Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. Buiten het gareelaant.

Voordat Du Perron in de redactie van Kritiek en Opbouw kwam, had Soewarsih Djojopoespito (1912-1977) enkele bijdragen ingestuurd. Door een artikel van haar hand waarin zij aandrong op vrijlating van de nationalistische leiders uit ballingschap, werd Kritiek en Opbouw voor de eerste maal met een persbreidel bedreigd. Ze was onderwijzeres op een zogenaamde ‘wilde school’. Een belangrijk onderdeel van de nationale beweging was de opvoeding van de jeugd in nationale geest. Men had verschillende van zulke ‘wilde scholen’; dat waren particuliere, ongesubsidieerde scholen die vooral na 1923 onder verscherpt toezicht werden geplaatst (de zogenaamde ‘wilde scholenordonnantie’), omdat men vreesde dat het onderwijs misbruikt zou worden voor politieke propaganda. Het leven van de onderwijzers was moeilijk; hun idealisme werd op een bijzonder zware proef gesteld. Van dit moeilijke leven getuigt het boek van Soewarsih Buiten het gareel [1940] dat ze in het Nederlands schreef. Maar er was een geschiedenis aan voorafgegaan die gedeeltelijk in het boek zelf staat. Oorspronkelijk had ze haar roman in haar eigen taal, het Sundanees, geschreven en naar Balai Pustaka gestuurd, het officiële bureau voor Volkslectuur. Het werd echter ongeschikt bevonden en waarschijnlijk heeft de figuur van Soedarmo de overwegingen van de redactie goed geraden: geen nuttigheid, geen lering, niet traditioneel, niet simpel genoeg en teveel politiek. Teleurgesteld, onzeker, en toch niet bereid zich bij het oordeel van de redactie neer te leggen, maakt Soewarsih kennis met Du Perron. Hij raadt haar aan het boek direct in het Nederlands te schrijven, de taal waarin zij denkt. Soewarsih zal opnieuw beginnen, maar tevoren

[p. 402]

heeft ze gesprekken met Du Perron. We kunnen de onderwerpen haast raden: het probleem van de romanvorm, van de autobiograaf, van de suggestie der werkelijkheid, van de litteraire ‘eerlijkheid’ enzovoorts. Du Perrons advies staat ergens midden in bladzijde 13, al spreekt niet ‘Soelastri’, maar haar man ‘Soedarmo’ de woorden uit: ‘Doe wat je hart je ingeeft, soms spreekt de intuïtie sterker dan het scherpste intellect.’ Als de eerste hoofdstukken geschreven zijn neemt Du Perron het manuscript mee met vakantie en voorziet het van aantekeningen. Er volgen opnieuw zittingen en gesprekken en zo groeit langzamerhand het boek. Het zelfvertrouwen keert terug en meer dan ooit kan ze nu zich zelf zijn.

Al is de opzet van haar boek te doorzichtig, al zit in het verhaal niet genoeg voortgang en al is het hier en daar ‘dichtgeschreven’, het heeft een aparte bekoring: de bekoring van de onzekerheid, of liever van de afwezigheid der zekerheid. Eigenlijk is haar boek het zoeken naar een identiteit. Het is een boeiend spel dat we kunnen volgen: een geestelijke verovering, al schrijvende bereikt, een loswrikken van gevoelens, een tegen elkaar afwegen van sentiment en intellect. Wij zijn zelfs onder het lezen bij het proces aanwezig en ook dit versterkt de indruk van onvoltooidheid en onvolmaaktheid. Maar ditzelfde ontneemt aan het boek alles wat ook maar in de verste verte op zelfvoldaanheid lijkt. Als ons iets in Soewarsih opvalt, dan is het juist het zich voortdurend bewust maken van situaties, het ontleden van eigen gevoelens en het relativeren ervan door humor en ironie. Het valt niet te loochenen dat deze zelfkritiek, met de ironie als wapen, iets krampachtigs heeft, omdat ze nog niet zeker is van zichzelf, omdat ze elk ogenblik verrast kan worden door de sentimentaliteit, die voortdurend als een bedreiging aanwezig is. ‘Waarom altijd weer die afschuwelijke sentimentaliteit,’ zegt Soelastri tot zichzelf, als ze weer eens tranen ontdekt.

Men krijgt tijdens het lezen van dit boek de indruk dat Soewarsih als Indonesische en als vrouw, op een voor haar bijna bovenmenselijke wijze getracht heeft afstand te nemen tot haar gevoelens met behoud van haar gevoeligheid. Wat Soewarsih bezit, is de aandacht voor alles wat zich tussen mensen afspeelt, voor de onderlinge verhoudingen, en ze heeft vooral gevoel voor de sfeer van een gesprek, voor de ‘elektriciteit’, die door een gesprek kan lopen. Dat wat verzwegen is, is soms nog het belangrijkst. Een enkel zinnetje, een enkele opmerking en de

[p. 403]

heel lichte spanning tussen de mensen zijn levend geworden. Vermoedens, veronderstellingen, onzekerheden, aanwijzingen, niet meer en niet minder. Gevoelens worden even ‘aangeraakt’, maar vooral niet duidelijker geformuleerd.

