Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. Kritiek en opbouwaant.

Op een tweetal plaatsen in Indië vond Du Perron onderdak, in het tijdschrift Kritiek en opbouw en in het Bataviaasch Nieuwsblad (in de tijd dat J.H. Ritman redacteur was). In Kritiek en Opbouw; Algemeen onaf-

[p. 395]

hankelijk en vooruitstrevend Indisch tijdschrift (1938-1940) voelde hij zich het meeste thuis en kon hij vrijuit schrijven wat hij wilde. Vanuit dit tijdschrift heeft hij zijn aanvallen op Zentgraaff gedaan. Kritiek en Opbouw was een eens in de veertien dagen verschijnend oppositieblad dat als een soort uitlaatklep fungeerde voor een groep van andersdenkende Nederlanders en Indonesiërs die zich beklemd en onvrij voelden onder het autoritaire regeringssysteem. Ze waren van huis uit democraten, sommigen van hen waren sociaal-democraten. Ze vormden een minderheid en zelfs een kleine minderheid, maar politiek waren zij veel bewuster dan de meeste Nederlanders. Wat in Europa gebeurde en gebeurd was beangstigde hen en de ontwikkeling in Indië niet minder. In de door de depressie sterk geschokte samenleving kreeg de n.s.b. - vooral onder de door de malaise zwaar getroffen groepen - een grote aanhang. En in dit opzicht is het niet zo belangrijk hoeveel leden ze kreeg, maar hoeveel openlijke en verholen sympathisanten er waren die haar op z'n minst tolereerden om ‘het goede dat in haar beginselen te vinden was’. Tussen dat wat men met enige goede wil tot begrip de ‘koloniale mentaliteit’ kan noemen en het nationaal-socialisme bestond ontegenzeggelijk een affiniteit, vooral in de waardering van een sterk centraal staatsgezag.

Als een soort tegenwicht tegen het opdringende nationaal-socialisme was in Nederland Eenheid door Democratie opgericht. Het oorspronkelijke plan was ook in Indië tot een afdeling te komen, maar de statuten voorzagen niet in het lidmaatschap van Indonesiërs. Toen besloten enkelen in Bandung tot de oprichting van een afzonderlijke Algemeen Democratische Groep die zelfs bij de gemeenteraadsverkiezingen één zetel behaalde. Er was bij de oprichtingsvergadering en ook later, veel belangstelling van Indonesische en Chinese zijde. Er ontstond een coöperatie op politiek gebied die voor Indië iets geheel nieuws was. Een jaar later werd Kritiek en Opbouw opgericht, dat wel uit de Algemeen Democratische Groep voortkwam, maar daar toch onafhankelijk van stond. De initiatiefnemer was D.M.G. Koch, van huis uit een beginselvast sociaal-democraat. De redactie van het tijdschrift waarvan Koch de leiding kreeg - hij vervulde zijn taak met ongelooflijke toewijding - bestond uit Nederlanders en Indonesiërs waaronder principiële nationalisten die zich anders tegen elke vorm van samenwerking zouden hebben gekant. Doorslaggevend voor hun houding is waar-

[p. 396]

schijnlijk geweest dat Kritiek en Opbouw van het begin af uitdrukkelijk het recht van de Indonesiër op onafhankelijkheid erkend heeft. Door Koch kwam in de loop van 1938 Du Perron in de redactie. Van toen af werd het blad levendiger en kreeg het ook een litterair tintje - al bleef het het karakter behouden van een politiek oppositieblad. Du Perron stond persoonlijk iets anders voor de geest: niet precies Kritiek en Opbouw (al mocht de ‘geest’ dezelfde zijn), geen Koloniale Studiën en niet iets als het toen ook in Indië verschijnende tijdschrift, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap, het ‘t.b.g.’, maar een meer actueel, meer cultureel en levendiger tijdschrift dat niet in de eerste plaats politiek gericht zou zijn. Tussen december 1938 en juni - juli 1939 zijn er plannen geweest om tot de oprichting van zo'n tijdschrift te komen. Bij de besprekingen waren betrokken: Du Perron, J. van Leur, H. Samkalden, P.J. Koets en Soejitno Mangoenkoesoemo (met wie Du Perron intussen bevriend was geraakt) en in een later stadium Achmad Subardjo. Wat de initiatiefnemers bond was - merkwaardig genoeg - weer een politiek standpunt: een afkeer van alle dictatuur, een sterk antifascisme en de erkenning van recht op vrijheid voor de Indonesiërs. Ze waren echter geen uitgesproken socialisten zoals Koch, maar in het algemeen links georiënteerde intellectuelen. Het tijdschrift moest op Indonesië gericht zijn, met andere woorden een Indonesië-centrisch standpunt innemen. Als naam werd op voorstel van Soejitno Nusantara gekozen, hetgeen eilandenrijk betekent, de oudste aanduiding voor Indonesië. Er zijn zelfs besprekingen gehouden met een drukker. Toch is het er om financiële en andere redenen nooit van gekomen en Du Perron bleef bij Kritiek en Opbouw, waar hij geregeld in schreef en waarin hij een dialoog met Indonesiërs op gang bracht over cultuur en politiek. Dat was iets bijzonders, al was het alleen maar omdat hij erin slaagde Indonesiërs in een Nederlands tijdschrift te doen schrijven, want politiek gesproken was in deze jaren de situatie slecht en de color-line die door elke gemengde samenleving loopt, was scherper dan ooit geworden. Van beide zijden bestond er wantrouwen en het contact tussen Nederlanders en Indonesiërs bepaalde zich op z'n allerbest tot vrijblijvende gemeenschappelijke bijeenkomsten en maaltijden van Nederlandse en Indonesische collega's. Tot een vanzelfsprekende en onbevangen uitwisseling kwam men nauwelijks en zeker niet als het onderwerp de politiek betrof - die juist voor de Indonesiërs een zaak was ge-

