Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 405]

5. Willem Walraven: de tragiek van de kolonieaant.

De grote litteraire ontdekking van Du Perron tijdens zijn verblijf in Indonesië was Willem Walraven (1887-1943) en toch was deze in de strikte zin van het woord geen ‘litteraire figuur’, geen dichter, geen schrijver van romans. Walraven was sinds 1926 free-lance journalist voor De Indische Courant, een dagblad dat in Surabaja verscheen. Wel schreef hij enkele jaren vóór zijn dood nog vier of vijf korte verhalen, maar ze kwamen uit zijn journalistiek werk voort en waren er gedeeltelijk zelfs een bewerking van. Walraven maakte overigens zelf geen onderscheid tussen litteratuur en journalistiek omdat het hem in beide gevallen ging om zich te uiten door te schrijven: ‘Ik mag doen wat ik wil, journalist of publicist ben ik er toch ook nog altijd bij. Dat kun je niet laten, omdat je daarmee geboren bent, en omdat het ook inderdaad je werkelijke bestemming is je te uiten, hoe dan ook, en in welke vorm dan ook.’

Journalist of litterator, Walraven was een geboren schrijver, en vóór alles een briefschrijver. Hij heeft honderden, misschien wel duizenden brieven geschreven, al is daarvan maar een betrekkelijk klein deel bewaard gebleven. Hij was bezeten van het schrijven en brieven schrijven was voor hem de meest directe vorm van communicatie, misschien nog beter uitgedrukt: van getuigen. Eigenlijk is alles wat Walraven schreef getuigenis en dit geldt ook voor grote stukken uit zijn journalistiek werk. Of hij over boeken schreef, over mensen, over Indische toestanden, over Indische steden, steeds weer kwam hij op zichzelf terug, op wat hem werkelijk bezighield: zijn ervaringen, zijn herinneringen, kortom zijn leven. Een aankondiging van een boekje over handwerken gaat in een jeugdherinnering over; een herdruk van Brusse's Boefje is voor hem aanleiding te schrijven over het Rotterdam zoals hij het nog gekend heeft vóór de Eerste Wereldoorlog, in een korte tijd van zijn leven dat hij zich - zoals hij zelf zegt - vrij en gelukkig voelde. Er staan ontzettend veel herinneringen in alles wat Walraven geschreven heeft. Steeds grijpt hij terug, steunend op zijn sterk geheugen. Hij heeft dit zijn leven lang als een last mee moeten dragen, want het heeft zijn herinnering voortdurend geactiveerd en geïntensiveerd en dieper dan de werkelijkheid vervuld van de meest tegenstrijdige gevoelens: van haat en liefde - diepe haat en overstromende liefde

[p. 406]

(‘Ik ben eigenlijk iemand die alleen kan haten of liefhebben, beide intens, er is geen middenweg.’). Schrijven betekende voor hem een soort inkeer in een wereld waar hij zichzelf kon zijn (‘Als ze me opsluiten in een cel, ben ik niet alleen, want ik heb mijn gedachten en mijn memorie ...’) en waarin hij zich (eindelijk!) vrij kon bewegen (‘Alleen als ik schrijf, ben ik gelukkig’). Onvergetelijk is het beeld dat zijn oudste zoon van zijn vader opriep: ‘Ik herinner mij mijn vader als een man op leeftijd in een pyamabroek en een hemd, zittend achter een tafel waarop een schrijfmachine. [...] Die machine, ik hoor hem nog bonzen, soms uren, soms dagen achterelkaar. Ik herinner mij dat ik somtijds wakker werd en de machine hoorde. Dan was “het begin” er en bonsde de machine. Ik schrijf bonzen; dat kwam omdat mijn vader een stapel kranten eronder legde, waarschijnlijk om het geluid te dempen. Het karakteristiek tikkend geluid was er nagenoeg niet, wel een gebons, ook omdat mijn vader een tamelijk forse aanslag had. [...] Ook zei mijn vader vaak over zijn werk: Ga achter de machine zitten en begin. Maak een begin, dan komt de rest vanzelf. En als hij het begin had, vulden de letters het papier, het ene vel na het andere.’ Walraven schreef met vaart en precisie tegelijk, duidelijk afgestemd op een spreektoon die het contact met de lezer - van de brieven of van het journalistiek werk, om het even - directer maakt. Hij bleef ook in zijn stijl zoals hij was: duidelijk, open, expansief, met een afkeer van nuanceringen en vaagheden en altijd op de werkelijkheid gericht. Schrijven was voor hem een toevlucht, geen vlucht uit de werkelijkheid: ‘Zuivere fantasie behoef ik eigenlijk niet te schrijven. Ik heb genoeg aan mijn eigen levenservaringen, ontmoetingen, herinneringen, bewogenheden, maar vaak doet het me pijn erin te gaan graven, omdat ik het allang begraven heb, veel ervan tenminste.’ In zijn brieven schrijft Walraven meer dan eens over de betekenis die het schrijven voor hem heeft; dat alles wat hij geschreven heeft, spontaan geschreven is; dat schrijven een kwestie van onbevangenheid is, en het omwerken verkeerd: ‘het in elan geschrevene is het beste.’ Dit is juist het wonderbaarlijke in Walraven: wat hij ook schrijft, het maakt de indruk van in elan geschreven te zijn. Hij schreef zo direct, zo op de man af, zo met zijn hele zware lichaam achter alles wat hij schreef, met een soms schokkende openhartigheid, waardoor zijn leven open en bloot komt te liggen. Zo lijkt het tenminste, want er moet ook veel verzwegen

