Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 341]

XV Het Nederlandse Indië

1. De jonge Hollandse vrouwtjesaant.

In 1905, 1906 of misschien even later - het komt op een jaartal niet aan - begint Indië uit het economisch slop te geraken. De Mindere Welvaartscommissie is nauwelijks aan haar omvangrijk onderzoek begonnen, of de wereldconjunctuur begint voor Indië gunstig te werken. Reeds vanaf 1890, maar vooral na 1905, gaat het Europese, in het bijzonder het Nederlandse bedrijfsleven belangrijke sommen in Indië investeren. Het is de tijd van de groei van de naamloze vennootschappen. In 1909, in één jaar dus, werden 175 nieuwe opgericht. Met de expansie van het bedrijfsleven en de ontwikkeling van de industrie en cultures ontstond de behoefte naar meer werkkrachten uit Holland, zowel voor het bedrijfsleven als voor het gouvernement. Hierin kon alleen worden voorzien bij geheel andere verhoudingen, bij een groter veiligheid, bij meer comfort, bij een normalisering van het leven en een betere aanpassing bij moederlandse verhoudingen. De redenering van vroeger dat het in het belang van de werkprestaties en van de betrokkenen zelf beter was als de jonge employés of ambtenaren ongetrouwd uitkwamen en nog maar eerst in concubinaat gingen leven, werd langzamerhand losgelaten. Het gouvernement was in dit opzicht altijd vooruitstrevender geweest; het bedrijfsleven ging nu volgen. Door de Deli-Maatschappij werd de eis van ongehuwd te zijn eerst in 1919 officieel opgeheven. Andere bedrijven op Java waren haar voorgegaan, weer andere volgden. Veel meer dan in de vorige decennia kwamen nu de employés en ambtenaren getrouwd uit of lieten hun meisjes als ‘handschoentje’ overkomen. Dit wordt door de beschikbare gegevens bevestigd. Het percentage vrouwen in verhouding tot het aantal mannen dat naar de ‘Koloniën van de Staat’ vertrok, steeg van

[p. 342]

1905 tot 1915, in een periode van tien jaar dus, van 18,7 tot 40,6 procent.

Het binnenkomen van veel meer Europese vrouwen dan tevoren heeft langzaam maar zeker de leefwijze veranderd, zowel in de binnenlanden als in de steden, maar vooral in de steden. De eerste jaren van de twintigste eeuw zijn jaren van overgang geweest. Binnen het oud-Indische leefpatroon zijn dan de verschuivingen begonnen, maar de kenmerken van een oud-Indische leefwijze blijven voorlopig nog overal merkbaar. Het oude en het nieuwe loopt doorelkaar heen. Maar de Europese samenleving die tientallen jaren structureel weinig veranderd was - al had ze zich kwantitatief voortdurend uitgebreid - was in versnelde beweging gekomen, in een richting waarin ze overigens altijd getendeerd had: die van europeanisering. Dit proces ging - en dit spreekt bijna vanzelf - van de ‘blanke top’ uit en vooral van de Europese vrouwen die nu Indië binnenstroomden en hun eigen leefgewoonten meebrachten, die andere wensen hadden en nieuwe eisen stelden, die hun stempel gingen drukken op het Indische leven. En wat vooral belangrijk was: de tendens werkte normatief in de breedte en in de diepte door. Het gehele Indische leven begon Europeser te worden, ook het leven van de Indo-Europeanen en zelfs dat van de Indonesiërs die in de koloniale samenleving naar boven waren gekomen. Toch bleef het oud-Indische ‘plantenleven’ nog vrij lang bestaan. Vooral diep in de binnenlanden of in de buitengewesten, ver van de Europese centra, leefde men nog ‘alsof de tijd had stilgestaan’, met de njai als de ‘moeder van de kinderen’, met de petroleumlampen in huis en de witgekalkte bloempotten in de tuin. En 's avonds als de dag voorbij was nog altijd het eindeloos klimaatschieten. Geen dokter, maar een dukun of de raadgevingen van oude Indische of Indonesische vrouwen of de kruidenboeken van mevrouw Kloppenburg-Versteegh. Maar ook dit plantenleven was bestemd langzaam te verdwijnen.