[p. 397]

worden waar voor hen alles van afhing: hun waardigheid, hun zelfstandigheid, hun zelfrespect en de toekomst van hun kinderen. Ze waren in de Nederlandse regeerders teleurgesteld en voelden zich bedrogen (Soekarno: ‘... maar telkens worden onze verwachtingen niet vervuld en zo ontstaat spijt in onze harten’). Toen Du Perron in 1936 in Indië kwam, was er een stilte gekomen in de eerst zo luidruchtig gevoerde propaganda van de nationalisten. De leiders waren verbannen: Tjipto Mangoenkoesomo, de ‘vader van de nationalistische beweging’, al eerder in 1927; in begin 1934 gebeurde dit ook met Soekarno (nadat hij op 31 augustus 1933 was gearresteerd); een week nadat Soekarno - in februari 1934 - naar het eiland Flores was overgebracht, werden Hatta en Sjahrir gearresteerd. Een jaar later werden zij naar Boven-Digul verbannen. Honderden nationalisten die men onder het beruchte artikel 153 bis had doen vallen, zaten in Boven-Digul in interneringskampen en even zovelen hing het zwaard boven het hoofd. Het was een vorm van bestrijding: de onthoofding van de beweging, het breken van de organisatie, het wekken van onzekerheid, het zaaien van onenigheid en twijfel. Bovendien werd de beweging door een politiek en politioneel apparaat scherp in het oog gehouden. Oppervlakkig gezien leken de repressieve maatregelen te werken, maar psychologisch hebben ze een averechts resultaat gehad: bitterheid, wantrouwen en wrok, zelfs bij zeer gematigde en redelijk denkende figuren als Sjahrir (zie Indonesische Overpeinzingen, 7 maart 1938, blz. 181, cit. 4de druk). Velen beschouwden (vaak tegen hun gevoelens in) iedere Nederlander als een potentiële vijand en persoonlijke sympathie als een vorm van verraad. In deze atmosfeer van repressie, angst en achterdocht kwam Du Perron en zocht contact met Indonesische intellectuelen. Ook hij klaagde eerst over moeilijkheden bij de omgang, en over wantrouwen - vooral wantrouwen - maar hij drong er doorheen, eenvoudig door zich te geven zoals hij was. Hij zei hun waar het op stond, maar hij zei hun ook duidelijk waar hij stond: als het erop aankwam, aan hun kant. Hij doorbrak barrières en grenzen. Over de manier waarop hij dit deed en over de indruk die zijn optreden op Indonesiërs maakte, vindt men een artikeltje in Vrij Nederland (van 14 december 1946) van de schrijfster Soewarsih Djojopoespito. De ontmoeting met Du Perron en zijn vrouw deed zich aan haar en haar man voor als een soort wonder. Ze schreef óók: ‘Wie de koloniale verhoudingen kent,