[p. 407]

zijn dat te sterke en hevige emoties zou hebben opgeroepen. Walraven zinspeelt hier enkele malen op in zijn brieven. Hoe het ook zij, zijn werk is niet van zijn leven los te maken. Het is er het enige onderwerp van. Daarom kan men over Walraven nauwelijks anders schrijven dan in de vorm van een biografie. Maar iemand die zo schrijft als Walraven, die zo bezeten is door het schrijven, moet ook geschreven hebben vanuit een situatie die deze bezetenheid begrijpelijk maakt. Dat is zijn isolement geweest, zijn levenslang isolement dat voor hem het karakter van ballingschap kreeg. Hij gebruikte het woord vaak in zijn brieven: ‘ik, de balling...’

Willem Walraven werd in 1887 in Dirksland op het eiland Goeree-Overflakkee geboren en stierf in 1943 in een Japans concentratiekamp in Oost-Java. Hij was de zoon van een marskramer die kermissen afreisde en genoeg geld verdiende om later een winkel te kopen waar hij kruidenierswaren verkocht. Van moederskant kwam hij uit een schippersfamilie die in het dorp zelfs een ‘herenhuis’ bezat. Wie meer van Walravens jeugd weten wil, kan lezen wat hij er zelf over schreef in ‘Levenslijnen’, een reeks feuilletons, opgenomen in de uitgave van zijn journalistiek werk Eendagsvliegen (1971). Walraven heeft eens geschreven dat hij in een zuiver protestantse streek werd grootgebracht, ook letterlijk: een rechtlijnig en rechtvaardig landschap, vlak en kaal met daaromheen altijd de zee en de wind. En al waren zijn ouders liberaal, ze waren toch echte eilandbewoners en dat betekende iets. Dirksland vertegenwoordigde voor Walraven conservatisme (‘mijn vader was een bewonderaar van de status quo’), bekrompenheid, dufheid en vooral liefdeloosheid. Voor een jonge man die in vrijheid wilde leven, die uit zijn voegen barstte en die vooral naar begrip en verstandhouding haakte, was Dirksland geen plaats om te wonen. De ruzies thuis waren heftig en eindeloos. Hij zocht zijn eigen weg in Delft en Rotterdam en verkeerde er in wat men toen de bohème zou hebben genoemd. Hij hoorde Pisuisse en Speenhoff (van wie hij vele liedjes uit het hoofd kon opzeggen). In deze tijd werd hij ook gegrepen door het opkomende socialisme dat hem nooit meer heeft losgelaten. Tot het laatste toe noemde hij zich marxist. ‘Ik geloof dat ik alleen maar heimwee heb naar die tijd,’ schreef hij later. Hij keerde naar huis terug om voor een boekhouddiploma te werken. Kort daarna emigreerde hij naar Canada. Hij moet er een verschrikkelijke vijf jaren hebben

[p. 408]

gehad en een zwervend bestaan hebben geleid. Het was een tijd waarover Walraven weinig sprak of schreef. Met het uitbreken van de oorlog keerde hij naar Holland terug, maar na een half jaar was de toestand thuis weer even gespannen als tevoren. In augustus 1915 gaf Walraven zich op bij de ‘kolonialen’.

