Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

9. J.J. de Stoppelaaraant.

Ook de dichter J.J. de Stoppelaar (1884-1945) behoort tot De Beweging. Hij debuteerde in 1912 met de bundel De parelduiker waarvan de verschijning door P.N. van Eyck als veel meer dan een belofte werd gezien; hij rekende haar zelfs tot de beste bundels uit de poëzie-rijke jaren 1911-1912. Greshoff stelde een muzenalmanak samen voor 1913, getiteld Het jaar des dichters waarin hij een aantal dichters opnam ‘die een bijzondere visie op leven en schoonheid met elkaar gemeen hadden.’ Daartoe behoorde ook De Stoppelaar en hiermee kreeg hij een plaats naast de andere dichters van De Beweging. In hetzelfde jaar, in 1912, vertrok hij als planter naar Oost-Java waar hij ook geboren was. Hij wordt employé op een koffieonderneming; een ‘hondenbaan’, schrijft hij aan Van Eyck. De Indische samenleving is ‘bikkelhard’ en alleen temidden van de bergnatuur voelt hij zich van alles verlost: ‘De hele dag ben ik buiten wat een groot geluk is.’ Hij doet niets meer aan de poëzie en heeft nergens tijd voor behalve voor paardrijden en jagen. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. ‘De dichtregels zwermen soms dringend als bijen om bloemen,’ schrijft hij zes, zeven jaar later.

Hij krijgt een klein aantal gedichten bijelkaar en laat ze op eigen kosten drukken bij de Indische firma Kolff. De bundel heet Java [1935]. Het is opvallend zoveel gedichten als er over bloemen en bloesems gaan: rozen, witte rozen, rode rozen (hij doet soms aan Werumeus Buning denken), maar ook Indische bloemen als de tjempaka of de sedep malam, de geurende nachtbloem van de tropen:

 
De desa slaapt. De vuren zijn gedoofd.
 
Nog hangt een zweem van rook onder de bomen.
 
Ik heb vandaag in het geluk geloofd.
 
Hoe moeizaam sterft het hart toch aan zijn dromen.
[p. 376]
 
De weg is stil. De donkre tamarinden
 
Buigen een koepel in de zoele nacht.
 
Hier kan verlangen slechts verlangen vinden:
 
Een enkel mens, die eenzaam is en wacht.
 
 
 
En langzaam ga ik, tot het plots gebeurt:
 
Een zwakke windzucht uit het roereloze,
 
Zodat opeens de nacht naar bloemen geurt,
 
Adembenemend van de tuberozen.

We kunnen van De Stoppelaar niet zeggen dat zijn poëzie onvergetelijk is, daarvoor laat ze te weinig sporen na. Ook híj is niet meer dan een minor poet, een minor poet met bovendien werk van geringe omvang. Het pleit voor hem dat hij er niet tevreden mee was: ‘Ik ben niet erg te spreken over mijn productie.’ Zijn poëzie is niettemin beminnelijk en sympathiek, soms wat week en inderdaad - zoals een criticus schreef - wat ijl en wat veraf. Als we over ‘vormkracht’ willen spreken, dan ontbreekt het hem daar weleens aan. Zijn gedichten hebben te weinig spanning, maar ze zijn tenminste geen ‘rijmwerk’.