Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2. De ethiciaant.

We beginnen met de pionier, mr. Pieter Brooshooft (1845-1921), één van de beste journalisten die Indië ooit gekend heeft. Maar Brooshooft was daarnaast ook litterator, dat wil zeggen hij schreef ook verhalen, gedichten en toneelstukken. Helaas lag in het letterkundig genre zijn kracht niet. Als schrijver kon hij niet in de schaduw staan van zijn collega P.A. Daum. Zodra de journalist Brooshooft vanuit zijn ethisch temperament schreef, kregen zijn zinnen overtuigingskracht, maar deze ontbreekt in zijn letterkundig werk. Letterkunde was voor hem blijkbaar een ‘uitspanning’ naast zijn journalistieke werkzaamheid, een vorm van amusement.

Brooshooft heeft enkele romans en toneelstukken geschreven. Niet alle spelen zich in Indië af of zijn op andere wijze met Indië verbonden. Wel het toneelspel Zijn meisje komt uit dat hij tussen 1880 en 1883 schreef en dat talrijke malen opgevoerd is. Maar hoe onmondig en groen moet het toneelpubliek geweest zijn dat zich hiermee heeft geamuseerd. Het is het traditionele procédé van dolk en geween, waarvan edele karakters, noodlottige vergissingen, adellijke titels, gekwetst eergevoel, opofferingsgezindheid en natuurlijk het onvermijdelijke duel, de ingrediënten vormen.

Gelukkig kon Brooshooft ook beter. Tussen 1883 en 1884, toen hij

[p. 313]

met ziekteverlof in Nederland was, schreef hij zijn beste werk: een satire op de Europese samenleving in Indië: Gedenkt te sterven! Tafereelen uit den Indischen choleratijd. Brooshoofts kritiek is dodelijk en als het erop aankomt, doeltreffender en geestiger dan die van Bas Veth, wiens boek zeker tienmaal zo lang is. ‘De Indische samenleving,’ zo begint Brooshooft zijn eerste hoofdstuk, ‘verkeert in haar gewone doen; ze is kwaadsprekend en vervelend.’ Vrij plotseling pakken de wolken zich samen: ‘Er is een Inlander gestorven. Natuurlijk betekent dat niets. Die mensen sterven dagelijks.’ Dan slaat de bliksem in; de eerste Europeaan sterft onder verdachte verschijnselen. Ja, maar eigenlijk is hij geen Europeaan, hij is een Indo-Europeaan: ‘die man had schier evenveel Javaans dan fatsoenlijk bloed in de aderen, at roedjak [scherpe vruchtensla] en onrijpe vruchten tegen de beste Inlander op. Was dat nu iemand om met grote ophef van te komen vertellen: er is een Europeaan aan de cholera gestorven?’ Maar dan sterft toch de eerste werkelijke Europeaan en de samenleving van ‘Snertavia’ raakt in paniek. ‘Berichten van treffende sterfgevallen circuleren met veelsoortige commentaren. De overledene had dit gedronken, dat gegeten, iets anders gedaan, nog iets anders verzuimd [...]. Dit alles geldt de sterfgevallen der Europeanen. Ook die van de Inlanders worden besproken, doch deze slechts à la masse en met de stereotiepe uitdrukking: ze sterven als ratten.’ Met deze satire kon het Indische publiek het doen, en het was misschien een geluk voor Brooshooft, die op het punt stond naar Indië terug te gaan, dat zijn boekje in 1884 vrijwel onopgemerkt is gebleven.

In 1904 keerde Brooshooft voorgoed naar Nederland terug als een teleurgesteld man. Van al wat hij had voorgestaan, een kwart eeuw lang, was achteraf bezien, maar bitter weinig verwezenlijkt. Zijn afscheidsartikel in De Locomotief van 31 december 1903 dat hij ‘Afscheid van een ziekbed’ noemde, weerspiegelt die teleurstelling. De eerste tijd in Holland had Brooshooft de grootste moeite zich staande te houden. Eerst langzamerhand begon hij weer te schrijven: litterair werk, waaronder een toneelstuk Arm Java (ca. 1906) dat nooit gedrukt of opgevoerd is. Het is overigens een mislukt toneelstuk, een redeneerdrama, waarbij de figuren als dragers van denkbeelden optreden, als levenloze mensen die soms in de stijl van een artikel of brochure praten. Toch is Arm Java een merkwaardig stuk, karakteristiek niet alleen voor

[p. 314]

Brooshooft zelf, maar ook voor wat er in die tijd gaande was in bestuur en beleid. We zien de ethische bestuursambtenaar optreden in de figuur van de assistent-resident Ekker en we horen de regentsdochter Moertinah de nood van haar volk schilderen. Beiden spreken uit waar Brooshooft al jaren de aandacht op had gevestigd: de ‘diepe en steeds toenemende armoede van de bevolking.’ Vandaar de titel. Arm Java is niet alleen curieus als tijdsverschijnsel, het maakt ook de indruk op een zekere actualiteit te zinspelen. Want wie denkt bij de geëmancipeerde regentsdochter Moertinah niet aan Kartini, de in 1904 overleden dochter van de regent van Japara, die in Hollandse damesbladen schreef en met Hollandse vriendinnen correspondeerde? Wordt Moertinahs vader niet voorgesteld als een verlicht regent zoals Kartini's vader het was en stamt ook hij niet uit het bekende geslacht van de Tjondro Negoro's? Zelfs de liefde van de assistent-resident Ekker voor Moertinah lijkt terug te gaan op een bekende mythe uit die tijd: Kartini's liefde voor een jong Hollands ambtenaar. Een typische mythe overigens van de ethische richting! Brooshooft laat de eveneens ethische Gouverneur-Generaal zeggen dat hij een eventueel huwelijk tussen Ekker en Moertinah zal toejuichen: ‘Ik acht dit de weg die we uit moeten om de twee rassen meer tot elkaar te brengen en om de ontwikkelde Inlander meer en meer aandeel te geven in het bestuur van zijn land.’ Het is in één zin: de ethische koers!

De verschijning van Kartini (1879-1904) is niet los te maken van de ethische richting. Welbeschouwd leeft ze in de geschiedenis voort dank zij het initiatief van de toenmalige ‘ethische’ directeur van Onderwijs, mr. J.H. Abendanon. Hij had in 1911, zeven jaar na haar dood op vijfentwintigjarige leeftijd, de correspondentie van Kartini gepubliceerd - helaas niet integraal.

Kartini is nu een legende geworden; ze is zelfs officieel tot nationale heldin geproclameerd, maar we vragen ons af wat er gebeurd zou zijn als de heer en mevrouw Abendanon haar niet beschouwd hadden als hun geestelijk pleegkind, als de heer Abendanon de brievenuitgave nu eens niet bezorgd had, als hij geen directeur van Onderwijs was geweest, als er later geen meisjesscholen ‘onder de hoede van haar naam’ gesticht waren? Dan zou men misschien nog een tijdlang over haar gesproken hebben - het geval-Kartini was een cause célèbre - en haar naam genoemd hebben als die van de geëmancipeerde dochter van de

[p. 315]

regent van Japara, maar ze zou op den duur toch de geschiedenis zijn ingegaan als niet veel meer dan een naam. Wat wij nu weten van wat in haar omging, wat wij kennen van haar illusies en denkbeelden, dit alles danken wij aan de brievenuitgave van Abendanon. Deze vormt, ondanks het daarna verrichte onderzoek, nog altijd de voornaamste bron voor de kennis van Kartini. Maar deze bron is onvolledig en laat verschillende vragen open. Misschien kon Kartini hierdoor langzamerhand uitgroeien tot een legendarische figuur, in de eerste plaats voor de Hollandse ethici die in haar een symbool wensten te zien voor de samenwerking tussen ‘blank en bruin’. Ze zagen in Kartini óók een ontwikkeling belichaamd zoals zij zich die voor de moderne Indonesische vrouw hadden gedacht. Voor hen was Kartini het Javaanse meisje dat zich had losgemaakt uit de loodzware Javaanse traditie om zich in westerse zin te ontwikkelen. In de door de heer Abendanon gekozen titel Door duisternis tot licht (1911) schuilt een beoordeling van dit proces. Deze Nederlandse legende van Kartini werd door de Indonesiërs eerst overgenomen en later uitgebouwd. Van de strijdster voor de rechten van de vrouw tegen mannelijke zelfzucht, tegen polygamie en prostitutie, werd ze tot ‘symbool voor de ontwaking van het Indonesische volk’ om ten slotte uit te groeien tot ‘nationale heldin’. Dan zijn we wel ver verwijderd van de ‘werkelijke’ Kartini. Maar wie was deze ‘werkelijke’ Kartini zoals zij uit haar brieven naar voren komt en uit de andere gegevens waarover wij beschikken? Een beweeglijk, uiterst gevoelig Javaans meisje, intelligent, moedig en bewust. Veel te bewust om in haar tijd en in haar omgeving gelukkig te zijn. Er hangt om de figuur van Kartini iets aandoenlijks. Haar leven, wat ze schrijft, en de wijze waarop ze schrijft, dit alles wekt een gevoel van genegenheid, respect en medelijden. Medelijden om al wat in haar verijdeld is; respect en genegenheid om de heldhaftige wijze waarop ze haar ‘verzwegen strijd’ heeft gevoerd. Want er is in en buiten de brieven nog heel wat in Kartini verzwegen.

