Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 346]

3. Annie Salomonsaant.

Annie Salomons (geb. 1885) was niet zo'n heel jong vrouwtje meer toen ze in december 1924 in Indië aankwam. Ze was toen bijna veertig. Ook zij kwam - evenals Carry van Bruggen - in Deli. Ze bleef er drie jaar.

Maar wat was Deli? In ieder geval meer dan de aanduiding van een reusachtig cultuurgebied aan de Oostkust van Sumatra. Deli was een begrip. We denken daarbij aan tabak en rubber, aan uitgebreide ontginningen, aan ondernemingslust en pioniersgeest. Zodra we over Deli praten, beginnen we in internationale termen te denken; we spreken over wereldmarkt, wereldverkeer en wereldprijzen; maar bij Deli denken we ook aan heren en knechten, aan grote promoties en abrupt ontslag, aan hard werken, aan Japanse concubines, aan hari besar (letterlijk ‘de grote dag’, de vrije dag eens in de veertien dagen), ook aan koeliewerving, aan contractanten en poenale sanctie. We zien lichten schaduwzijden, afhankelijk van de plaats waar wij staan, van de groep waartoe wij behoren, van de normen die wij hanteren.

Deli was een eiland, zei men ook, een samenleving in een samenleving, een bijzondere vorm van samenleven onder Europeanen, hemelsbreed verschillend van die op Java. ‘Java’ en ‘Deli’ waren geheel andere begrippen: de planter in Deli was een geheel andere mensensoort dan bijvoorbeeld die in Oost-Java (waar óók tabak werd geplant). Deli was blank, Java was gemengd. De Indo-Europeaan was op Java overal en in alle lagen vertegenwoordigd, in Deli slechts sporadisch en in lagere betrekkingen. Om dit alles te kunnen begrijpen, moeten we naar het begin teruggaan. Deli is pas veel later ontgonnen. De eersten waren Jacobus Nienhuys, J. Th. Cremer, de stichter van de Deli-Maatschappij (in november 1869), en de koopman P.W. Janssen. Zij staan aan het begin van de grote ontwikkeling van Deli. De eerste blanken vonden in tegenstelling tot Java een leeg land, een woest gebied waar de bomen nog geveld moesten worden en de stammen verbrand. Op oude foto's ziet men oneindige stukken land met boomstompen en zware takken. Altijd stijgt er rook uit op. Een even desolaat als indrukwekkend landschap.

In Deli moest alles geïmporteerd worden, ook de employés en de koelies. De employés kwamen rechtstreeks uit Europa, de koelies van

[p. 347]

de overwal en uit Java. Deli is een conglomeraat van blanke nederzettingen geweest met Chinese en Javaanse kolonies eromheen. Maar allen waren vreemdelingen, niemand was er geworteld. Deli heeft zich dan ook alleen tot een gemeenschap kunnen ontwikkelen dank zij de krachtige werking van een aantal taboes gericht op haar ‘zuiverheid’. Wie erin terechtkwam, werd onderworpen aan een sociale controle die vooral werkzaam was bij het overschrijden van de rassen-barrière. De Delische samenleving maakt hierdoor op de waarnemer een ietwat krampachtige indruk; ze is er niet minder karakteristiek om.

Al kwam Annie Salomons niet op een onderneming te wonen, maar op de hoofdplaats Medan, ze heeft in Deli toch de eenzaamheid gekend, het gevoel van ontworteld te zijn en het ellendige heimwee waar al die Hollandse vrouwtjes aan geleden schijnen te hebben. De eerste jaren waren haar moeilijkste jaren, ook door allerlei familie-omstandigheden als de dood van haar vader. Deze gebeurtenissen hebben het aanpassingsproces niet bevorderd. Als we haar herinneringen in Toen en nu lezen, krijgen we overigens niet de indruk dat ze zich erg ongelukkig gevoeld moet hebben. Ze schreef zelfs dankbaar te zijn het oude Indië nog gekend te hebben, ‘die vergane wereld die nooit meer terug zal komen.’ Maar voegde ze eraan toe: ‘al ben ik nog dankbaarder dat ik er niet heb hoeven te blijven.’ De jaren in Deli zouden óók moeilijk geweest zijn zonder die bijzondere familieomstandigheden: ‘Ik zelf die als een ethische mevrouw met nobele principes naar Indië ben gegaan, had grote moeite om me aan te passen en niet voortdurend afkeurende kritiek te oefenen.’ De afstand van lange jaren bracht haar echter het begrip voor het gedrag van de vroeger zo bekritiseerde Deliaan, voor zijn braspartijen, zijn uitbundigheid, zijn ruwheid en zijn eenzaamheid. In haar Deli-tijd stootte ze zich daaraan. Samen met haar man, vertelt ze in Het huis in de hitte (1933), voelde ze zich geïsoleerd van de Delische gemeenschap, omdat de Europeanen in Deli ‘iets hards hadden en iets schrils. Er is geen levenslust. Iedereen is een strijdende partij; uit eerzucht, om geld, om liefde.’ Wat moest de Europeaan met ethische principes beginnen? Zijn principes overboord gooien, zich aanpassen. Anders viel er voor hem niet te doen.

