Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 424]

2. Oriëntatieaant.

Met de terugkeer van het Nederlandse gezag na de oorlog trad ook het ambtelijk apparaat weer in werking en daarbij hoorde een Regerings-voorlichtingsdienst (r.v.d.) van veel groter omvang dan tevoren. Deze dienst gaf geruime tijd een weekblad uit dat Uitzicht heette (de Indonesiërs stelden er onmiddellijk een ander blad tegenover dat ze Inzicht noemden). Toen echter in begin juni 1947 onder redactie van prof. R.F. Beerling met medewerking van Indonesiërs een ander (onafhankelijk) Nederlands weekblad begon te verschijnen Opbouw / Pembinaan, staakte de r.v.d. haastig de uitgave van Uitzicht, op zichzelf een merkwaardige beslissing, waaraan het chronisch tekort aan kopij niet vreemd zal zijn geweest. In de tweede helft van juni besloot de regering tot de eerste politionele actie en daarmee was naar het consequente oordeel van de redacteur de grondslag voor het blad weggevallen dat op een samenwerking tussen Nederlanders en Indonesiërs gericht was. In de kring van de r.v.d. en het Departement van Sociale Zaken (waaronder de dienst voor ‘Welzijnsvoorziening’ ressorteerde) besloot men toen een cultureel maandblad op te richten (over politiek viel toen moeilijk meer te praten) dat eens in de veertien dagen zou verschijnen in een omvang van twee vel of tweeëndertig bladzijden per aflevering. Men zou zich beperken tot in hoofdzaak kortere artikelen over Westeuropese en Indonesische cultuur (volgens de inleiding die geen inleiding wilde zijn) maar zou daarnaast ook ‘niet schromen’ uit Nederlandse en buitenlandse tijdschriften over te nemen. Het zou zeer zinvol Oriëntatie gaan heten en verder van illustraties en tekeningen worden voorzien. Daarvoor kon de redactie rekenen op in Indonesië aanwezige schilders en tekenaars. In de eerste redactie zaten uiteraard vertegenwoordigers van de r.v.d. en het Departement van Sociale Zaken en een aantal Nederlanders die onvermijdelijk ook ambtenaren waren, zij het van andere departementen en diensten, al werd hun keuze niet door hun ambtelijke status bepaald.

De opzet bleek echter te haastig en te weinig doordacht en als het erop aankwam te dilettantisch. Het eerste nummer verscheen op 8 november 1947, maar hetgeen van het begin af reeds te voorzien was, geschiedde: spoedig kwam Oriëntatie voor een zelfde kopijnood te staan als Uitzicht voordien. Na een kleine interne revolutie - waarmee

[p. 425]

een deel van de redactie zich niet kon verenigen - werd Oriëntatie na drie nummers, met ingang van 1948, omgezet in een maandblad van dubbele omvang. De gedachte aan een cultureel voorlichtingsblad werd geheel losgelaten. De leiding werd toevertrouwd aan R. Nieuwenhuys die als redacteur-secretaris ging optreden. Hem stond een geheel andere opzet voor de geest en daarbij greep hij niet zozeer terug naar De Fakkel (waar hij een van de redacteuren van was geweest) maar veel meer naar de denkbeelden die Du Perron voor ogen hadden gestaan bij het nooit verschenen tijdschrift Nusantara (zie blz. 396): geen staatkundig tijdschrift, geen wetenschappelijk tijdschrift, maar een litterair-cultureel maandblad (zoals ook De Fakkel) en vooral (zoals Nusantara): een op Indonesië gericht tijdschrift. Er was een ding waar na de politionele actie niet meer aan te denken viel: een gemengd Nederlands-Indonesische redactie. Persoonlijk onderhielden verschillende redactieleden en medewerkers echter wel nauwe contacten met Indonesische schrijvers, schilders, in het algemeen met de Indonesische intelligentsia waarvan verreweg de meesten de zijde van de republiek hadden gekozen, maar voor directe medewerking viel op hen niet te rekenen. Het tijdschrift kon geen gemeenschappelijk project worden zoals voor de oorlog nog wel tot de mogelijkheden van Nusantara had behoord. Dit heeft het redactioneel beleid, vooral in het begin, onzeker gemaakt. Wel ging de nieuwe redactie van een vast plan en een indeling uit: in elk nummer een verhaal, gedichten, algemeen-culturele artikelen, en rubrieken waarin films, boeken en tijdschriften werden besproken en waarin ook recensies van tentoonstellingen of concerten werden opgenomen. Ze werden later in een grotere rubriek Kroniek overgebracht, die nogal heterogeen werd, maar die aan het tijdschrift toch een zekere actualiteit en levendigheid heeft gegeven en waar de redactie dan ook bijzonder veel belang aan hechtte.