Ze werd in 1879 geboren. Haar vader was een van de eerste verlichte regenten, die zelfs zijn dochters (iets ongehoords!) naar de Hollandse school stuurde. Hij voelde echter niet zo modern (maar hier legde ook zijn plicht als regent hem beperkingen op) of de meisjes moesten na hun twaalfde jaar ‘de doos’ in, dat wil zeggen ze mochten zich niet eerder buiten de muren van de regentswoning vertonen dan op huw-

[p. 316]

bare leeftijd en dan alleen als de echtgenote van de man die de ouders intussen voor haar hadden uitgezocht. Zo gemakkelijk als de oudste zich na de schooljaren had laten inpassen in de strenge Javaanse traditie, zo weerspannig en opstandig bleek de tweede en deze tweede was Kartini. ‘Hoe ik die tijd doorkwam, weet ik niet,’ schreef ze aan een Hollandse vriendin, ‘ik weet alleen maar dat hij verschrikkelijk was.’ De vader had voldaan aan de eisen van de heilige traditie, hij was niet bezweken voor de aandrang van Europeanen, noch voor de overvloedige tranen en smeekbeden van zijn twaalfjarig lievelingsdochtertje, de ‘kleine Ni’, maar haar gevangenschap heeft hij verlicht zoveel hij kon. De lectuur van Hollandse boeken en de correspondentie met Hollandse vrienden heeft hij haar nooit ontzegd; hij deed zelfs al het mogelijke om haar van lectuur te voorzien. ‘Hij bedierf mij met boekgeschenken,’ zou Kartini later schrijven, en in dezelfde brief: ‘Lezen en schrijven, ze waren mijn alles, zonder die twee zou ik misschien omgekomen zijn.’ Maar met de boeken, de tijdschriften en correspondentie werd het verlangen geboren naar vrijheid, zelfstandigheid en onafhankelijkheid en het scheen haar onverdraaglijk dat haar omgeving volstrekte gehoorzaamheid van haar eiste, onmondigheid en onderworpenheid. Ze werd opstandig, ze wilde ontwikkeld worden, ze wilde onderwezen worden om onderwijs te kunnen geven, om op haar beurt haar volk ‘op te heffen’. Maar overal stuitte ze op moeilijkheden, overal was tegenwerking en laster. Ze werd geslingerd tussen liefde en plicht, tussen vooruitgang en traditie en eindigde met het gevoel van ‘a failure of a mission’, hoe ze ook getracht heeft deze voor zichzelf en anderen te verbloemen. Ze keerde terug in de oude, vertrouwde sfeer. Op 8 november 1903 trad ze in het huwelijk met de (veel oudere) regent van Rembang, een weduwnaar. Wat ze mocht meenemen waren enkele wrakstukken van haar vroegere idealen. Op 17 september 1904 stierf ze, enige dagen na de geboorte van haar kind.

De brieven van Kartini - in bijna feilloos Nederlands geschreven - vormen een onvervangbaar document humain, want nergens elders in onze taal is zo'n specifiek proces van acculturatie zo ‘van binnenuit’ te volgen. Alleen als men een brievenuitgave als deze zou willen isoleren van de letterkunde, valt Door duisternis tot licht buiten ons bestek. Overigens valt alles wat Kartini leest en schrijft binnen een Nederlandse litteraire traditie. In één van haar brieven bekent ze zelfs litteraire

[p. 317]

aspiraties te hebben, zoals de meeste van haar correspondenten trouwens.

Wat las ze? Haar lectuur heeft haar ontwikkeld en gevormd, schrijft ze zelf. De krant, en dat was De Locomotief uit Semarang waar Brooshooft redacteur van was. Kartini moet in hem een bondgenoot hebben gezien. In de ‘leestrommel’ vond ze De Gids, ook De Nieuwe Gids, verder de Wetenschappelijke Bladen en de Bijdragen. Uit haar brieven blijkt dat zij ze met aandacht las. Ze maakt aantekeningen en noemt bepaalde artikelen; een enkele maal citeert ze er zelfs uit. Men merkt haar belangstelling voor maatschappelijke problemen en niet alleen voor vrouwenemancipatie. Ze zag toen al het streven van de vrouwen naar gelijke rechten, naar vrijheid en zelfstandigheid als een deel van een grotere maatschappelijke beweging; haar belangstelling was breed en verbreedde zich in de loop der jaren. Welke waren de schrijvers en boeken die ze vóór haar twintigste jaar las? Multatuli in elk geval. Ze bezat de Max Havelaar en had vóór 1900 de Minnebrieven al tweemaal gelezen. In november 1901 is ze vertwijfeld en wanhopig. Op goed geluk doet ze een greep in haar boekenkast: het zijn de Minnebrieven. Met een schok leest ze dan de woorden die precies op haar situatie slaan: ‘Vader, zeg haar dat weten, begrijpen en begeren zondig is voor een meisje.’ Ze las ook Couperus, van wie ze een ‘schitterend boek over haar [mijn] land’ verwachtte. Een toentertijd druk gelezen feministische roman van mevrouw Goekoop-de Jong van Beek en Donk, Hilda van Suylenburg had ze in 1899 al driemaal gelezen (een ‘heerlijk mooi boek’). Ze kende ook De Genestet en had van De kleine Johannes genoten. Als men de titels beziet: een vreemde mengeling. Over haar lectuur vanaf mei 1899 - als haar brieven beginnen - tot vlak voor haar dood, zijn we beter ingelicht. Ze noemt verschillende schrijversnamen en titels van romans: Van Eeden, Augusta de Wit, Fritz Reuter, Vosmaer (Inwijding) en andere. Ze las in Hollandse vertaling Die Waffen nieder van Bertha von Suttner en ... Bas Veth, op wie ze natuurlijk erg boos werd. Kartini is bij de keuze van haar lectuur afhankelijk geweest van het toeval, al bestelt ze een enkele keer rechtstreeks uit Holland. Aan de Indische boekhandel mankeerde toen nog van alles. Ze vindt moeilijk de weg in de verschijnende litteratuur. Toch tekenen haar voorkeuren zich af. Dan realiseren we ons hoe Javaans ze eigenlijk las. In de eerste plaats om de lering, om de zedelijke werking. En hoe kon