In zijn brieven uit Indië aan zijn broer die in Dirksland gebleven is, schrijft hij meer dan eens nooit meer naar Dirksland terug te willen, maar hij informeert steeds weer naar mensen en dingen en hij schrijft over hen alsof ze nog om hem heen zijn. ‘Het liefste zou ik helemaal los zijn van Dirksland, maar dat gaat natuurlijk niet; het houdt me integendeel vast en er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan Dirksland denk.’ Dirksland was een nagel die diep in zijn vlees vastgehaakt zat. Zelfs in 1941 - twee jaar vóór zijn dood - schreef hij nog dat hij koorts kreeg als hij aan Dirksland dacht, ‘een gloeiend hoofd, bedoel ik, zodat ik niet in slaap kan komen 's avonds van de op me aanstormende herinneringen en ontwakende gevoelens.’ In zijn brieven staan bittere opmerkingen over de verhouding tot zijn ouders: ‘Doe mijn groeten aan vader en moeder. Ik wil hun niet schrijven want ik zeg teveel en ik word te scherp en ze zijn al zo oud, dat ik aan de andere kant wel kan huilen om de ellende dat het zo is. Maar ik kan mezelf niet anders maken en er is teveel gebeurd dat ik niet vergeten kan, veel door mijn eigen schuld, maar ook zo heel veel dat niet nodig was geweest als ze me maar een beetje hadden willen steunen toen ik in nood zat en hulp nodig had. Maar stil, stil, ik wil daar niet weer over beginnen’ (brief van 23 maart 1925). Telkens raakt hij in zijn brieven aan hetzelfde: hij is in de steek gelaten door zijn ouders; ze zijn liefdeloos geweest. ‘Ik denk aan die mensen met haat, met intense haat, zelfs na al die jaren, vergeet dat niet’ (brief van 20 april 1930).

Walraven kwam als telegrafist in Indië bij de verbindingstroepen in de garnizoensplaats Tjimahi waar hij kantoorwerk verrichtte en soms ook aan manoeuvres meedeed. Verder hield hij zich afzijdig van het militaire leven Maar hij was en bleef een ‘mindere militair’ en in de koloniale samenleving leefden de niet-officieren, de zogenaamde ‘lagere rangen’, geïsoleerd. Ze hadden geen contact met de Europese burgerbevolking. In de Europese cafés, restaurants en sociëteiten waren ze ongewenst; ze werden, zeker in de tijd van Walraven, uitgestoten en tot een leven aan de periferie gedwongen. Zo gebeurde het ook met

[p. 409]

Walraven zelf. In deze soldatentijd leerde hij Itih kennen die in zijn leven zo'n allesbeheersende plaats zou innemen. Zijn verhaal ‘De clan’, dat tot het beste behoort van wat hij schreef, gaat over Itih. Walraven schrijft met een nauwelijks ingehouden vertedering over haar (‘Itih met het kleine naampje en het grote hart...’).