Het was vooral in het begin moeilijk voor de redactie haar opzet en denkbeelden te verwezenlijken. In de eerste plaats zat ze met een erfenis, of liever zonder enige erfenis. Ze moest op korte termijn een andere soort kopij trachten te krijgen en nieuwe medewerkers zien te mobiliseren. Dit heeft niet alleen veel energie, maar ook tijd gekost. De eerste jaargang vertoonde te weinig lijn omdat veel moest worden geïmproviseerd - hoeveel aantrekkelijke kanten deze improvisatie overigens ook had. Eerst na enige maanden gelukte het de redactie

[p. 426]

iets van een beleid te realiseren, nadat de relaties gevestigd waren en de kopij van verschillende kanten binnenkwam. Toch heeft de redactie met het formuleren van een standpunt en een programma gewacht tot het intreden van de nieuwe staatkundige verhoudingen geen uitstel meer gedoogde. Beter dan alle woorden achteraf geeft de oorspronkelijke tekst in het januari-nummer van de jaargang 1950 het redactionele standpunt van Oriëntatie weer. Hieronder volgen enige passages:

‘Oriëntatie bestaat ruim twee jaar zonder dat ooit een redactionele verantwoording heeft plaats gehad, zonder dat ooit de richting is aangegeven of een standpunt is geformuleerd. Elke keer weer scheen het voorbarig het redactioneel beleid vast te leggen in een soort programma. Het leek immers nooit te voorzien of de redactie in staat zou zijn dit te verwerkelijken. De ervaring had ons geleerd dat de mogelijkheden verre achterbleven bij de plannen en dat het daarom geen zin had te veel te praten of te formuleren. [...] Toen wij begonnen konden wij ons nog maar een vage voorstelling maken van wat Oriëntatie worden moest, maar één ding stond ons toen al scherp voor ogen: het had zich te onderscheiden van alle soortgelijke bladen in Nederland op straffe van overbodigheid. Dit bracht ons ertoe ons doelbewust op Indonesië te richten met uitsluiting van al wat niet direct of indirect het culturele leven hier te lande raakte, al was het in het begin niet goed mogelijk van onze “Indocentrische instelling” duidelijk te doen blijken.’ Later slaagde de redactie daar beter in en als we ons afvragen wat na vier jaargangen Oriëntatie het meest kenmerkende voor dit tijdschrift was, dan moet het antwoord wijzen naar juist deze ‘Indocentrische opstelling’, en daarmee verband houdend, een verwijzing naar niet-Europese culturen zoals de Aziatische, de Latijns-Amerikaanse, de Negercultuur naast de Spaanse, de Spaans-Antilliaanse enzovoorts. Hoewel hij nooit in de redactie heeft gezeten is het Dolf Verspoor geweest die door zijn vindingrijkheid en fantasie bij het opsporen van kopij dit internationale stempel op Oriëntatie heeft weten te drukken.

Dan komt onvermijdelijk de vraag: tot wie heeft Oriëntatie zich gericht? Tot welke groep? Tot de Nederlandse groep of tot de Indonesiërs? Eigenlijk tot beide, maar in de eerste plaats heeft de redactie toch de Nederlandse groep voor ogen gehad die ze ervan wilde doordringen dat ze in Indonesië leefde, in een ander werelddeel en niet in tropisch Nederland. Ze deed dit door de Hollander in contact te brengen met

[p. 427]

niet-westerse, in het bijzonder met Indonesische cultuuruitingen. Hierdoor heeft Oriëntatie zich onderscheiden van alle andere in het Nederlands verschijnende tijdschriften.

