Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 429]

XVIII Niet meer aan denkenaant.

1. ‘Asia Raya’

‘Niet meer aan denken,’ is de titel van een verhaal over krijgsgevangenen, ergens in de jungle van Thailand, geschreven door L.A. Koelewijn, een heel precies in karakteristieke details vertelde geschiedenis. Nog eenmaal alles opschrijven en beleven om de nachtmerrie kwijt te raken en dan nooit meer eraan denken!

Aan deze nachtmerrie waren gebeurtenissen vooraf gegaan: de aanval op Pearl Harbour op 7 december 1941, de oorlogsverklaring en al wat daarna kwam; de oorlog zelf. Op 11 december werd de mobilisatie afgekondigd. Een deel van de Nederlandse burgersamenleving werd militair, een ander deel kwam in noodformaties of moest, zoals men het noemde, ‘op haar post blijven’. De stemming was die van gespannen afwachten. De berichten door de radio en in de dagbladen, de sirenes die over de steden loeiden; ze brachten de oorlog elke dag naderbij. Voor andere activiteiten dan die welke tot handelen moesten leiden was geen plaats meer. Men had behoefte spanningen af te reageren in daden en alles wat zich daartoe leende werd daarin omgezet. Intussen, hoe voorzichtig ook omkleed, kwamen de onheilsberichten binnen. Ze gaven aan de vredige, stille ochtenden iets onwezenlijks. Met de landing van de Japanse troepen, met de grote en kleine schermutselingen en het zich steeds verder terugtrekken van het Nederlands-Indische leger, kwam de werkelijkheid en daarmee de ontgoocheling. In maart capituleerden de strijdkrachten. Het gezagsvacuüm leidde op verschillende plaatsen tot onveiligheid, tot plunderingen en tot levensgevaar voor vele Europese inwoners. Het waren de Japanners die orde op zaken moesten stellen. Volgens een tevoren vastgesteld plan werden alle geallieerde militairen geïnterneerd en in een later

[p. 430]

stadium ook een groot deel van de Europese burgerbevolking. Over geheel Nederlands-Indië richtten de Japanners kampen in; militaire kampen, burgerkampen en afzonderlijke kampen voor vrouwen en kinderen en daarmee werd de Nederlandse bevolking praktisch geëlimineerd en tot een kunstmatig leven achter bamboe en prikkeldraad gedwongen. Het leven waarin zij zo'n belangrijke positie had ingenomen, voltrok zich nu geheel buiten haar om.

Binnen de kampen, in totaal andere verhoudingen, hadden zij wederom af te wachten; ditmaal het einde van de oorlog dat eerst drieëneenhalf jaar later zou komen en dat een kwart van de gevangenen nooit meer beleefd heeft. Wie in de kampen een stemming van apathie en doffe moedeloosheid verwacht heeft, vergist zich. De wil om te leven, het geloof aan de geallieerde overwinning en misschien ook, ondanks alle vernederingen, een latent zelfbewustzijn en zelfs superioriteitsgevoel, hield de meesten - vooral in het begin - overeind. Eerst later, toen de transporten begonnen, naar Thailand, Burma, Sumatra, Flores en de Molukken, voor de aanleg van de ‘dodenspoorweg’ en vliegvelden, toen de zware druk en de ontberingen te groot werden, trad het lichamelijk en moreel verval in. Voor duizenden ging het toen alleen nog om het lijfsbehoud. Hoe slecht de situatie langzamerhand ook in bijna alle andere kampen was geworden, daar bleef nog altijd een geringe ruimte voor recreatie. In het grote Tjimahi-kamp (op Java), was ze in de jaren 1942-1943 zelfs volop aanwezig. Er was cabaret en toneel (het bekende ‘Theatre Eternite’); er waren cursussen en lezingen (in de ‘Studio’) die voor velen een nieuwe belevenis waren. Daarbij kwam dat in de verschillende kampen, met een steeds wisselende bezetting, mensen bijeen werden gebracht die elkaar voor de oorlog nooit hadden kunnen ontmoeten. De concentraties van Nederlanders, brachten behalve een gevoel van saamhorigheid (dat overigens menigmaal op de proef werd gesteld), de mogelijkheid tot een intellectueel en cultureel contact dat stimulerend werkte. Het kampleven betekende lang niet altijd verarming; ook ontwikkeling, die tot een innerlijke reorganisatie kon leiden. In alle kampen is niet alleen veel gepraat en gelezen, maar ook veel geschreven. Papier en schrijfgerei waren kostbaarheden. De periodieke verstrekking van Japans wc-papier redde vaak de noodsituatie. Wat sommigen nooit hadden kunnen dromen gebeurde: ze gingen de behoefte voelen uiting te geven aan hun stemmingen, gevoe-