In 1918 was zijn diensttijd om en vertrok hij naar Banjuwangi in het uiterste oosten van Oost-Java waar hij als boekhouder bij een oliefabriek ging werken. Hij voelde er zich eenzaam, informeerde bij een kennis per brief naar Itih, en men berichtte hem dat ook zij naar hem gevraagd had. Na een korte briefwisseling nam Walraven het besluit en stuurde vijfentwintig gulden reisgeld (‘met een schouderophalen en een glimlach als een speler die een bepaalde som op een kaart zet en erop rekent die som te verliezen’). Twee dagen later stond Itih voor hem. Ze hadden haar in het donker geschaakt uit het huis van haar oom en tante en haar op de trein gezet. Na te hebben overnacht in een Chinees hotel te Surabaja, kwam zij de volgende middag op het station aan. ‘Nooit is ze in staat geweest mij te vertellen wat zich toen in haar hart heeft afgespeeld. Nooit heb ik ook van haar kunnen vernemen, hoe zij, de onkreukbare, heeft kunnen besluiten deze grote reis te maken in het onbekende.’ Itih heeft later een soort aanvulling gegeven op wat Walraven vertelt. Toen zij naar hem toekwam betekende dat een vlucht uit haar omgeving, een daad om te ontkomen aan een soort half-slavernij. In Walravens huis in Banjuwangi liep ze meteen naar de bijgebouwen waar de bediendenkamers waren en waar ze haar slaapplaats dacht te vinden. Toen ze die daar niet vond en ten slotte in Walravens slaapkamer een tweepersoonsbed zag, begreep ze pas dat hij haar gevraagd had zijn huishoudster te worden. Na er een nacht over te hebben gedacht, is zij gebleven en na hun eerste kind zijn ze getrouwd. Het was Walraven zelf die dit wilde, niet Itih. Zij wist wat het betekende onherroepelijk Europese te worden: nooit meer in haar samenleving te kunnen terugkeren. Deze zou haar niet meer hebben geaccepteerd. En hij van zijn kant werd met een ‘Inlandse vrouw’ door vele Europeanen niet aanvaard. Op dit ene punt was Walraven zeer gevoelig. Hij eiste dat men Itih accepteerde en daarmee isoleerde hij zich van de samenleving van Europeanen waaruit hij putten moest voor ‘geestelijk voedsel’ en menselijk contact. In zijn herinneringen schreef zijn oudste zoon - dezelfde die al eerder geciteerd werd - dat

[p. 410]

zijn vader eens in een staat van dronkenschap uitschreeuwde: ‘geef mij een Europeaan!’ Men kan hierover denken zoals men wil, een cri de coeur als deze tekent de wanhoop en eenzaamheid van de man die sociaal en cultureel nergens geheel bij hoort, met alle verschijnselen van dien aan frustraties, psychische conflicten en neurotische symptomen. Walraven was een ‘zenuwlijder’ (zoals men ook Multatuli een ‘zenuwlijder’ heeft genoemd). Hij schreef in 1930 aan zijn broer: ‘Ik ben dikwijls overspannen en opvliegend, ik raas en tier van tijd tot tijd, ik heb het afschuwelijk warm en [hier komt het op aan] ... ik pas niet in de Indische maatschappij.’ Zijn tragiek was een buitenstaander te zijn in de Europese maatschappij die hij verafschuwde, terwijl de wereld van zijn vrouw en kinderen voor hem gesloten bleef. Daardoor kwam hij in een soort vacuüm te verkeren, op de grens van twee werelden, ‘partly in and partly out’. Zijn wereld lag ver weg, niet in Dirksland, misschien wel ergens in Holland, maar in ieder geval in West-Europa - zo dacht hij. ‘Er is maar één streek in de wereld om in te leven, werkelijk leven. Dat is West-Europa.’ Deze wereld trachtte hij op te roepen door erover te lezen en erover te schrijven. Er is een brief aan zijn broer die ons door een eenvoudig verzoek de kracht van zijn heimwee doet voelen. Hij vraagt kruiden te sturen: kervel, bonekruid, bitterkers en hij voegt eraan toe: ‘... uit die kruiden ruik ik Holland. De wei en de berm van de weg en van de dijk. Het ontroert me zelfs dikwijls als ik tijm in een pan met eten doe en mijn neus daarboven houd. Ik weet niet of je dat kan begrijpen, maar het is een feit. Landen kun je ook ruiken, net als mensen!’ Het besef nooit meer die wereld te kunnen bereiken - terwille van Itih niet en om de kinderen niet - maakte hem soms radeloos. Daarbij kwamen geldzorgen, conflicten, spanningen met de kinderen, vooral toen ze groter werden. Zijn geschiedenis met zijn ouders zou zich bij zijn kinderen herhalen! Hij schold op de ‘Aziaten’, hij schold op de Europeanen en op de warmte, op de deurwaarders die hem belaagden, op het Indisch onderwijs van zijn kinderen, op het Indische eten, op de Indische huizen en de Indische erven. Zijn zoon - alweer dezelfde - had ook een andere herinnering aan zijn vader dan die van de schrijvende Walraven: ‘Wanneer de drank in hem was, brak hij los en al de opgekropte haatgevoelens tegen dit land, dit leven, de mensen en al de dingen kregen de vrije loop. En ook zijn eenzaamheid en zijn verdriet uitten zich daarin. Rusteloos

