen een beetje bespottelijk. Hij en zijn vriend Cornelis spelen natuurlijk krontjong en zingen wat liefdesliedjes en moeten met hun gekke mengtaaltje het lachsucces verzekeren. De opvoering in Surabaja gaf aanleiding tot kleine incidenten en protesten van Indo-Europese zijde, maar de Indo-groep was toen nog niet zelfbewust genoeg om tot werkelijke acties over te gaan. Het Weekblad voor Indië dat van deze incidenten melding maakt, voert aan dat Fabricius de Indo allerminst een kwaad hart toedroeg, dat hij hem aan het slot toch de hand reikt, zonder dat de redactie blijkbaar kon inzien dat de wijze van voorstellen op zichzelf discriminerend was.

Toch is het alsof Fabricius de bezwaren die tegen zijn voorstelling van de Indo-Europeaan ingebracht zijn, zo zwaar heeft laten wegen dat hij in Nonni (1916) de edele en ‘ethische’ planter Woesthoogen nog in het voorbijgaan tot een ‘Indische jongen’ maakt zonder dat dit voor het stuk enige betekenis heeft. Nonni speelt geheel in een Indo-Europees milieu, een stuk met een eenvoudige intrige dat als toneelstuk goed in elkaar zit, met een natuurlijke dialoog die Fabricius door meer ingewijden dan hijzelf op de goede weergave van het ‘Indisch’ heeft laten bewerken. Het stuk is gelukkig ook vrij van de valse pretenties van zijn melodrama's.

In Dolle Hans (1916)- dat met Totok en Indo wel het meest gespeelde van alle stukken van Fabricius is - blijkt zelfs de held een Indo, zij het dat deze officier is en geen opziener. Hij is een bewonderenswaardige, flinke man - alweer één van de ‘rechte lijn’ waar Fabricius' voorkeur naar uitgaat - maar heel driftig. Zijn drift wordt hem noodlottig. Hij wordt zelfs geëxecuteerd. Daar tussendoor loopt natuurlijk nog een liefdesverhouding.