Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 308]

XIV ‘De wijdere wereld’

1. De ethische koersaant.

Hoe sterk elke Europeaan die in Indië woonde onderworpen werd aan een proces van omvorming, hoezeer hij ook een ‘ander mens’ werd, hij kon zijn oorsprong toch nooit geheel verloochenen. Hij bleef iets van de burgerjongen behouden, want uit de burgerklasse, en vaak de kleine burgerklasse, is altijd de grootste groep van de Hollandse ‘import’ afkomstig geweest. De burgerjongen die naar Indië kwam, steeg sociaal onmiddellijk. Alleen al door zijn blanke huid nam hij een bevoorrechte positie in. Indië verschafte hem het onschatbare voordeel van zich enige graden te voelen stijgen en gaf hem na veel onzekerheid, vernedering en bekrompenheid een gevoel van eigenwaarde dat juist door het verlies van de conventionele normen weleens oversloeg in lawaaierigheid en buitensporigheid. Daar waar de weerstand het minste was, liet hij zich het meeste gaan: tegenover de Inlander. Vandaar de beruchte Indische snauwtoon. ‘Ajo, lekas!’ (‘Vooruit, vlug!’) lag in zijn mond bestorven, evenals het ‘godverdomme’, schreef Bas Veth. Men vindt dit bevelen trouwens in elke Indische roman als iets volstrekt vanzelfsprekends.

De verschijnselen die Veth soms zeer scherp waarnam, blijken afgeleid te kunnen worden uit de sociale verhoudingen, maar wie de Indische samenleving naar het boek van Veth wil beoordelen, zal rekening moeten houden met allerlei correcties die hij aan ander materiaal zal moeten ontlenen, ook aan ander materiaal dan de letterkunde.

Zelfs Bas Veth die kennelijk een rekening had te vereffenen met de Indischman, moest erkennen dat er uitzonderingen waren, al noemde hij zulke uitzonderingen geen Indischman meer. Hij vond ze onder ambtenaren, officieren, doktoren, onder planters en kooplieden, eigen-

[p. 309]

lijk overal. Ze vormen de bovenlaag van de Europese samenleving, maar deze was in de negentiende eeuw nog zeer dun, zo dun dat ze op geen enkele wijze bepalend was voor die samenleving. Het geringe aantal en de spreiding over een groot gebied verhinderen bovendien het onderling contact. Een ‘Oudgast’ (in een boekje getiteld Onze Oost) schreef in 1897: ‘De Europeanen in Indië zijn te weinig in getal en wonen te ver van elkaar verspreid om een samenleving of maatschappij uit te maken en hebben derhalve niet genoeg voeling met elkander om de wederzijdse behoefte aan geestelijke werkzaamheid te bevredigen.’ Maar dezelfde ‘Oudgast’ schreef ook dat er hoe langer hoe meer ‘beschaafde mannen en vrouwen’ zich in Indië gingen vestigen en dat betekende - tenminste als we op zijn waarneming mogen vertrouwen - naast de absolute stijging van het aantal Europeanen, ook een kwalitatieve verbetering. De absolute stijging staat vast (van 1860 tot 1900 was het aantal Europeanen verdubbeld), de kwalitatieve verbetering wordt door de beschikbare statistische gegevens waarschijnlijk gemaakt. Van belang voor de ontwikkeling van deze samenleving is ook de naar verhouding zeer sterke toename van het aantal Europese vrouwen geweest. Hoe het ook zij, een proces van normalisering trad in en ook dit - naast de absolute stijging - bracht, tenminste in de steden, grotere mogelijkheden tot communicatie in de toplaag. Ook deze toplaag stond als vreemdeling en vreemde tegenover de Inlander, veel meer dan Boeka, Jasper of Westenenk; ook zij sprak van ‘onbewogen gelaatstrekken’, ook zij erkende buiten het zieleleven van de Javaan te staan, maar zij sprak niet meer van een ‘dienend volkje’, zoals Creusesol, dat gelukkig was met een sobere leefwijze; ze ging zich realiseren dat zulke ‘observaties’ alleen dienden om zich aan verantwoordelijkheden te onttrekken en dat in werkelijkheid de economische toestand waarin de bevolking verkeerde, deplorabel was. De Semarangse journalist Brooshooft schreef reeds in 1884: ‘Ik ben Nederlander, ik profiteer dagelijks van de koloniale baten; voor mijn persoon zou ik het belang van Nederland moeten stellen boven dat van Indië en toch twijfel ik er geen ogenblik aan of Nederland heeft Indië een groot onrecht aangedaan, waartegen ieder eerlijk hart in opstand moet komen.’ In 1887 nam hij, geschokt door wat hij op een reis door Java gezien had, het initiatief tot een adres aan twaalf vooraanstaande Nederlanders, waarin dezen verzocht werden kennis te nemen van de ‘heilloze gevol-

