Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

8. Albert Besnardaant.

Dan is Albert Besnard (1887-1966) een consequenter vertegenwoordiger van De Beweging - waartoe Vestdijk hem uitdrukkelijk rekent. Vestdijk schrijft ook nog dat het ‘retorisch beginsel’ voor de meeste vertegenwoordigers van De Beweging slechts een uitgangspunt is geweest. De meesten hebben zich in de loop der jaren daarvan verwijderd door een hoe langer hoe persoonlijker en eenvoudiger taalgebruik, zoals Bloem en Nijhoff. Bij Besnard is de ontwikkeling nooit zo ver gegaan. Ze heeft zich beperkt tot hoogstens een demping van de retoriek. Ook de vormtucht van het klassieke vers is voor hem een vereiste gebleven voor de spanningen binnen het vers.

Hij was vergeleken bij Jan Prins wél een bespiegelend en wijsgerig dichter; hij is dit ook tot het laatste gebleven. Het schrijven van verzen betekende voor hem het beleven van de gedachte in dichtvorm, dank zij de tucht van het bovenpersoonlijke metrum. Hij schreef ‘klinkklare jamben’ en statige alexandrijnen en koos vaak het sonnet in een verschijning zoals wij die alleen in de zeventiende eeuw kennen. Misschien doet daardoor de poëzie van Besnard archaïserend aan. Zijn wijsgerigheid verwijdert zijn poëzie van de werkelijkheid. Deze beweegt zich voortdurend in ‘hoger sferen’, verbindt de gedachte met het beeld en het beeld met de gedachte, en als ze terugkeert naar de waarneming, doet ze dat alleen om met het beeld de gedachte weer te kunnen opnemen, om deze te kunnen voegen in een regelmatig golvend metrum.

Albert Besnard ging in 1912 naar Indië. Hij bleef er maar kort; ruim een jaar later keerde hij naar Nederland terug. Daar vond hij een werkkring in de journalistiek en het was de journalistiek die hem in 1930 weer naar Indië voerde, ditmaal als hoofdredacteur van het te Medan verschijnende dagblad De Sumatra Post. Door de bezetting geraakte hij ook in Japanse gevangenschap en eerst na de oorlog repatrieerde hij, ditmaal voorgoed, al maakte hij daarna als journalist nog enkele reizen door Indië. Albert Besnard was iemand die als mens

[p. 374]

midden in het leven leek te staan. Hij kende de Indische samenleving door en door en was in staat daar helder over te schrijven, met begrip en inzicht. Voor zijn poëzie reserveerde hij de bespiegeling die hij waarschijnlijk als het ‘wezenlijkste’ van hemzelf beschouwd heeft. In Indië heeft Besnard nooit poëzie geschreven, in ieder geval niet eerder dan in gevangenschap. Zijn bundel Doem en dorst (1952) moet, als we op de datering letten, voor een groot deel in het kamp geschreven zijn. Voor het eerst vinden we in zijn poëzie ‘Indische gedichten’, dat wil zeggen aanwijzingen voor zijn aanwezigheid in het Oosten, meer niet. De Indische natuur wordt niet om haar zelfs wil waargenomen - zoals bij Prins - ze dient slechts als bron van ‘inspiratie’ voor de dichterlijke bespiegeling die zich soms verwijdt tot een kosmische ervaring zoals in gedichten als ‘Java’, ‘Boroboedoer’ en ‘Mendoet’. De aanschouwing van het grote Boeddhabeeld in het binnenste van de Tjandi Mendoet brengt een mystieke metamorfose teweeg:

 
De wensen zijn vervloeid, de wereld ligt te dromen,
 
De ziel van Godsvergaan komt maatloos in mij stromen,
 
Het deint de bodem uit en welt wijd uit de steen,
 
De tempel sloot mij toe, ik draag het al alleen
 
En Boeddha drinkt mijn ziel, mijn adem en mijn denken.
 
Mij komt zijn schemering, zijn wassend wezen wenken.
 
Ik ken mij zelf niet meer, maar weet de wereld toch
 
Met de eeuwen in mijn ziel en ook mijn hart slaat nog.
 
Zo heb ik hem bestaan, slechts enkele seconden,
 
In ritmisch samengaan van de verscheiden ronden
 
Van mens en ademtocht en van een harteslag,
 
Met Boeddha's eeuwigheid op de aarde van die dag.

In het algemeen kunnen we zeggen dat in Besnards poëzie Indië nauwelijks zichtbaar is, terwijl hij door zijn werk aan het Algemeen Handelsblad als redacteur voor Indonesië elke dag met het land geconfronteerd werd en hierbij sterk emotioneel betrokken bleek. Zijn krant had een afzonderlijke redacteur voor kunst en letteren, maar vaak gebeurde het dat de Indische litteratuur hem toegeschoven werd. Hij schreef erover met zoveel begrip en kennis van zaken als slechts zeer weinigen. Zijn beschouwing over Walraven en zijn analyse van Bre-

[p. 375]

ton de Nijs' Vergeelde portretten zijn die van een insider in de Indische samenleving die onmiddellijk zag wat de andere critici was ontgaan.