Een goed voorbeeld in dit verband, is een fragment, dat men ook niet licht vergeten zal: de beschrijving van Soelastri's reis naar Jogja, alleen met de baby en haar ontmoeting met een soldaat. Hoe ze tegenover hem staat met allerlei afweergevoelens, waarvan ze zich alleen de vrees bewust maakt, een vrees, die van ouder op kind is overgedragen. Een soldaat is immers ook voor haar het symbool van gezag, onderdrukking en vrouwenschenderij. Maar langzamerhand komt ze, tot haar eigen verwondering, tot menselijker verhoudingen; ze gaat zelfs iets van vertedering voelen als hij haar kind in de armen houdt en dit maakt de toestand zelfs éven, zoals Soewarsih het uitdrukt, ‘precair’ voor haarzelf. Er gebeurt niets, ze stapt in Jogja uit en wordt afgehaald door haar familie en toch heeft ze het gevoel een bijzondere episode van haar leven te hebben meegemaakt. En dit is telkens bij Soewarsih, die ondergrondse stroom, die een bepaalde ‘touch’ aan haar dialoog geeft.

Het moet een Indonesische als zij met een overgeërfd gevoel van terughoudendheid een geweldige zelfoverwinning gekost hebben om te kunnen komen tot deze openhartigheid die op elke bladzijde ons weer verbaast. Hierachter - het kan niet anders - moet een dwingende behoefte naar intellectuele schoonmaak en eerlijkheid zitten, een radicale poging om tot een ander levensgevoel te komen.

Hier zal de invloed van Du Perron zich hebben doen gelden evenals in het sterk autobiografisch karakter van dit boek, waarmee weer nauw de wijze van karaktertekening samenhangt. Deze geschiedt op dezelfde wijze als bij Du Perron, veel meer uitgaande van wat we de ‘scheppende herinnering’ kunnen noemen dan van de ‘scheppende verbeelding’. Deze instelling brengt het werken naar herkenbare modellen met zich mee, maar hoe weinig dit verschil van uitgangspunt voor de lezer iets uitmaakt ten opzichte van de persoonsbeschrijving, blijkt weer uit dit boek. Sommige figuren hebben we het gevoel te kennen (zoals de hoofdpersonen), anderen zijn zo vaag getekend, dat ze geen enkele blijvende indruk kunnen achterlaten, zoals dit het geval is met Soekarno, die men juist graag beter zou hebben willen leren kennen. Maar

[p. 404]

misschien houdt dit verband met de verhouding van de schrijfster tot deze figuur. Waar Soewarsih tegenover haar andere figuren voortdurend afstand neemt en tegelijk het contact behoudt, daar is het alsof Soekarno zo ver van haar af komt te staan, dat haar kritiek geen vat meer heeft. Ze doet wel een poging de fouten te zien, maar die ze noemt zijn van ondergeschikt belang en raken nergens zijn werkelijk zwakke zijden. Aan de andere kant blijkt ook niet het besef van zijn werkelijke waarde en ze komt evenmin toe aan een verklaring van de legende die om Soekarno is ontstaan.

De reproduktieve methode (die dus uitgaat van de herinnering) ontkomt evenmin aan vervalsing als welke andere werkwijze ook. Zo is de figuur van Soetrisno door Soewarsih met een gevoel van doorhebben getekend, maar de waarde van Soetrisno (in werkelijkheid Soejitno), één van Du Perrons intelligentste en meest genuanceerd denkende Indonesische vrienden, is haar ontgaan.

Merkwaardig in deze roman is dat de sociale en politieke achtergrond zo weinig naar voren komt. We horen wel van een Partai Kebangsaän en een Partai Marhaen, van de strijd om nationaal onderwijs, van de moeilijkheden met de politieke recherche, van huiszoekingen en bijeenkomsten, we kunnen uit de titels van de boeken en de onderwerpen de ideologie van de nationale beweging reconstrueren, maar we krijgen geen duidelijke voorstelling van de politieke verhoudingen. De nadruk valt bij Soewarsih steeds weer op de menselijke relaties, op wat de beweging van de mensen maakt of niet heeft kunnen maken. We volgen het verloop van de beweging in de figuren: het opkomend elan in het begin en het langzaam wegzakken ervan door oorzaken van buiten en van binnen en daarbij verzwijgt Soewarsih niet het vernederend compromis waartoe zij langzamerhand is vervallen en de invloed hiervan op de onderlinge verhoudingen. Ze zal deze bekentenissen niet zonder schuldgevoelens hebben gedaan, temeer waar haar roman in het Nederlands geschreven was, maar belangrijker dan prestige was voor haar op een bepaald ogenblik de betekenis van de zelfkritiek en het hervinden van zichzelf.