[p. 318]

het eigenlijk ook anders? De ‘andere wereld’ was nog niet veroverd en haar basis kon (nog) niet anders zijn dan de oude Javaanse cultuur en in deze valt het ‘schone’ nu eenmaal samen met het wijsgerige, religieuze en ethische. Hierin ligt ook een verklaring van het gemis aan wat wij ‘litterair onderscheidingsvermogen’ plegen te noemen. Ze leest eenvoudig om iets anders, haar geestesstructuur werkt, om het eens fraaier te zeggen, met andere categorieën. Couperus vindt ze prachtig (‘wat is zijn taal toch enig mooi!’), maar ‘de personen in zijn werken vinden wij doorgaans ziekelijk.’ Zo'n opmerking is typerend. Ze noemt Multatuli ‘geniaal’, ze leest hem ‘met vervoering’, zegt ze, maar ze vindt ook Henri Borel ‘hoogst verrukkelijkst’. De kleine Johannes is ‘innig fijn’, maar ze dweept ook met Marie Metz-Koning. Voor de goede luisteraar is Kartini's smaak duidelijk; haar voorkeur is afgestemd op een bepaalde toon, een toon die vaak te hoog ligt, en die dan vals klinkt en die al deze schrijvers bezitten, de beteren als bijgeluid, de minderen als stem zelf. Kartini wilde zelf ook schrijven; ze voelde zich als Javaanse onzeker en daarom oefende ze zich erin zó te schrijven als haar oudere en jongere correspondentie-vriendinnen die allen aan litteratuur ‘deden’. Dat was in de hooggestemde, half-zachte toon van het damesblad De Hollandsche Lelie - waar Kartini een abonnement op had en waar ze ook zelf in schreef. In hun soort zijn de brieven van Kartini overigens beter geschreven dan de boeken van haar Hollandse vriendinnen waar zij zo tegen opzag. Er zijn bladzijden die we gespannen achterelkaar uitlezen, gegrepen en geboeid. Dwars door allerlei stijlsjablonen heen hoort men meer dan eens, vaak zelfs, een stem die ons rechtstreeks aanspreekt.

De naam van Kartini zal behalve aan die van Abendanon ook verbonden blijven aan die van het echtpaar Van Deventer. Zij hebben na Kartini's dood, ‘onder de hoede van haar naam’ de oprichting van meisjesscholen mogelijk gemaakt en daarmee Kartini's denkbeelden over het onderwijs aan Inlandse meisjes trachten te verwezenlijken.

Mr. Conrad Théodore van Deventer (1857-1915), een neef van Busken Huet, ging als jong rechterlijk ambtenaar naar Indië. Door zijn advocatenpraktijk en dank zij de opleving van de cultures en de nieuwe ontginningen in aardolie, wist hij in ruim tien jaar een fortuin te verzamelen. Maar de ‘gepassioneerde geldman’, zoals hij zich met de nodige zelfspot noemde, was een man met ‘socialistische neigingen’

[p. 319]

(brief aan zijn ouders van 30 april 1886) die er toen al van doordrongen bleek dat er veel meer voor de Indonesiër gedaan moest worden, ‘omdat anders op een goede dag de dam doorbreekt en de omwentelingzee ons allen verzwelgt.’ In Nederland teruggekeerd en door zijn vermogen onafhankelijk geworden, wijdde hij al zijn werkkracht aan de ‘Indische zaak’. Van Deventer geldt als de woordvoerder van de ethische richting in Nederland; als schrijver van artikelen, als kamerlid en later als senator. Behalve zijn reeds eerder genoemde Gids-artikel ‘Een eereschuld’ en het rapport dat hij voor Minister Idenburg schreef, publiceerde hij talrijke andere artikelen, meestal in De Gids, waaronder het ook bekend geworden artikel over ‘Insulinde's toekomst’ van 1908, waarin het ethisch beginsel voor het koloniaal beleid is uitgewerkt.

De uitgave van Kartini's brieven in 1911 maakte grote indruk op Van Deventer en hij schreef een lange bespreking om bekendheid te geven aan Kartini's denkbeelden. Haar idealen zoals Van Deventer die uit haar brieven en haar bekende ‘nota van het hart’ had leren kennen, pasten precies bij zijn ideaal: de geestelijke en economische ontwikkeling, de emancipatie van het Indonesische volk. Hij voelde zich gesterkt door wat een Javaanse als Kartini te zeggen had. Dezelfde wensen en dezelfde verlangens bleken dus ook in die ‘andere wereld’ te leven! Wat Kartini schreef, stimuleerde hem; ze werd zijn klankbord. In zijn bespreking van Door duisternis tot licht legt hij dan ook de nadruk op haar denkbeelden. Voor het tragische van haar persoonlijkheid had hij geen oog. Hier treedt een menselijk tekort bij Van Deventer aan het licht. Hij was een man van hoge denkbeelden, van ‘sociale bewogenheid’, maar zonder werkelijke mensenkennis. Hij is in dit opzicht zelfs karakteristiek voor de ethicus uit die jaren, om het altijd ietwat zwevende en abstracte.

Hebben de Van Deventers Kartini niet eerder gekend? Van Deventer zelf heeft haar als twaalfjarig meisje even in Japara ontmoet, maar toen zij haar eerste brieven aan Hollandse vriendinnen schreef, was het echtpaar Van Deventer al naar Holland teruggekeerd. Wel schijnt er via Kartini's broer Kartono (die evenals de Van Deventers in Semarang woonde en daar op de hbs ging) enig contact te zijn geweest, maar dit is noch voor de heer Van Deventer, noch voor zijn vrouw ooit aanleiding geweest een bezoek aan het nabijgelegen Japara te brengen. Dat Indonesië en de Indonesiërs pas veel later in het leven van

[p. 320]

de Van Deventers een rol zijn gaan spelen, wordt door een detail als dit bevestigd. Eerst nadat ze het land zelf verlaten hadden en zich in Den Haag hadden gevestigd, werden ze zich hun ‘late roeping’ bewust. Al hebben ze van Kartini geweten, ze ontdekten haar pas na de brieven-uitgave van Abendanon. Van dit ogenblik af treedt ook mevrouw Van Deventer meer naar voren. ‘Onder de hoede van haar [Kartini's] naam’ (de woorden zijn van Van Deventer) en ‘in overeenstemming met haar denkbeelden zoals die te vinden zijn in de brieven en de bekende nota uit het hart’, werd het initiatief genomen tot de stichting van scholen voor Indonesische meisjes. Zo kwam op 27 juni 1913 de ‘Vereeniging Kartini-fonds’ tot stand. Deze vereniging die vanuit Nederland bestuurd werd, groeide uit tot een grote organisatie die duizenden leerlingen omvatte. Aan het bestuurswerk heeft mevrouw Van Deventer al haar krachten en energie gewijd. Wat ze allemaal verzette aan arbeid, met nooit aflatende zorg, het is heel veel geweest! Vooral na de dood van haar man in 1915 waren er tijden dat ze het ‘woest druk’ had. Haar leven werd een aaneenschakeling van besprekingen, vergaderingen en ontmoetingen. Zij koos de leerkrachten, zij regelde de uitzending van het personeel en drukte daarmee haar stempel op de scholen. Hoe de sfeer op die scholen was, vatte een oud-leerling samen met: ‘Geen heerlijker leven dan het kostschoolleven op de Van Deventer-school.’ Mevrouw Van Deventer stierf tijdens de bezetting in 1942, op 85-jarige leeftijd en liet bij testamentaire beschikking een kapitaal na dat wederom ten bate van Indonesië en de Indonesiërs zou komen. Om dit mogelijk te maken kwam na de oorlog de Van Deventer-Maasstichting tot stand. Tot slot nog één detail dat beter dan al het andere het gevoel en de verhouding van de Van Deventers tot de Indonesiër kenschetst: op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag liggen twee Javaanse jonge mannen begraven die in Nederland hadden gestudeerd, overleden in 1913 en 1923. Ze werden bijgezet in het familiegraf van de Van Deventers.

Een Javaans meisje dat omstreeks 1900 in Nederlandse tijdschriften schreef, al waren het maar damesbladen, was een bijzonderheid. Misschien wist men ook toen al in Nederland dat Kartini met Hollandse vriendinnen correspondeerde en misschien ook waren haar denkbeelden over de emancipatie van de Javaanse vrouw reeds bekend door een lezing die haar broer in Nederland gehouden had. Het is mogelijk.

[p. 321]

In ieder geval was haar naam bij de Hollandse lezers niet geheel onbekend. Of ze ook met de schrijfster Augusta de Wit brieven gewisseld heeft, weten wij niet. Het enige wat we weten is dat Augusta de Wit bij het horen van de dood van Kartini ‘zeer geschokt’ was en een condoleantiebriefje schreef aan Kartini's broer.

