8. Albert Besnardaant.
Dan is Albert Besnard (1887-1966) een consequenter vertegenwoordiger van De Beweging - waartoe Vestdijk hem uitdrukkelijk rekent. Vestdijk schrijft ook nog dat het ‘retorisch beginsel’ voor de meeste vertegenwoordigers van De Beweging slechts een uitgangspunt is geweest. De meesten hebben zich in de loop der jaren daarvan verwijderd door een hoe langer hoe persoonlijker en eenvoudiger taalgebruik, zoals Bloem en Nijhoff. Bij Besnard is de ontwikkeling nooit zo ver gegaan. Ze heeft zich beperkt tot hoogstens een demping van de retoriek. Ook de vormtucht van het klassieke vers is voor hem een vereiste gebleven voor de spanningen binnen het vers.
Hij was vergeleken bij Jan Prins wél een bespiegelend en wijsgerig dichter; hij is dit ook tot het laatste gebleven. Het schrijven van verzen betekende voor hem het beleven van de gedachte in dichtvorm, dank zij de tucht van het bovenpersoonlijke metrum. Hij schreef ‘klinkklare jamben’ en statige alexandrijnen en koos vaak het sonnet in een verschijning zoals wij die alleen in de zeventiende eeuw kennen. Misschien doet daardoor de poëzie van Besnard archaïserend aan. Zijn wijsgerigheid verwijdert zijn poëzie van de werkelijkheid. Deze beweegt zich voortdurend in ‘hoger sferen’, verbindt de gedachte met het beeld en het beeld met de gedachte, en als ze terugkeert naar de waarneming, doet ze dat alleen om met het beeld de gedachte weer te kunnen opnemen, om deze te kunnen voegen in een regelmatig golvend metrum.
Albert Besnard ging in 1912 naar Indië. Hij bleef er maar kort; ruim een jaar later keerde hij naar Nederland terug. Daar vond hij een werkkring in de journalistiek en het was de journalistiek die hem in 1930 weer naar Indië voerde, ditmaal als hoofdredacteur van het te Medan verschijnende dagblad De Sumatra Post. Door de bezetting geraakte hij ook in Japanse gevangenschap en eerst na de oorlog repatrieerde hij, ditmaal voorgoed, al maakte hij daarna als journalist nog enkele reizen door Indië. Albert Besnard was iemand die als mens