Op welke wijze heeft ze getracht haar denkbeelden te realiseren? Door oorspronkelijk werk op te nemen van Nederlandse schrijvers die we nu tot de ‘Indische bellettrie’ rekenen, zoals Maria Dermoût, Beb Vuyk, Tjalie Robinson/Vincent Mahieu, G.J. Resink, Friedericy, Breton de Nijs en Walraven, die uiteraard allen in deze Oost-Indische spiegel ter sprake zullen komen. Maar ook door het werk van Indonesische schrijvers en dichters in vertaling te publiceren, zoals enkele toen nog niet gebundelde gedichten van Chairil Anwar (1922-1949), de belangrijkste Indonesische dichter van toen en nu. In de loop van dezelfde en de volgende jaargangen nam de redactie ook verhalen op van Idrus (driemaal, waaronder het lange verhaal over de strijd om Surabaja), van Mohamad Balfas (het voortreffelijke ‘Kampong Tjawang’), van Pramudya Ananta Tur (twee verhalen waaronder het bekend geworden ‘Blora’) en verder nog proza en poëzie van Indonesische schrijvers als Asrul Sani, Mochtar Lubis, Achdiat, Aoh K. Hadimadja, Usmar Ismaël, Tatengkeng en anderen, bijna allen voortkomende uit de na-oorlogse generatie, de zogenaamde ‘Angkatan '45’ (de Generatie van '45). Daarnaast heeft Oriëntatie ook veel vertalingen van Indonesische volkspoëzie opgenomen, zoals Toradja-poëzie (in de dichterlijke vertalingen van dr. N. Adriani), poëzie uit de Bataklanden, uit Sumbawa (prachtige liefdespoëzie), dodenzangen uit Timor, zangen en litanieën uit Nias en de Dajaklanden en uit nog andere daerahs.

Maar de redactie beperkte zich niet tot Indonesië. Ze nam ook vertalingen op van Latijns-Amerikaanse poëzie (onder meer van de gedichten van Gabriela Mistral, met een artikel over haar), uit de Spaanse litteratuur (vertalingen van Garcia Lorca en anderen), uit de Spaanse en Braziliaanse Negerpoëzie, uit de Chinese litteratuur en vertalingen uit het werk van Libanese dichters als Gebran Khalil Gebran en Michel Chica (ontleend aan de Cahiers de l'Est). Een verdere opsomming heeft weinig zin; daarvoor kan het Register dienen in aflevering nummer 45. Enige malen gaf Oriëntatie ook een bijzonder nummer uit: een dubbel Walraven-nummer, een China-nummer en een Spanje-nummer (geheel verzorgd door dr. G.J. Geers).

[p. 428]

De eerste jaargangen zijn ook overvloedig geïllustreerd met tekeningen van schilders en tekenaars die in Indonesië werkzaam waren (Henk de Vos, Theophile, Arie Smit, Wim Schippers) en van Indonesische tekenaars en schilders als Affandi, Sudjojono, Hendra, Zaini, Usman Effendi en anderen, met vaak reprodukties van hun schilderijen.

Het terrein van de politiek heeft Oriëntatie nooit rechtstreeks betreden, maar de in de loop van de jaren telkens van samenstelling wisselende redactie (de enige die het tijdschrift van het begin tot het einde gevolgd heeft, is de redacteur-secretaris geweest), had wel een politieke instelling die achter de culturele activiteit nauwelijks verborgen kon blijven, noch voor medestanders noch voor tegenstanders. De keuze van de redactie voor het Indocentrische standpunt was op zichzelf reeds een herkenningsteken. In het algemeen kan men zeggen dat de redactie, politiek gesproken, niet het officiële Nederlandse standpunt vertegenwoordigde. Daarom heeft ze ook steeds de nadruk gelegd op haar onafhankelijke positie en voortdurend getracht de officiële banden zo los mogelijk te maken door bijvoorbeeld met ingang van 1949 het tijdschrift bij een particuliere uitgever onder te brengen, de firma A.C. Nix te Bandung. Het moet overigens gezegd worden dat noch de r.v.d. noch enige andere officiële instantie zich ooit met het redactioneel beleid bemoeid heeft. Door de Indonesische wereld is deze politieke instelling van de redactie nooit misverstaan, maar Oriëntatie bleef voor haar een Nederlands tijdschrift, waar zij wel aan kon meewerken, maar waar zij toch niet bij hoorde. De redactie die zich er opzettelijk van onthield zich rechtstreeks tot de Indonesiërs te wenden - omdat ze elke schijn van bemoeienis wilde vermijden - blijkt, vooral achteraf bezien, toch voortdurend rekening gehouden te hebben met een ‘gemeenschappelijk aanrakingsvlak’, een standpunt dat toen nog niet de indruk maakte van irreëel te zijn. Eerst later bleek dat Oriëntatie op een illusie gebouwd was, want hoe men het ook beziet, de redactie ging uit van een samenwerkingsvorm die door de staatkundige ontwikkeling achterhaald werd. Haar verschijning is gebleken uitsluitend een aangelegenheid te zijn geweest van ‘goedwillende Nederlanders’. Dit zegt overigens weinig van het tijdschrift zelf dat gegeven de geringe hulpmiddelen een uniek tijdschrift is geweest, vaak rommelig, maar ook gevarieerd en levendig.