Augusta de Wit had intussen ook Van Deventer leren kennen die bijzonder waarderend geschreven had over haar eerste boek Facts and fancies about Java (een bundeling van dagblad-feuilletons) dat in 1896 in Singapore verschenen was, en waarvan in 1900 juist een herziene uitgave was uitgekomen. Hij had Facts and fancies tegelijk met Chailley-Berts Java et ses habitants en Bas Veths Het leven in Nederlandsch-Indië besproken in De Gids van 1900, onder de titel ‘Drie boeken over Indië’. Ofschoon het grootste aantal bladzijden gewijd is aan een sociaal-politieke beschouwing naar aanleiding van het boek van Chailley-Bert (Van Deventer komt hierin uitvoerig terug op wat hij al eerder over ‘de eereschuld’ gezegd heeft) gaat zijn grote bewondering uit naar Augusta de Wit, omdat zij ‘de Indische natuur in al zijn schoonheid zo liefdevol heeft weergegeven’ (ook in Van Deventers brieven komen veel natuurbeschrijvingen voor, zij het meestal in impressionistische clichés). Haar ‘artistieke natuurbeschrijvingen’ verdienen geprezen te worden, vervolgt hij, maar ‘even mooi als de natuur weet ze ook de mensheid en het leven te zien.’ Over de Europese samenleving waar Bas Veth geen goed woord over kon zeggen, oordeelt ze mild, zegt Van Deventer, al heeft ze kritiek. De grondtoon is welwillend, omdat ze nu eenmaal overal het schone en goede in wil zien, en hij waardeert dit in haar. Op dit punt gekomen, richt Van Deventer zich tegen Bas Veth: hij ziet alleen maar het lelijke en gemene! ‘Instede van een welgelijkend portret geeft Bas Veth van de Indischman een boos- en vuilaardige caricatuur’, schrijft Van Deventer, maar hij vergeet of verzwijgt dat hij zelf in zijn brieven aan zijn ouders menigmaal zéér onvriendelijke dingen over de Europese samenleving gezegd heeft en zelfs eenmaal gesproken heeft over de ‘zielen van klei’. Tegen deze wijze van bespreken die neerkwam op het uitspelen van Augusta de Wit tegen Bas Veth, kwam Henri Borel in verzet in een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad van 4 oktober 1900. Hij had twee jaar eerder, eveneens in De Gids, een lang artikel geschreven over Facts and fancies toen bijna niemand het nog gelezen had, onder de titel ‘Schoon-

[p. 322]

heid in Indië’. Het had hem niet ontbroken aan bewondering voor Augusta de Wit, maar haar boek gebruiken als een stok om Bas Veth te slaan, daar protesteerde hij tegen. Bovendien, zegt Borel, ‘voor wie lezen kan, strijdt Veths boek, voorzover het de Europese maatschappij betreft, volstrekt niet met Facts and fancies.’ Augusta de Wits kritiek is voor wie onbevooroordeeld wil lezen inderdaad lang niet zo mild als Van Deventer doet voorkomen. Er is slechts een verschil in toon.

Ook voor Henri Borel (1869-1933) waren er - evenals voor Couperus - twee Indië's: het land van de bergen, de natuur, van een dichterlijke en kunstzinnige bevolking én het Indië van de Europeanen. Dit laatste Indië haatte hij, evenals zijn oudere vriend Bas Veth. De Indische maatschappij was ook voor hem de ‘maatschappij van het gouden kalf, van visites makende, homberende, intrigerende, ultra-materialistische, cancannerende mensen...’ In dit opzicht vonden ze elkaar; verderop liepen hun wegen uiteen. Bas Veth was volstrekt ongevoelig voor de Indische natuur en leefde langs de bevolking heen; Borel had het ‘andere Indië’ dat niet van de Europeanen was, ‘onuitsprekelijk lief’, omdat hij al wat hij schoon vond en al wat hij voor Wijsheid hield, op de natuur en de mensen projecteerde. ‘De gewoonste koelie,’ schreef hij in zijn boekje Schoonheid en wijsheid in Indië, ‘droomt zich door de waan van het reële heen.’ En de waringin die Bas Veth zo neerslachtig stemde, wordt door Borel plechtig aangesproken met: ‘Wijze, wondere waringin van het Oosten’ enzovoorts. En als de heilige boom hem roerloos aanziet (niet omgekeerd!) wordt zijn ziel er stil van. Overal voelt hij het ‘diepe mysterie’, overal droomt hij weg, zoals in het hooggelegen bergoord Tosari (in Een droom, 1899) dat door Couperus in De stille kracht een kletsgat werd genoemd. Misschien vond Borel het ook toen hij in het hotel logeerde, maar de natuur was voor hem groots, vol majesteit, ‘verzonken in het diepe mysterie’. Toch was het land hem ‘wezensvreemd’. De Europeaan hoort er niet thuis. Hij zal er noch naar lichaam, noch naar ziel ooit acclimatiseren. Borel spreekt van ‘verindischen’, van ontaarding en degeneratie en verbindt deze verschijnselen uitdrukkelijk aan het Indische leven. Couperus werd eveneens geobsedeerd door verschijnselen van ondergang en verval, van perversiteit en decadentie, maar deze zijn voor hem niet bij uitsluiting aan Indië en het Indische leven verbonden; ze zijn in hemzelf aanwezig als een soort cultuurstemming die geheel bij het

[p. 323]

Europese fin de siècle past. Het verschil tussen Borel en Couperus tekent zich vooral af in hun stijl. Bij alle bloemachtige versiering - kenmerkend voor de toenmalige Jugendstil - is de stijl van Couperus veel functioneler en superieur. Met de ‘kwijlende stijfselstijl’ van Borel (naar de karakteristiek van Van Deyssel) heeft die van Couperus niets gemeen.

Toen Augusta de Wit (1864-1939) in de Singapore Straits Times met haar feuilletons debuteerde - dat moet in 1895 of 1896 zijn geweest - was ze lerares Engels en Duits in Batavia. Ze werd in 1864 in Sibolga geboren, aan de westkust van Sumatra, maar reeds op tienjarige leeftijd vertrok ze met haar ouders - haar vader was bestuursambtenaar - voorgoed naar Europa. Dat ze haar kinderjaren in Indië doorbracht, op kleinere plaatsen en altijd in de zogenaamde ‘buitenbezittingen’ (dat zijn alle gebieden buiten Java): Sibolga, Fort de Kock, Timor-Kupang, kan niet zonder invloed geweest zijn op haar latere werk. Een Indische jeugd is beslissend. Haar eerste herinneringen, schrijft ze in een brief, zijn een Indisch huis en een grote Indische tuin, enkele gezichten uit haar omgeving en een Chinese tempel op een vooruitspringende rots, ‘waar wij dikwijls heengingen om de zonsondergang te zien.’ De natuur en de mensen waren steeds om haar heen, veel meer dan dit geweest zou zijn als ze in Batavia of Soerabaja was grootgebracht. Vooral om haar natuurbeschrijvingen heeft men Augusta de Wit vaak uitbundig geprezen en er is nauwelijks een artikel aan te wijzen waarin niet iets over haar ‘plastisch talent’ wordt gezegd. Van Deventer die in hetzelfde jaar dat hij zijn bespreking van Facts and fancies schreef, haar Orpheus in de dessa in De Gids las, noemde haar feuilletons het schetsboek voor de aquarellen die ze later schilderen, dat wil zeggen schrijven zou. Daartoe rekende hij ook Orpheus in de dessa. Het Tachtiger ideaal van het ‘schilderen met de pen’ werkt hier tot in de terminologie door. Hoe compleet het misverstand is, blijkt wel hieruit dat het in Orpheus in de dessa niet om de natuur gaat, maar om de mens, beter nog: om de in een oosterse omgeving geplaatste westerse mens, om de Europeaan in Indië, om de figuur van de ingenieur Bake die werkzaam is op een suikerfabriek. Hij is met geen andere dan materialistische bedoelingen naar Indië gekomen, hij is op de aardse dingen ingesteld, hij is actief en expansief en toch heeft hij diep in zich een soort open plek die hem ontvankelijk doet zijn voor de wereld van het Oosten.