[p. 398]

begrijpt wat het betekende dat men zich thuis voelde in een Europese omgeving.’ Wat Indonesiërs het meeste in hem opviel was zijn natuurlijkheid. ‘Wat wij zo haatten in de opvattingen van koloniale Nederlanders, het medelijden van de ethische Nederlander [...] dat ontbrak hem.’ Dit schreef een andere Indonesische, mevrouw Pringgodigdo, in 1951 in het Indonesische blad Sikap, een militante nationaliste en feministe. Toch heeft Du Perron zelf nooit ten volle beseft wat hij voor zijn Indonesische vrienden betekend heeft. Omdat zulke dingen nu eenmaal moeilijk uitgesproken worden. Dat is eigenlijk pas na zijn dood gedaan toen het bericht van zijn overlijden in Indonesië was doorgedrongen en Kritiek en Opbouw een speciaal herdenkingsnummer aan hem wijdde. Zijn Nederlandse en Indonesische vrienden traden hierin naar voren. Alleen Sjahrir ontbrak; men kon hem in de verbanning niet tijdig meer bereiken. Een van hen waar Du Perron in het bijzonder op gesteld was, de in verband met de plannen voor Nusantara reeds eerder genoemde Soejitno Mangoenkoesoemo, schreef aan het slot van zijn herdenking: ‘Moet ik over deze man, wie ik zo erg veel te danken heb, voortaan in de verleden tijd schrijven en spreken? Ik kan geen woorden vinden voor het gevoel dat mij bestormde, toen ik me dat realiseerde. En ik kan me enkel slaan, dat ik ondanks (of moet ik zeggen door) de grote vriendschap die ik hem toedraag, slechts deze banale woorden vinden kan om hém te eren die zóveel in mijn leven betekend heeft.’ En een andere Indonesiër, Soegondo Djojopoespito schreef: ‘Wat hij voor zijn vrienden betekend heeft, maakt voor hun gevoel drie eeuwen koloniaal onrecht goed.’ En Sjahrir (met wie Du Perron een correspondentie onderhield), zou later na de oorlog zeggen: ‘Hij benaderde de Indonesiërs niet van buiten als een interessant studieobject, zoals vele “ethici” deden, maar hij ontmoette hen als gelijkwaardigen, als mensen, in wie hij een gemeenschappelijke menselijkheid erkende. Vrienden zoals hij zijn de beste ambassadeurs die Nederland zenden kan.’

Wát heeft Du Perron voor zijn vrienden betekend? Dat is verschillend geweest. Voor zijn Nederlandse vrienden iets anders dan voor zijn Indonesische, maar allen waren het erover eens dat hij een toegewijd vriend was, hartelijk en stimulerend in de omgang. Koets zei: ‘Eddy du Perron heeft het door zijn persoon zijn Indonesische en Nederlandse vrienden mogelijk gemaakt ook eikaars vrienden te worden.’ Beb

[p. 399]

Vuyk drukte het nog korter uit. ‘Hij liet ons zijn vrienden na,’ schreef ze in het Bataviaasch Nieuwsblad.

Soewarsih verklaarde (in Vrij Nederland) dat ze zonder Du Perron nooit tot het schrijven van haar roman Buiten het gareel zou zijn gekomen; ook deze Oost-Indische spiegel zou - dertig jaar later - niet geschreven zijn zonder de ‘opdracht’ van Du Perron, in 1939 per brief verstrekt. Natuurlijk heeft Du Perron invloed gehad, maar invloeden zijn moeilijk te traceren en nog moeilijker te waarderen (het is maar wat men ermee doet), zeker is dat de verschijning van Du Perron iets in beweging heeft gebracht en een culturele bedrijvigheid heeft ontketend die er vóór zijn komst nooit geweest was; die zich tijdens de oorlog in de kampen en vooral na de oorlog daarbuiten voortgezet heeft in een onderling contact. Zonder dit zou een maandblad als Oriëntatie - dat in eind 1947 begon te verschijnen - nooit tot stand zijn gekomen.

Men zou zich aan mythevorming schuldig maken als men de invloed van Du Perron op de Indonesische intelligentsia groot zou noemen. Dat zou een gezichtsbedrog zijn. Ze is beperkt gebleven. De Indonesische generatie van na de oorlog, de Angkatan '45 (de Generatie van '45) heeft hem nooit gekend; voor haar was hij een naam met een goede klank, niet veel meer. Slechts enkelen zoals Chairil Anwar, Sitor Situmorang en Ida Nasution kenden gedeeltelijk zijn werk. Voor de ouderen als Soewarsih Djojopoespito (1912-1977) en haar man, voor Soejitno en nog enkele anderen die Du Perron persoonlijk hebben gekend, betekende hij daarentegen veel, zeer veel zelfs. Minder voor Sjahrir (1909-1966), die Du Perron nooit ontmoet heeft, omdat hij in Banda geïnterneerd zat, die intellectueler was en reeds meer gevormd, ook door zijn studietijd in Amsterdam en die meer dan Du Perron politiek georiënteerd was. Du Perron zag in Sjahrir een man die hij respecteerde en van wie hij hoge verwachtingen had. Zijn afscheidsbrief aan Indonesië was aan Sjahrir gericht (zie Verzameld werk, deel vii, blz. 124), omdat hij van de politiek en ideologisch geschoolde Sjahrir begrip verwachtte voor zijn situatie en keuze, die tegelijk een politieke keuze was.