Evenals Carry van Bruggen spreekt ook Annie Salomons met sympathie over de bedienden, over hun doen en laten. Het zijn trouwhartige en aanhankelijke mensen. Ze is vol goede wil om ze te begrijpen,

[p. 348]

maar haar beschouwingen - ook die over de tegenstellingen tussen Oost en West - zijn niet meer dan de doorsnee-beschouwingen van de goedwillende Europeaan, steunend op een zeer beperkte ervaring, bepaald door een gezichtskring die niet ver reikt, en vooral gehinderd door de barrières waarmee het leven van de Europeaan in Deli omgeven was. Als in 1933 Het huis in de hitte verschijnt, is Indië voor Annie Salomons al pijnloos in de herinnering opgelost. Men merkt het aan de toon die op een afstand klinkt. In 1927 echter, is Indië nog nabij. Het oude gevoel van heimwee is nog gemakkelijk terug te halen, want van dit heimwee naar Holland zijn alle verhalen doortrokken van de bundel die de veelzeggende titel Ballingen (1927) draagt: een Limburgs meisje dat als handschoentje aan boord een luidruchtig kerstfeest ziet vieren, denkt met weemoed aan de kerstviering thuis bij haar ouders; een jongeman die op aanraden van zijn chef een Japanse concubine neemt blijft terugdenken en verlangen naar het meisje in Holland dat zijn jeugdideaal vertegenwoordigt; de planter die na de dood van zijn vrouw monomaan wordt en zijn huis angstvallig in dezelfde staat laat als vóór haar sterven; de jonge vrouw die met een ruwe planter is getrouwd en die door een collega van haar man geestelijk bevredigd wordt. Als de scheiding en het andere in zicht komt, pleegt ze zelfmoord. Het laatste verhaal van de bundel is dat van een zeer idealistische jonge arts die door zijn Delische omgeving niet geaccepteerd wordt en met zijn vrouw naar Holland terugkeert om daar een nieuw bestaan te beginnen. De geschiedenis heeft weinig om het lijf, maar is waarschijnlijk het sterkst autobiografisch.

Tussen Ballingen en Het huis in de hitte ligt nog een bundel Verhalen uit het Verre Oosten (1930), schetsen uit het Indische leven, waarvan het uitgangspunt weliswaar altijd bij de Europese samenleving ligt, maar met de blik toch ook - de ene keer meer, de andere keer minder - op de ‘andere wereld’ gericht. Diep in die andere wereld dringt Annie Salomons overigens niet door. Ze vertelt over gebeurtenissen en over mensen die de Hollandse lezer moeten doen inzien hoe het leven in Indië is, hoe héél anders, en hoe heel anders de mensen ook zijn. Vreemde vogels, als het erop aankomt, maar ze vullen nu eenmaal het leven van de Europeaan met hun aanwezigheid, en welbeschouwd vertoont die andere wereld een weliswaar nooit geheel te begrijpen, maar toch boeiend leven, boeiend genoeg om verteld te worden. Wie rekening

[p. 349]

houdt met de beperkingen waaraan Annie Salomons onderworpen werd, zal inderdaad geïnformeerd kunnen worden over ‘het leven in Deli’, zoals het in de jaren twintig voor de meeste Europeanen was.