[p. 324]

De oosterse wereld wordt door Augusta de Wit gezien als statisch, spiritueel, contemplatief enzovoorts en gesteld tegenover westers materialisme en westerse dadendrang. Het Oosten verbergt voor de westerling de ‘schonere werkelijkheid’ in Platonische zin. Door het fluitspel van het mismaakte karbouwenhoedertje Si-Bengkok (‘de kromme’) wordt ze echter aan Bake geopenbaard. En het is hierbij niet essentieel dat hij niet blijvend verandert; de openbaring is er geweest, de mogelijkheid is gegeven. Bake als Europeaan in de kolonie is een tragische figuur, omdat hij niet zonder meer het materialistische westen vertegenwoordigt. Hij is zelfs potentieel kunstenaar, omdat hij - door het fluitspel van Si-Bengkok - in staat blijkt de pre-existentiële schoonheid achter de werkelijkheid te ervaren. Si-Bengkok vertegenwoordigt als oosterling voor Augusta de Wit het kunstenaarschap op vanzelfsprekende wijze; hij is in staat door zijn muziek de Orfische functie te verrichten, dat wil zeggen de schonere werkelijkheid te openbaren aan alle wezens, aan mens en dier. Daarmee doet Augusta de Wit een keuze. Het Oosten bezit vanzelf waar het Westen al worstelend naar zoekt: ‘schoonheid, en goedheid en geluk.’ Bij de uitwerking van de tegenstelling tussen Oost en West heeft Augusta de Wit haar eigen verhouding tot de werkelijkheid uitgedrukt en men realiseert zich daarbij welke betekenis de ontdekking van het Oosten voor haar schrijverschap moet hebben gehad. Augusta de Wit blijkt een vertegenwoordigster van het esteticisme van het eind van de vorige en het begin van de twintigste eeuw; haar vorming heeft ze bij de Tachtigers gehad. Bij haar correspondentie vindt men een brief aan Kloos waarin ze hem gelukwensen aanbiedt na hem eerst telegrafisch haar ‘eerbiedige heilwensen’ te hebben aangeboden. In die brief spreekt ze van haar ‘gevoel van bewondering en diepste dankbaarheid’ en ze eindigt met: ‘Mag het ons volk gegeven zijn nog lange jaren u te vieren voor de Weldoener die Nederland de edele gift bracht van een nieuwe Schoonheid.’ Via het Oosten is deze ‘nieuwe Schoonheid’ in staat geweest zich aan haar - alweer hetzelfde woord - te ‘openbaren’. Zo moet haar gedachtengang zijn geweest. Maar deze schoonheidsbehoefte is een - bovendien tijdgebonden - specifiek westerse cultuurbehoefte. Orpheus in de dessa is ondanks de oosterse stoffering een door en door westers cultuur-produkt. De problematiek van de Europeaan uit het fin de siècle, met het bij talrijke schrijvers en dichters levende geloof in de werking van

[p. 325]

de Schoonheid als Idee, is ook de inzet van Orpheus in de dessa, Augusta de Wits meest bekende en meest geprezen werk dat in talrijke Europese talen vertaald werd. Het appelleerde blijkbaar aan een westerse cultuur - stemming die omtrent de eeuwwisseling manifest werd en waarin ook kunsthistorisch gesproken het exotische en het Oosten geheel pasten. We behoeven hierbij niet alleen te denken aan de kostbare verzamelingen oosterse kunst die in deze tijd werden aangelegd of aan de rijke interieurs volgestopt met oosterse kunstvoorwerpen, maar ook aan de oosterse invloeden op het symbolisme, aan de bewondering voor de kunst van een Indische schilder als Jan Toorop. Augusta de Wit bewonderde zijn kunst en hij van zijn kant voelde zich vereerd toen zij hem vroeg haar novelle Drie vrouwen in het heilige woud te illustreren. ‘Dat is prachtig,’ schreef hij haar, ‘dat is psychisch Indisch, dramatisch en nog meer schoon en fijn.’

Van verschillende kanten, in het bijzonder van de zijde van mensen die uit Indië komen, is weleens gezegd dat Augusta de Wit van het Oosten weinig heeft begrepen. Ze hebben misschien niet geheel ongelijk, maar zij van hun kant hebben van Augusta de Wit niet veel begrepen. Het verwijt dat zij haar doen is niet relevant. Het is haar nooit om de Indische werkelijkheid te doen geweest, maar om de ‘schone verbeelding’ van Indië. Bovendien kende zij Indië (en niet alleen Java); zij had er veel meer van gezien dan de meeste Indië-vaarders; haar kennis van land en volk was veel groter dan de hunne en ze heeft vooral veel meer belangstelling en liefde gehad voor de natuur en de mensen.

Natuur en menschen in Indië (1914) is de titel van een nieuwe bundel feuilletons die eerst in de Nieuwe Rotterdamsche Courant waren verschenen. Ze werden tijdens en na haar reis door Indië geschreven in de jaren 1910-1913. Het weerzien was voor haar een openbaring, schreef ze. Ze vond weliswaar een ander Indië, maar het was ‘niet minder mooi, niet minder fantastisch’. Ze wandelde er ‘als in de droom van een blijd' dichter.’ ‘Ik heb mijn best gedaan iets van dat fantastische en mooie in woorden op te vangen. Hier is het. Misschien willen ook anderen ervan drinken.’ En wie van tijd tot tijd enige teugen neemt, wordt niet het meest getroffen door haar soms wat vermoeiende plastiek, maar door haar grote bereidheid overal het mooie in te zien. Haar voortdurende blijheid begint zelfs lichtelijk te hinderen, maar we moeten ons hierbij wel bedenken hoe haar vreugde inherent is aan haar

[p. 326]

‘filosofie’ en haar opvatting van de taak van de kunstenaar. Wij van onze kant kunnen hoogstens zeggen dat ze in dit opzicht niet meer tot ons spreekt.

De moeite die Augusta de Wit zich gegeven heeft om Indië te leren begrijpen, is op zichzelf aandoenlijk. Ze heeft in Buitenzorg - het tegenwoordige Bogor - een huisje gehuurd, vertelt ze, dichtbij de kampung met atap dak en bamboezen wanden. Ze vindt het heerlijk in haar ‘kluizenaarshut’. ‘De krekels schenen vlak in mijn oren te zingen en een zachte, zuivere geur, zoals het loof van een bos, het groene en het dorre, wel uitademt, vervulde het kamertje.’ Zo trachtte ze land en volk te leren kennen. Met hun ‘lichamelijke bestaan’ raakte ze geheel bekend; het andere, het ‘zieleleven’ bleef haar echter verborgen. Ze bekende het zelf, zeer openhartig, in alle bescheidenheid.

Net zo min als ze het zieleleven van de Javaan geheel kon begrijpen, kon ze tot de Indische natuur doordringen. ‘De schrijfster [staat] teveel buiten de Indische sfeer om het van binnenuit te kunnen beschrijven,’ constateerde een criticus en toch heeft men haar altijd - het is in het begin al gezegd - om haar plastische talent geprezen. In zekere zin zelfs terecht. Als men de beschrijvingen van Augusta de Wit vergelijkt met de clichés die Van Deventer gebruikt, of met de geëxalteerde beeldspraak van Henri Borel, of met het geschitter en getintel van ook naar schoonheid zoekende schrijfsters als Nellie van Kol of mevrouw Ovink-Soer, dan doen die van Augusta de Wit zich inderdaad voor als ‘meesterlijke schilderingen’. Ziehier ter illustratie een kort, willekeurig gekozen fragment uit een veel langer geheel, ontleend aan haar roman De godin die wacht (1903): ‘Op oostmoesson-dagen als de zon in haar zenith de wit-gloeiende spits lijkt van een rondalom holom hoogslaande azuren hemelvlam, wordt de vlakte zelve een zee voor het oog. Als water onder wind siddert de grond in de van hitte trillende atmosfeer. Het plantengroen, half doorzichtig gesmolten, ligt te tintelkaatsen, popelend tussen blauw en goud. In het schaduw-zog van voorbijdrijvende wolken komen koelere tinten opgeweld door de schittering, mat grijsgroen van bamboebossen, bruin van omgeploegde aarde, dakengrauw van een dorpje.’ Men ziet, het is de post-Tachtiger beschrijvingskunst. De Indische natuur wordt ook hier vanuit een westerse litteraire traditie benaderd: als een impressie van licht, kleur en tint.