Indië werd meer ‘bewoonbaar’ gemaakt, ook voor Europese gezinnen. De belangrijkste tropische ziekten als malaria, cholera, tyfus en dysenterie konden doelmatiger worden bestreden; de tropenhygiëne kwam tot ontwikkeling. De verschijning van een groot zes-delig werk als ‘Kromoblanda’ (1915-1923) van de Semarangse apotheker H.F. Tillema is er een symptoom van. In deze tijd verschijnen ook een groot aantal boeken met titels als Naar Indië en terug (‘gids voor het gezin,

[p. 343]

speciaal een vraagbaak voor dames’) of Ons huis in Indië (‘handboek bij de keuze, de inrichting, de bewoning en de verzorging van het huis naar de eisen der hygiëne’) waarin altijd raadgevingen stonden over het gebruik van drinkwater, over gezonde kleding (de weinig flatteuse bébé), over frisse lucht, over de inrichting van de slaapkamer (geen stilletje meer, geen sampiran, geen lampu tèmplèk) en over de voordelen van een moderne keuken (geen beroete dapur meer met een anglo, maar een ‘Perfection’-petroleumfornuis en vooral een ‘goede afvoer’!) en over het gebruik van desinfectiemiddelen enzovoorts en daarnaast een groeiend aantal populair geschreven medische werken die de Wenken en raadgevingen van mevrouw J. Kloppenburg-Versteegh moesten vervangen, dat overigens nog lange tijd het vademecum voor vele Indische huisvrouwen bleef.

De jonge Hollandse vrouwtjes die in de eerste decennia van de twintigste eeuw jaarlijks uit Holland vertrokken, hadden het overigens moeilijk, vooral als ze tot de Hollandse burgerlijke elite behoorden, als ze een beetje intellectueel en een beetje kunstzinnig waren, als ze een beetje schilderden en piano speelden, gedichten lazen en voordroegen, als ze gewend waren concerten te bezoeken of de schouwburg. In Indië moesten ze dit alles missen; het leven was er eentonig. De ene dag was precies als de andere: dezelfde zon, hetzelfde groen en dezelfde eindeloze verveling. Een onbekend Hollands vrouwtje schrijft in een toevallig bewaard gebleven brief van 20 april 1916 aan haar vriendin in Utrecht: ‘Iedere dag is hier hetzelfde. 's Morgens zeven uur heb je reeds ontbeten. Het brood is hier zuur. Dan die hele rek van zeven tot twaalf door te komen! waarbij het tegen elf uur brandend warm is, zodat je je ellendig voelt en liefst neer zou willen vallen van loomheid. Heb je om half een gegeten, dan gaan de meeste mensen naar bed, dan zijn de wegen doods, verlaten. Ik echter kan onmogelijk 's middags slapen. Hoe dus mijn tijd door te komen? Alweer vliegen dan mijn gedachten terug naar het winkeluurtje in de Kalverstraat en dan in Mille Colonne een kopje koffie met slagroom ... en een zalig strijkje.’ En in dezelfde brief: ‘Vele, vele dagen lag ik op de langestoel in de voorgalerij met de armen onder het hoofd te staren in het verre verschiet, in dromen verzonken over gindse wereld waar ik zo oneindig ver van verwijderd ben en worstelde ik zo dikwijls met het gevoel van Heimweh dat me komt overvallen en waar ik toch zo mach-

[p. 344]

teloos tegenover sta ... Ken je dat gevoel, Nel? Het is ellendig.’ En zelfs nog een jaar later, staat in een brief van 7 augustus 1917: ‘Oh, ik houd het niet uit! Nel, zeg me, is er nog geen verandering, is er nog geen uitkomst?’ Wat deze jonge vrouw schrijft, kan ze in naam van honderden andere jonge vrouwtjes geschreven hebben. Ze moesten bijna altijd hun illusies prijsgeven, hun waardeoordelen, hun achtergrond en daarmee hun veiligheid. Is het wonder dat ze zich verbannen voelden en eenzaam en dat ze in hun vreemdelingschap schimpten op het ‘rótland’. Zij kwamen - vaak uit de beslotenheid van de Hollandse provincie - in een maatschappij terecht waar geheel andere normen golden, ook andere zedelijke normen, waar ze geconfronteerd werden met het vrije, ruwe en soms ongebreidelde vrijgezellenbestaan. Ze brachten huiselijkheid en gezelligheid, zij waren het die de veranderingen en de normalisering teweegbrachten, maar ze moesten veel verdragen. In vele gevallen gingen ze de plaats innemen van de concubine. Dat gaf talrijke spanningen en complicaties. Vele Hollandse vrouwen konden het - als onze briefschrijfster uit Semarang - niet langer uithouden. Ze werden ziek, of ziek van heimwee en moesten repatriëren. Anderen konden zich beter aanpassen; ze waren zelfs in staat een toon van vertedering en ontroering te laten klinken, al was het altijd daarna, als ze weer in Holland terug waren. Op een afstand gezien bleek Indië toch ook wel ‘veel goede dingen’ te hebben.