[p. 411]

als een oude, gekooide leeuw liep hij dan op en neer, hief de handen ten hemel en was grotesk in zijn weeklachten en vervloekingen. [...] Hij voelde zich gevangen; hij was niet vrij zijn vleugels uit te slaan, zowel materieel als geestelijk niet. Het waren de weeklachten van een oude, moede man die eenzaam en verlaten leefde in dit voor hem - ondanks alles - vreemd gebleven en vijandig land. [...] Wij vermeden hem en slopen als stille schimmen door de huiskamer. De meesten van ons leden eronder. Het deed geen goed. Het deed ons mijn vader haten en de kloof verwijden die er was tussen hem en de meesten van ons, vooral toen wij ouder werden.’ Na enige dagen trokken de wolken weer op en hoorden zijn kinderen de machine weer bonzen. Er moest kopij komen voor de krant. Of Walraven altijd gelukkig geweest is als hij voor de krant moest schrijven? Hij moest zijn lezers boeien, hij moest humoristisch en geestig zijn, omdat men dit nu eenmaal van hem verwachtte (er waren er die De Indische Courant alleen om zijn stukken lazen). Dan werd zijn geestigheid weleens grappigheid en zakte zijn humor af tot een soort oubolligheid, zoals in een van zijn populairste rubrieken ‘Kroniek der zonden’, waarin hij allerlei rechtszaken versloeg. Toch was Walraven de best schrijvende journalist van Indië. Niemand kon zo schrijven als hij. Niet over politiek of over economie, maar over boeken en mensen, waar hij allerlei beschouwingen aan vastknoopte over het huwelijk, over het concubinaat, over het Indische leven (‘een rommel’), over de vakbeweging, over het marxisme, over het roken van worst en het bereiden van erwtensoep, over het Indonesisch nationalisme en de arrogantie van de Europeaan in Indië. Hij schold op het koloniale systeem en de Europese kolonisator, maar bezat alle vooroordelen van de Europeaan in Indië. Soms had hij genoeg van alles, van al het geschrijf, van de eeuwige zorgen en zijn eigen eeuwige onrust en verzuchtte hij: ‘O dat ik eens rust kreeg, deze Aziaten niet meer zag, vrij was van deze litteraire “oefenaars” à la juffrouw Laps, los van kinderen, vrouwen, Indo's, Kromo's, menagerekeningen, doktersrekeningen, kranteredacties, auto's op de weg, slechte tabak enz. enz.’

Hij haatte Indië, zei hij, het Europese Indië waarin hij leefde, maar hij bleek er na twintig jaar en meer (‘ondanks alles,’ zei zijn zoon) aan verbonden te zijn. Allerlei typisch Indische verschijnselen en sociale verhoudingen ‘begreep’ hij; hij plaatste ze vaak in een historisch kader,

[p. 412]

waardoor ze in een bepaald perspectief kwamen te staan. Dat was vooral met zijn beschrijvingen van kleine Indische steden en binnenplaatsen. Enige malen maakte Walraven een reis door Java en gaf dan in zijn krant beschrijvingen van de steden en stadjes die hij bezocht, met een Hollands of Javaans verleden als Batavia, Rembang, Kediri, of zonder verleden, waarover alleen de stilte en de tijdeloosheid hingen, het stof en de hitte. Evenals de door hem bewonderde Indische schrijver Daum had Walraven een sterk gevoel voor het Indische verval, voor wat verdwenen was en opgeruimd, of voor wat zonder zin of doel was blijven staan. Onvergetelijk, onvergelijkelijk en ongeëvenaard! Wie zo over Indië kan schrijven is geen werkelijke buitenstaander meer.