In de correspondentie van Augusta de Wit bevindt zich een brief van

[p. 327]

18 februari 1920 van mr. G.G. van der Hoeven, hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, waar Augusta de Wit sinds jaren als vaste medewerkster aan verbonden was. Het is een nogal geïrriteerd briefje, waarin hij mededeelt uit de dagbladen te hebben moeten lezen dat zij toegetreden is tot de Communistische Partij en daarin een actief aandeel zal hebben. Hij wil nu van haar een schriftelijke toezegging dat ze ‘geen strekking aan haar feuilletons zal geven die met het standpunt van de n.r.c. onverenigbaar is.’ Wie verwacht dat Augusta de Wit kort en krachtig zal mededelen niet voor de n.r.c. beschikbaar te zijn, vergist zich. Ze stemt toe in wat Van der Hoeven van haar eist en deelt mede dat ze reeds vanaf 1916 lid van de partij is. Heeft hij daar ooit iets van kunnen merken? Zo overtuigd was Augusta de Wit dat de schoonheid recht had op een eigen domein buiten de werkelijkheid - waarbinnen wel de politiek viel - dat ze haar politieke overtuiging geheel buiten de litteratuur kon houden. Er is geen sprake van onoprechtheid bij haar; ze handelt zelfs geheel overeenkomstig haar ‘filosofie’ als ze de belofte doet niets te zullen schrijven wat in strijd is met het redactionele standpunt. Haar toetreding tot de partij was minder de consequentie van een politiek inzicht dan van haar ethische instelling. ‘Politiek lag haar niet,’ schreef Henriëtte Roland Holst in Tijd en Taak bij de dood van Augusta de Wit, ‘communistische politiek allerminst.’ Toch koos ze voor de Communistische Partij, omdat alleen deze partij het ‘Indië los van Holland’ als punt in haar partijprogramma had opgenomen. Ze wilde het niet laten bij vrijblijvende sympathie, medelijden en verontwaardiging; ze wilde door haar keuze medewerken aan de opheffing van een situatie die zij ethisch - en dat betekende voor haar ook ‘om der Schoonheids wille’ - niet rechtvaardigen kon. Reeds in haar vroegste werk zijn uitingen te vinden van haar kritische houding tegenover het kolonialisme. Als Bake in Orpheus in de dessa het karbouwenjongetje Si-Bengkok ontmoet, realiseert hij zich de tegenstelling tussen overwinnaars en overwonnenen; hij ziet in zijn verbeelding Daendels en zijn ‘met bloed gecementeerde postweg’; hij peinst over de batig-slot politiek van de regering en als hij de angst voor de Europeaan in de ogen van het kleine jongetje leest, vraagt hij zich af: ‘Verjaarde onrecht nooit?’ In het aan Van Deventer opgedragen verhaal ‘Een Javaan’ uit de bundel De wake bij de brug (1918) is de haat tegen de overheersers en het onrecht dat de overheersten aangedaan wordt,

[p. 328]

zelfs centraal gesteld. De Hollanders kunnen zich niet anders dan als heersers gedragen, maar juist deze houding die hen opgedrongen wordt door hun positie in de koloniale samenleving, verwijdert hen van het volk, hoe goedwillend ze overigens ook kunnen zijn. Zo'n goedwillende figuur is de jonge jurist Van Heemsbergen in De godin die wacht (1903). Hij wil een onderzoek instellen naar de rechtsbegrippen van de bevolking, maar hij stuit op onverschilligheid en afweer; hij voelt zich onmachtig, afgesloten en afgescheiden van het levende object van zijn studie door ‘een muur, een kloof, een onoverkomelijke scheiding’. Tegenover hem staat de controleur Hendriks die de desa ingaat om met de bevolking te praten; hij spreekt hun taal, hij kent hun noden, hun gevoelsleven en rechtsbegrippen. Tegen de ontgoochelde Van Heemsbergen zegt hij: ‘Ik ben geen jurist, maar me dunkt zo, om de rechtsideeën van een volk te kennen moet men het volk zelf kennen - u hebt de desa maar in te trekken.’ Hendriks is de ethische bestuursambtenaar wiens hele streven gericht is op het belang van de bevolking. Hij vertegenwoordigt het ideaal van Augusta de Wit: een man die niet alleen vanuit een wetenschappelijke belangstelling handelt (zoals Van Heemsbergen), maar die ook met geheel zijn hart een taak vervult uit genegenheid voor de bevolking. Op haar wijze, met haar middelen, dat wil zeggen door te schrijven, heeft Augusta de Wit van dit zelfde hoge standpunt willen getuigen.

In het herdenkingsartikel bij haar dood werd ze door Henriëtte Roland Holst een schrijfster van ‘grote distinctie’ genoemd. Het woord is wel gekozen. Augusta de Wit schrijft inderdaad met distinctie (‘edele stijl’); ze schrijft welluidend (‘zangkunst in proza’), haar schrijfwijze is inderdaad ‘fraai’ te noemen, de adequate uitdrukking van een ‘schonere werkelijkheid’. In haar tijd werd ze hierom algemeen gewaardeerd. Men vond haar boeken ‘vol schoonheid’, men vond haar visie groots en verklaarde dat ze de ziel van Indië begrepen had als weinigen. Men schreef in superlatieven over haar, zoals prof. Brom, die haar in een brief aansprak met ‘Zeer geachte en vereerde Mejuffrouw De Wit’; een ander criticus sloeg haar werk zelfs hoger aan dan dat van Multatuli die hij overigens reeds eerder een ‘ontzaglijk talent’ had genoemd. De bewondering kende soms geen grenzen. Toch waren er reeds op het hoogtepunt van haar roem enkelen die - zij het met schroom - enige bedenkingen naar voren brachten. Haar ontluistering

[p. 329]

begon in de jaren twintig. Martinus Nijhoff was de eerste die in 1918 zeer kritisch over haar werk oordeelde. Hij vond de toon waarop ze schreef te gewichtig en te plechtstatig, ‘teveel beloven, maar te weinig bieden.’ Ze was voor hem meer een litterator dan een schrijfster. Het was duidelijk dat het taalgebruik van Augusta de Wit Nijhoff een gruwel was, het tegendeel van wat hij voorstond. Voor de generatie daarna, die van Forum, telde ze vanzelfsprekend niet meer mee. Du Perron werd getroffen door het ‘weeë geurtje van dierbaarheid’, schreef hij eenmaal, voor het overige constateerde hij alleen de ‘buitensporige bewondering’ voor haar werk. Wat ze geschreven had was in de schaduw gekomen van een nieuwere litteratuur en zijzelf was als schrijfster reeds afgedaald naar lager regionen.

Als we naast Augusta de Wit aan andere schrijvers of schrijfsters denken die in deze tijd vanuit een ‘ethische bewogenheid’ schreven, dan komen we allereerst op mevrouw M.C. Kooij-van Zeggelen uit. Mevrouw Kooij-van Zeggelen (1870-1957), later schrijvende onder haar meisjesnaam Marie C. van Zeggelen, mist de allure en de levensbeschouwelijke achtergrond van Augusta de Wit. Toch heeft ze niet minder bekendheid gekregen als schrijfster van ‘Indische boeken’. Meer zelfs nog dan die van Augusta de Wit is haar naam verbonden aan de ethische richting. Prof. Van Vollenhoven, de grondlegger van Het adatrecht van Nederlandsch-Indië, bracht Marie van Zeggelens eerste boek De gouden kris direct in verband met wat hij de ‘jongste inlanderspolitiek’ noemde.