[p. 310]

gen van het bestuur in Nederlandsch-Indië.’ Het ging vergezeld van een door Brooshooft zelf samengestelde Memorie over den toestand in Indië, een voortreffelijk werkstuk dat een boekdeel vormt. Veel gehoor heeft Brooshooft in Nederland echter niet gekregen. Eerst tegen het einde van de negentiende eeuw begon de ernst van de situatie tot de regering door te dringen en gingen haar de ogen open. Misschien realiseerde ze zich toen pas dat het gevoerde systeem van koloniale exploitatie tot een verstopping van de algemene welvaart had geleid, waarmee ze zelfs haar ‘welbegrepen eigenbelang’ niet meer diende. Economische en ethische overwegingen liepen in elkaar over en leidden in 1902 tot de benoeming van een commissie die de oorzaken van de ‘mindere welvaart’ moest opsporen, de zogenaamde Mindere Welvaartscommissie. Het zeer omvangrijke rapport dat in het geheel twaalf delen beslaat, was eerst in 1914 geheel voltooid. Het bevat voor de sociale onderzoeker bijzonder belangrijk materiaal. Bovendien verleende in 1904 de ethische Minister van Koloniën Idenburg aan de bekende Indische specialist in de Kamer, mr. C. Th. van Deventer, de opdracht een rapport te schrijven over De economische toestand der Inheemsche bevolking van Java en Madoera. Dit rapport dat nog in hetzelfde jaar verscheen, liet aan duidelijkheid niets te wensen over en eindigde met een officieel klinkende en beleefd geformuleerde beschuldiging aan het adres van de regering. De opdracht van Minister Idenburg aan Van Deventer was niet toevallig. We kunnen hier gerust van een soort samenspel spreken. Idenburg kende Van Deventers denkbeelden, die reeds in 1899 in De Gids een veelbesproken artikel geschreven had dat hij ‘Een eereschuld’ noemde. Hierin bepleitte hij een restitutie van de bedragen die Nederland in de loop der jaren aan Indië onttrokken had, nu de bevolking zich, zoals Van Deventer zei, in een ‘zorgwekkende toestand’ bevond. Er bestond voor hem geen betere politiek voor Indië dan een politiek van ‘rechtvaardigheid en eerlijkheid’. Dit moet Idenburg uit het hart zijn gegrepen.

‘De ethische koers in de koloniale politiek’ - de titel van een brochure van Brooshooft - laat men gewoonlijk beginnen met de bekende troonrede van 1901, waarin de regering voor het eerst van een ‘zedelijke roeping’ jegens de bevolking sprak. Deze leidde tot een, overigens nog bescheiden, verbetering van het onderwijs voor Inlanders dat op westerse leest werd geschoeid (omdat men het begrip ontwikkeling niet

[p. 311]

anders dan in westerse zin kon interpreteren) en tot een voorzichtige welvaartspolitiek (aanleg van irrigatiewerken, bevordering van het volkscredietwezen, van kleine inheemse industrieën en van kunstnijverheid). Een consequent gevolgde richtlijn voor het regeringsbeleid is het ‘nieuwe rechtsbewustzijn’ zoals Brooshooft het noemde, nooit kunnen worden en heeft nog minder in brede lagen van de Europese samenleving wortel kunnen schieten. Het is beperkt gebleven tot een kleine, zij het invloedrijke groep, waaraan behalve die van Brooshooft, ook de namen zijn verbonden van gouverneurs-generaal als Idenburg en Van Limburg Stirum; van politici als Van Deventer, Van Kol, Kielstra, Abendanon; van geleerden als Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven; van schrijfsters als Augusta de Wit, Marie C. van Zeggelen en anderen. Op een bepaald niveau had een uitwisseling plaats tussen Nederlanders en Indonesiërs. De Indonesiër drong in de gevoelssfeer van de Europeaan, maar omgekeerd trad ook de Europeaan naar buiten en kwam de Indonesiër tegemoet. Hij ontdekte een andere wereld die hij wilde begrijpen en waarin hij ook trachtte door te dringen. Hij bleef niet meer opgesloten in zijn kleine belangensfeer. Zijn aandacht verbreedde zich. Van zijn standpunt uit kunnen we dan ook inderdaad spreken van een ‘wijdere wereld’. Wat men ook van het ethicisme zeggen kan - het was wat superieur en soms al te devoot en dierbaar van toon - het vertegenwoordigt het koloniaal geweten; het werd gedragen door een oprecht gevoel van medeleven met het lot van de Inlander die men wilde ‘opheffen’ uit een staat van materiële armoede en sociale discriminatie. Daarvoor was het nodig dat hij zich bevrijdde van feodale tradities en zich ontwikkelde in westerse zin, een proces van emancipatie en opvoeding tot zelfstandigheid. Nederlanders en Indonesiërs moesten in de toekomst samen Indië opbouwen, zei men, en men introduceerde het woord associatiepolitiek. Verder kon de ethicus voorlopig niet zien. Aan de koloniale maatschappijstructuur werd niet getornd en alle vooruitgang voor de Indonesiër moest zich voltrekken binnen dit systeem. De ethische koers trad op humanitaire gronden eigenlijk alleen corrigerend op. Er waren onder de ethici ook enkele socialisten zoals Van Kol en later Stokvis en nog anderen, maar zelfs zij die de koloniale verhouding veroordeelden en het Indonesische nationalisme erkenden als een ‘gelukkige opleving van de Inlandse massa’, konden slechts op lange termijn denken en meenden dat het

[p. 312]

Europese leiderschap nog voor vele jaren noodzakelijk was. Bij alle genegenheid, toenadering, respect en bewondering voor verschillende uitingen van de Indonesische cultuur en samenleving, ging zelfs de ‘goedwillende Nederlander’ vanzelfsprekend uit van de superioriteit van het Westen. Zonder dit besef zou hij overigens zijn taak van opheffen en opvoeden niet hebben kunnen vervullen, al kreeg hij daardoor - vaak tegen zijn zin in - de rol toebedeeld van de welmenende voogd die niet kon nalaten over zijn geliefde pupillen te blijven waken, ook toen ze allang zelfstandig en onafhankelijk wilden zijn. J.S. Furnivall in zijn bekende werk Netherlands India; een study of plural society, 1939, blz. 389, typeerde deze zucht tot bevoogding alsvolgt: ‘All these people want to help so much: “let me help you”, one can almost hear them say, “let me show you how to do it, let me do it for you.”’