1938 is een belangrijk jaar voor Walraven. In dat jaar verschijnt onverwacht als een soort afgezant van zijn familie uit zijn land van herkomst, de achttienjarige stuurmansleerling en enige zoon van zijn zuster. Uit het verslag van de eerste ontmoeting dat hij reeds de volgende dag aan zijn zuster uitbrengt, blijkt de geweldige indruk die de verschijning van deze neef op hem gemaakt heeft. De ene brief volgt nu op de andere. De toon is ongekend mild: de barrières die hij zelf opgetrokken heeft worden doorbroken. Het lijkt wel of zijn isolement geleidelijk wordt opgeheven. Alle brieven gaan over Frans en Fransje en ‘mijn lieve jongen’; het is alsof hij hem voor altijd met zijn zorgen omgeven wil en voor zich wil behouden, want hij heeft eindelijk een zoon gekregen zoals hij die altijd heeft willen hebben: blank, blond, open en vrij. De correspondentie met deze nieuw verworven zoon en diens ouders (Walravens zuster en zwager), die 28 augustus 1938 begint en 25 april 1940 eindigt, beslaat in het brievenboek bijna 400 compact gedrukte bladzijden!

Met het uitbreken van de oorlog werd Walraven weer afgesloten van Holland, maar hij had voordien Du Perron leren kennen; eerst per brief, later persoonlijk. Van Du Perron was het contact uitgegaan; hij las in De Indische Courant stukken die met M.C. getekend waren, schreef de redactie en bereikte Walraven. Hij zei hem dat hij schrijven kon; dat hij een geboren schrijver was. Walraven is hem daar bijzonder dankbaar voor geweest, vooral omdat de woorden uit zijn mond kwamen. Zijn gevoelens voor Du Perron zijn een mengeling van eerbied, bewondering en sympathie geweest. Ook nu weer zette dit gevoel zich om in de behoefte zijn jongere vriend te beschermen, ook

[p. 413]

nu weer wilde hij hem niet laten gaan. Hij had bange voorgevoelens. ‘Er zal wat met jou gebeuren en ik zal daar niet bij zijn,’ zei hij tegen Du Perron toen hij hem in Bandung opzocht. Du Perron probeerde hem ertoe te bewegen ook wat anders te schrijven dan journalistiek, maar er was in Indië geen mogelijkheid tot publicatie van litterair werk. Wel stelde Du Perron Kritiek en Opbouw voor hem open, waarin hij zich in ieder geval vrijer kon uiten dan in de krant. Hij bracht hem ook met D.M.G. Koch in kennis en droeg hem bij zijn vertrek aan zijn vrienden over. Door Du Perron kreeg Walraven de contacten die hij in Indië altijd gemist had, de contacten met de ‘ware mensen’, zoals hij ze noemde. In deze tijd vond Walraven pas volledig erkenning als schrijver. In 1941, na de oprichting van het cultureel maandblad De Fakkel, begon hij (voor het eerst!) verhalen te schrijven. Het zijn er vier geworden, waarvan er twee nog vóór het uitbreken van de Pacific-oorlog (in december 1941) konden worden geplaatst: ‘Op de grens’ en ‘De clan’. Beide verhalen gaan over Itih. Ze zouden in elke bloemlezing van Nederlandse korte verhalen een hoogtepunt vormen. Toch was het toen eigenlijk al te laat; zijn zenuwen waren - hij schreef het in een brief van 15 maart 1941 aan een van de redactieleden van De Fakkel - al te zeer ‘verscheurd’. De oorlog en de Japanse bezetting ontnamen hem zelfs de laatste mogelijkheid tot schrijven. De enkele vrienden die hij bezat werden onbereikbaar; ze werden gemobiliseerd en geraakten in Japanse krijgsgevangenschap. Als burger bleef hij nog enige weken vrij; toen werden ook hij en zijn zoons gevangen genomen en naar een kamp in Oost-Java gevoerd. In dit kamp is Walraven op 13 februari 1943 gestorven in een staat van volslagen apathie. Men vergeet niet licht wat zijn zoon heeft geschreven over de laatste weken met zijn vader: de ziekte, de komst van Itih en het einde.