In zijn Indonesische overpeinzingen (van 20 maart 1937, dus vóór hij met Du Perron contact kreeg) schrijft Sjahrir dat hij Blocnote klein formaat van Du Perron gelezen heeft en dat de lectuur hem buitenge-

[p. 400]

woon bevallen is en hij voegt eraan toe: ‘ik wilde wel dat de jongens op Java die zogenaamd “litteratuur” beoefenen, zich aan deze jongeren in Nederland laafden in plaats van aan die oude fossielen van De Nieuwe Gids.’ Daarbij doelt hij kennelijk op de groep van Poedjangga Baroe (letterlijk ‘De Nieuwe Dichter’). Zonder iets van Du Perron te weten, blijkt hij Malraux te hebben gelezen (Les conquérants) en zonder Ter Braak leest hij Nietzsche. Hij leest ook de bijbel, Marx en Engels en de Engelse positivisten die langzamerhand de Duitse speculatieve filosofen gaan vervangen. We zien hoe een litteraire en politieke ontwikkeling zich duidelijk bij hem aftekent en we lezen ook van zijn angst voor het naderend fascisme, een geestesontwikkeling die merkwaardig en bewonderenswaardig is, vooral als we bedenken hoe geïsoleerd hij in zijn ballingsoord was. Hij leest ook de Nederlandse letterkunde en met een voortreffelijk gevoel voor waarde wijst hij de Maurits Dekkers en de Van Gogh-Kaulbachs af (‘klein-burgerlijke gevoeligheid’), maar ook Vestdijk; hij leest Jef Last (‘patetisch’, ‘geen mensenkennis’, ‘woordkunst’) en doet over zijn hoofd een aanval op de Hollandse woordkunst die ook voor Ter Braak en Du Perron een steen des aanstoots was. Stuk voor stuk (met uitzondering van Vestdijk) hebben Ter Braak en Du Perron hetzelfde gevonden en gezegd en soms zelfs in dezelfde bewoordingen. Onafhankelijk van de Forum'ers noteert Sjahrir op 29 december 1936 (hij is dan zevenentwintig): ‘Langzamerhand heb ik mij weten te ontworstelen aan de slavernij van de officiële wetenschap; autoriteit zegt mij innerlijk niet veel meer.’ In mei 1938 schrijft Sjahrir in het herdenkingsnummer van Poedjangga Baroe een artikel over de verhouding tussen volk en litteratuur. In begin 1939 wordt dit artikel door Du Perron ontdekt. Hij neemt het in vertaling op in Kritiek en Opbouw in de nummers van 1 en 16 mei. Bij dit artikel plaatst Du Perron dan zijn notities (Kritiek en Opbouw, 1939, blz. 138; later opgenomen in het Verzameld werk, deel vii, blz. 96). Blijkbaar zijn daarna Du Perron en Sjahrir met elkaar gaan corresponderen en vond Du Perron in hem tot op zekere hoogte een geestverwant en zeker een politiek bondgenoot. In de dialoog in Kritiek en Opbouw praten beiden wat langs elkaar heen. Du Perron blijkt alleen in staat Sjahrir op bepaalde detailpunten te weerleggen. Gezien op een afstand van zoveel jaren is men zelfs geneigd het betrekkelijk ‘gelijk’ meer bij Sjahrir te zoeken die beter dan Du Perron bekend kon zijn met de

[p. 401]

Indonesische situatie en behoeften. Hoe het ook zij, Du Perron was voor Sjahrir geen ‘guru’ (leermeester, geestelijk opvoeder) zoals hij dit - naar hun eigen zeggen - wel was voor Soewarsih en haar man en in mindere mate voor Soejitno (‘hij leerde mij mezelf te zijn’). Du Perron het ons zijn vrienden na, zei Beb Vuyk; welnu in de Japanse bezettingstijd hebben Sjahrir en Soejitno elkaar gevonden in hun gemeenschappelijke negatieve houding tegenover de Japanse bezetter, op grond van principes die ook Du Perron zou hebben onderschreven.