Al deze schrijvers en schrijfsters, geleerden en politici moeten het gevoel gehad hebben van bij elkaar te behoren. Ze vormden een groep, maar deze groep moet zéér klein zijn geweest. We kunnen beter spreken van een selecte kring van steeds weer dezelfde mensen die elkaar telkens weer tegenkomen en elkaar begroeten, die voor elkaar buigen en de hoed afnemen. Augusta de Wit draagt een verhaal aan Van Deventer op; Van Deventer schrijft een artikel over Kartini en noemt haar een ‘onbewust medewerkster van Prof. Snouck Hurgronje’; Kartini geniet van de lectuur van Augusta de Wit en Augusta de Wit wordt bewonderd door Marie van Zeggelen; Marie van Zeggelen zal op oudere leeftijd een biografie over Kartini schrijven nadat ze jarenlang secretaresse is geweest van het Kartini-fonds, in welke hoedanigheid ze nauw met mevrouw Van Deventer heeft samengewerkt; ze is door

[p. 330]

Nellie van Kol tot schrijven gekomen, draagt haar een boek op en volgt haar op als redactrice van De Hollandsche Lelie waar Kartini ook in schreef (‘onze Lelie’); Kartini adoreert Nellie van Kol; Nellie van Kol en haar man zijn bevriend met de Van Deventers en de Van Deventers met de familie Brooshooft; Augusta de Wit noemt prof. Van Vollenhoven met groot respect en prof. Van Vollenhoven beschouwt De gouden kris van Marie van Zeggelen als een mijlpaal in onze letterkunde en zo gaat het door. De kring werd door henzelf gesloten. Wat hen in de eerste plaats bond, was hun gemeenschappelijke afkeer van de Europese samenleving van geld, tantièmes en promotie, van picknicken en bals, van recepties en homberavondjes. Daarin voelden ze zich geen van allen thuis. Het gevoel van drooggelegd te zijn, van verveling, van vereenzaming en geestelijke armoede hebben zij allen gekend, al hebben zij er verschillend op gereageerd: met woede als Bas Veth, met felle spot als Brooshooft of Otto Knaap, met lichte ironie zoals Augusta de Wit, met afzijdigheid zoals de Van Deventers, met berusting en geklaag zoals de meesten. Ze behoorden tot die dunne toplaag die ook Bas Veth had opgemerkt; zij waren de ‘beschaafde mannen en vrouwen’ die door Oudgast bedoeld werden in zijn reeds eerder genoemd boekje Onze Oost (1897). Ze kwamen allen voort uit de ‘gegoede burgerstand’, met intellectuele en artistieke behoeften en veel idealisme; ze waren lieden van beschaving en cultuur. Dit heeft hun houding bepaald en vanzelf overschreden ze de grenzen die de koloniale samenleving hun voorschreef. Voor hen was Indiè niet meer bij uitstek het Indië van de Europeaan, maar dat van de Indonesiër, of liever van beiden, want ze stonden vóór alles samenwerking voor en propageerden een associatiepolitiek. Een groepsfoto uit Tempo doeloe (1961) op blz. 163, gemaakt ter gelegenheid van de geboorte van prinses Juliana, waarop alle bevolkingsgroepen elkaar de hand reiken, illustreert dit streven in beeld.

Van Deventer schrijft ergens in zijn brieven over de aantrekkelijkheid van het bestuursambt op Java en over de mogelijkheden die het biedt om in het belang van de bevolking werkzaam te zijn. Het is ook opvallend hoe vaak de bestuursambtenaar in deze tijd in verhalen, romans en toneelstukken optreedt. Zoals de assistent-resident Ekker in Arm Java van Brooshooft of de controleur Hendriks uit De godin die wacht van Augusta de Wit, zo is ook de jonge controleur Richard van

[p. 331]

Bossche in Marie van Zeggelens Koloniaaltje (1920) onbaatzuchtig, moedig en dapper, vooral in tijden van nood. Hij werkt in volledige harmonie met de regent en wekt door zijn gedrag de sympathie op van een van diens dochters. Kortom, hij is een waardig representant van de associatiepolitiek.

Toch was de positie van deze ethici welbeschouwd een tragische positie, omdat ze eenzamen waren onder de Europeanen en vreemden bleven onder de Indonesiërs. Met al hun kennis van het Inlandse leven, met al hun bewondering voor de Indische (berg-)natuur en hun genegenheid voor de Indonesiër, waren zij Europeanen die met Europese ogen bleven zien. Geen van hen heeft ooit in Indië kunnen wortelen; ze zijn allen naar Holland teruggekeerd; de meesten zijn zelfs vroeg gerepatrieerd. ‘Het gevoel van vreemdelingschap, van niet thuis te zijn, is niet weg te redeneren,’ schreef Nellie van Kol reeds in haar Brieven aan Minette (1884) en haar bewonderaarster Marie C. van Zeggelen zou het haar later bijna woordelijk nazeggen. Zonder het woord ‘tragisch’ te gebruiken heeft mevrouw Van Zeggelen meer dan eens in haar werk uitdrukking gegeven aan dat gevoel van vreemdelingschap. In een van haar boeken, De Hollandsche vrouw in Indië met als ondertitel ‘Indrukken van een zwervelinge’ (1910) begint ze met aan Bas Veth te refereren. ‘Hij heeft grotendeels gelijk,’ schrijft ze, ‘vrouwen die uit een intellectuele, artistieke omgeving komen, missen hier alles. Het is verschrikkelijk dat eeuwige groen, dat eeuwige thuiszitten tussen de witgekalkte muren, de vervelende visites bij wildvreemden, de onbeduidende praatjes, de totale afwezigheid van alles wat kunst is ...’ Ze wordt geplaagd door een hevig heimwee naar Holland. ‘Het is erger dan de meesten denken,’ zegt ze. Het zullen de overwegingen van vele Hollandse vrouwtjes zijn geweest, ook jaren later nog. Maar dit boek van mevrouw Van Zeggelen heeft een vervolg. Er komt een belangrijke verandering in haar leven als ze besluit haar man, die officier is, te volgen naar een hooggelegen, eenzaam bivak in het bergland van Zuid-Celebes, een nauwelijks gepacificeerd gebied. Daar, omgeven door bergen en ongehinderd door het Europese gezelschapsleven, ontdekt ze een ander Indië. ‘Ja, het is een toverland, de bergwereld van Indië,’ schrijft ze, maar het beeld van het Hollandse landschap schuift toch nog telkens voor de werkelijkheid. Celebes betekende vooral een ommekeer in haar leven, omdat ze toen voor het eerst met de bevol-

[p. 332]

king in contact kwam. Ze sprak met de mensen, luisterde naar hun verhalen, tekende kinderliedjes op en trachtte iets te weten te komen van wat in de boeken van de Buginezen stond. Ze nam in de betrekkelijk korte tijd dat ze daar bleef - nog geen twee jaar - ontzaglijk veel in zich op. Daarop heeft ze later kunnen teren. Toen ze weer terugging naar Java, werd ze opnieuw opgesloten in een kring van officieren en hun dames. ‘Toen werd het leven weer zo leeg,’ zei ze in een gesprek met Beb Vuyk, maar ze had intussen haar verhalen en daarmee vulde ze die leegte op. Ze ontwikkelde zich tot de schrijfster van talrijke boeken: kinderboeken, romans, verhalen en enkele toneelstukken.

Schrijven betekende voor Marie van Zeggelen een vlucht uit de dorheid van het Indische leven in een wereld die zij zelf uit werkelijkheid en verbeelding had opgebouwd. De verbeelding moet voor haar meer betekend hebben dan de werkelijkheid. Dit blijkt uit de duidelijke voorkeur voor het ‘verhaal’ boven de ‘schets’ die voor haar toch teveel aan de werkelijkheid gebonden blijft.

Ze debuteerde overigens in 1908 met een bundel ‘schetsen uit Celebes’ met de voor haar politieke overtuiging veelzeggende titel Onderworpenen (het gebied was kort tevoren inderdaad ‘onderworpen’). Het boekje bevat een aantal geschiedenissen waarvan er minstens twee voortreffelijk verteld zijn. Vooral ‘Doodengang’ is een verhaal dat men niet licht vergeet, al is het niet onmogelijk dat Marie van Zeggelen het om het genre achtergesteld zal hebben bij haar romans en novellen. In hetzelfde jaar 1908 verscheen De gouden kris, een jeugdboek waarin heel wat kennis van de Buginese samenleving verwerkt is. Prof. Van Vollenhoven prees het uitbundig, omdat Indië, zoals hij zei, nu eens niet van de westerling, maar van de Indonesiër uit bekeken werd. Toch is wat hij zegt slechts ten dele waar. Dit en nog andere boeken van Marie van Zeggelen spelen zich geheel in een Indonesische, in dit geval Buginese, samenleving af; de Europeaan treedt er wel in op, maar alleen als vreemdeling, indringer of vijand. In dit opzicht heeft Van Vollenhoven gelijk, maar daartegenover staat dat de hoofdfiguur, het Buginese jongetje La Ballo, zich in zijn overwegingen en reacties nauwelijks onderscheidt van een Europees kind in een gelijksoortige situatie. Zijn waarneming van de omgeving is niet vanzelfsprekend genoeg; hij beziet alles met de verwondering van de buitenstaander en de (sterk visuele) opmerkingsgave van de schrijfster.

[p. 333]

Marie van Zeggelen is na haar succes met De gouden kris doorgegaan met het schrijven van jeugdboeken waarmee ze haar Hollandse lezers kennis heeft willen doen maken met een vreemde wereld, waarin mensen toch altijd mensen blijven, ook al leven ze in een geheel ander cultuurpatroon. Tot hetzelfde genre als De gouden kris behoort De schat van den armen jongen (1908) en Din en Aroe naar het land van beschaving (1922). Ze schreef nog meer kinderboeken zoals Jong Java's lief en leed (1910) en in 1928 een nogal opgeschroefd verhaal van een donker meisje met zwarte vlechten, Dona Alve geheten, dat in Nederland een opleiding tot zangeres krijgt, maar dat toch terugkeert naar het land waar ze thuishoort. Veruit het aardigste jeugdboek van mevrouw Van Zeggelen is Het zeeroversjongetje (1910), een plezierig verteld verhaal dat vrij is van litteraire schrijverij. Het zou anders ook niet ‘zeer geschikt voor ong. 12 jarigen’ zijn geweest. Naar de schrijfster meedeelt berusten de gebeurtenissen ‘geheel op de waarheid’.

Het proza van Marie van Zeggelen is sterker nog dan dat van Augusta de Wit tijdgebonden, vooral in de beschrijvende delen. Ze ziet met een Hollands schildersoog, hetgeen niet verwonderlijk is als we weten dat ze een teken- en schildersopleiding kreeg. Ook haar moeder was schilderes (haar vader was een bekend volksdichter). Soms zelfs doet de tropische natuur haar aan een bepaald schilderij denken, ‘een dichterlijk schilderij van Puvis de Chavannes,’ zegt ze bijvoorbeeld, ‘met zijn tere pastelkleuren van blauw, violet en groen.’ Telkens laat ze zich door haar beschrijvingen meeslepen die hele bladzijden kunnen vullen. Ze doen niet alleen afbreuk aan het verhaal - zoals dit ook bij Augusta de Wit het geval is - ze verraden bovendien een tekort aan oorspronkelijkheid door een veelvuldig gebruik van litteraire clichés. Dit is zelfs in haar beste werk merkbaar. We behoeven slechts een willekeurige bladzijde op te slaan uit haar bundel Bij het hart van Indië (1926) en stuiten reeds in de eerste vier regels op sjablonen als ‘rosse avondschijn’, ‘inktzwart silhouet’, ‘kantwerk van lover’, ‘pinkelen van sterren’, ‘toveren van geheimzinnige lichten’ en zo maar door. En al deze ‘sfeerschepping’ wordt voorgedragen op een te hoge toon, met gebruikmaking van retorische vraagzinnen en uitroepen. Juist de tegenstelling tussen een tekort aan taalvermogen en de litteraire pretentie wordt op den duur hinderlijk. Ook in het verhaal ‘Het mysterie’ uit dezelfde bundel - door haarzelf beschouwd als het beste wat ze schreef-

[p. 334]

past ze dezelfde werkwijze toe, maar in deze geschiedenis van de jonge en eenzame vorstin Itèngré wordt de relatie tot de hoofdfiguur zo sterk dat de beschrijvingen een functie krijgen en de clichés verdwijnen.

Marie van Zeggelen heeft eens in een gesprek gezegd dat het haar bij het schrijven vooral om mensen ging, niet om de gebeurtenissen. Het merkwaardige is alleen dat wij in haar werk wel mensen - Buginezen, Atjehers, Javanen - zien bewegen en handelen, maar ze zelden leren kennen. Ze zijn eerder gestalten dan mensen. Voor zover er van een karaktertekening sprake is, blijkt deze afgeleid te zijn van de uiterlijke waarneming. De nadruk ligt op de beschrijving van de gebeurtenissen zoals ook bij een historische roman als Oude glorie (1935). Als we een term aan de schilderkunst ontleend, op de letterkunde toepassen, dan kumien we met enige goede wil tot wederzijds begrip zeggen dat Marie van Zeggelen volgens een impressionistisch principe werkte. Het verhaal wordt, zoals ook in Oude glorie, opgebouwd uit delen die los met elkaar verbonden zijn. Compositorisch valt het geheel uiteen in taferelen, beschrijvingen, dialogen enzovoorts. De eindindruk is die van een bontheid, een veelheid en een rijkdom aan details die een criticus ‘visionair’ noemde, voorzover men tenminste bij een impressionistische beeldvorming van ‘visionair’ mag spreken. Dat Oude glorie een van Marie van Zeggelens beste boeken is, kan men beamen, maar niet dat het een ‘meesterwerk’ zou zijn - zoals Johan Koning het in een bespreking noemde. Daarvoor bevat het teveel onverwerkt ornament. We kunnen waardering hebben voor de knappe verwerking van de historische gegevens, we kunnen bewondering hebben voor verschillende fraaie beschrijvingen zonder dat we kunnen vergeten dat Marie van Zeggelens wijze van schrijven aan een bepaald procédé vastzit dat sterker is dan zijzelf.

Toch is Oude glorie een curieus en in zekere zin een uniek boek. Het speelt zich af in de glorietijd van het Atjehse rijk in de zestiende en zeventiende eeuw, in een wereld van vorsten en vazallen, van volk en adel, van hoffeesten en intriges en van het binnendringen van de Portugezen, Engelsen, Hollanders en Zeeuwen. Evenals bij verschillende andere boeken is de uitbeelding van de Oosterse wereld voor haar primair en zijn de Europeanen de vreemdelingen die in het verhaal weliswaar een rol spelen, maar die toch als buitenstaanders gezien worden, als binnendringers die elkaar onderling de handel betwisten, en

[p. 335]

waarbij natuurlijk een ‘sluwe Chinees’ een dubbele rol moet spelen. Het verhaal eindigt met een nederlaag van de Portugese armada op de kust van Atjeh, waardoor de weg voor de Nederlanders vrij komt. Voor Atjeh wordt een periode afgesloten en begint een nieuwe. Maar de Atjehse geschiedenis heeft een vervolg en eindigt met een lange en verbitterde oorlog tegen de Hollanders en de onderwerping aan het Nederlands gezag in het begin van de twintigste eeuw. Maar hier gaat het boek van mevrouw Van Zeggelen niet meer over. Ze heeft zich beperkt tot de glorietijd van het Atjehse rijk. Daarvoor gebruikte ze zeventiende-eeuwse bronnen. In een artikel in de Nederlandsche Bibliographie heeft ze deze genoemd: de reisjournalen van de gebroeders De Houtman en die van Van Neck, het journaal van de Engelse kapitein Lancaster en van de Franse generaal Beaulieu. We kunnen ons niet onttrekken aan de indruk dat Marie van Zeggelen over een glorieuze periode van de Atjehse geschiedenis heeft geschreven als een late hulde aan de ‘onderworpenen’. Ze had ze leren kennen toen zij en haar man in Kota Radja woonden (de hoofdstad van Atjeh), op een tijdstip dat de onderwerping nog vers in het geheugen lag. In ieder geval zou zoiets geheel in haar lijn hebben gelegen. In de oorlog schreef Marie van Zeggelen haar geromantiseerde biografie van Kartini (1946). Daarna verdween Indië uit haar werk. Vermoedelijk heeft ook zij moeite gehad met de politieke gebeurtenissen. Ze was overigens op oudere leeftijd nog zeer actief, ook als schrijfster: ‘een kwiek en heel bedrijvig oud dametje’ dat veel praatte en dat nog van alles wilde doen. Ze hield het meest van Den Haag, zei ze, maar de meeste van haar vrienden en vriendinnen had ze in Amsterdam: Lizzy Ansingh, Rika Hopper, dr. Portielje; ze las nog altijd zo graag Dickens en verlangde te schilderen. Ze was zevenentachtig toen ze in Huizen stierf, in een rusthuis dat ‘Voor Anker’ heette.