[p. 431]

lens en gedachten en deden dit dan liefst op rijm in goed bedoelde verzen. Een klein deel daarvan was poëzie. Leo Vroman die toen nog vrijwel niets gepubliceerd had, schreef in verschillende kampen zijn eerste bundel Gedichten (1946) bijeen en een aantal verhalen. Uit de datering blijkt dat ook Albert Besnard verschillende van zijn verzen uit Doem en dorst (1952) in een interneringskamp in Oost-Sumatra geschreven heeft. Ook Willem Brandt schreef gedichten Binnen Japans prikkeldraad. Ze kwamen in 1946 uit. Vermoedelijk schreef hij in het kamp nog andere gedichten waarvan er enkele in latere bundels zijn terechtgekomen. Tijdens zijn internering schreef de bestuursambtenaar H.J. Friedericy zijn eerste verhalen en de roman Bontorio die in 1947 verscheen; Breton de Nijs werkte aan zijn familiekroniek Vergeelde portretten, al voltooide hij zijn werk pas jaren later, in 1954; anderen bereidden lezingen voor of schreven artikelen of maakten aantekeningen met de bedoeling deze later uit te werken. Er waren er ook die tekenden en schilderden (op de muren of op karton van Rode Kruisdozen), die decors ontwierpen en costuums en legio waren degenen die voor na de bevrijding gedetailleerde plannen voor bestuurlijke en politieke activiteiten ontwikkelden.

Toch waren er toen maar weinigen die de oorlog zelf herdachten. Voor de meesten was ze in enkele dagen zonder al teveel krijgshandelingen of ontberingen verlopen. Niet voor allen. Jan Eggink schreef in 1942 in het kamp een herinnering van zich af aan een afschuwelijke tocht van een verdwaalde en zoekgeraakte groep. Hij deed het zonder ophef en zonder al teveel onnodige details. Misschien kan men daarom dit korte verslag, in 1948 uitgegeven onder de titel De zwerftocht, zo geboeid lezen.

Velen hielden dagboeken bij of schreven allerlei gebeurtenissen en ervaringen op. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bezit verschillende van zulke documenten, maar het meeste is nauwelijks leesbaar, arm aan taalmiddelen, droog, met al te vaak een (vervelende) ondertoon van zelfbeklag en zelfverheffing. Slechts een enkele slaagde er toen al in afstand te nemen van de gebeurtenissen waar hij middenin zat. Zo iemand was C. Binnerts die in 1943 in het krijgsgevangenkamp op het eiland Flores een dagboek bijhield, met veel ironie en met een waakzaam gevoel voor het dwaze en macabere tegelijk. Hij bleek een efficiënte manier van mentale bewapening te hebben gevonden. Het

[p. 432]

werd in 1947 uitgegeven onder de titel Alles is in orde, Heeren ... die op zichzelf reeds een ‘understatement’ inhoudt. Helaas is dit boekje onder de later groeiende stapel van slechte kamplectuur een beetje zoekgeraakt; weinigen blijken het te kennen. Ook na jaren blijft ons het verhaal bij van een nachtelijke crematie bij toortslicht en hoogoplaaiende vlammen van zes gestorven gevangenen en de terugkeer in het kamp van acht spiernaakte kerels die hun taak hebben volbracht. Als een dagboek ooit herdrukt moet worden, dan dit. Het is een van de beste en men leert er indirect de kampsituatie beter uit kennen dan uit de meeste andere, later geschreven kampverhalen die met veel ophef en meer woorden verteld zijn, zoals Vrouwen achter prikkeldraad (zonder jaartal, maar gedateerd ‘Batavia 1 juni - 1 september 1947’) van Jo Manders (geb. 1900). Toegegeven dat Jo Manders veel persoonlijk leed heeft ondervonden, veel dat ook afschuwelijk is geweest. Maar ze is er niet in geslaagd van haar ervaringen een redelijk boek te maken, integendeel, ze is in alle voetangels en klemmen gestapt die aan het schrijven van deze soort kamplitteratuur verbonden is. Ze heeft zich als schrijfster in geen enkel opzicht in de hand kunnen houden; er is geen enkele poging tot begrip, geen enkele reserve. Ze gaat maar opgewonden door in een afwisselend kijverige en huilerige toon, met gebalde vuisten of met een door ontroering verstikte stem. In dubbele zin een treurig boek.

Willem Brandt (geb. 1905) schreef in dezelfde tijd als Jo Manders een boek over het mannenkamp Si Ringo Ringo in Oost-Sumatra, met de welsprekende titel De gele terreur, ‘opgedragen aan mijn dode kameraden’ en voorafgegaan door een gedicht ‘Kerkhof Si Ringo Ringo’. Het verscheen in 1946. Zijn boek is wel aanmerkelijk beter geschreven dan dat van Jo Manders, maar het lijdt aan een neiging tot theatraliteit en melodramatiek die vooral optreden als de emoties hem te machtig worden.

Brandt heeft ook een aantal kampverhalen geschreven die in de loop van de laatste tien tot twintig jaar geschreven werden. Een aantal daarvan is eind 1977 nog bij elkaar gebracht rond het thema van het kerstgebeuren onder het toepasselijke aan Dickens ontleende motto ‘God bless you all’. Ze lijden alle aan hetzelfde euvel: er zit een galm in. Het kwaad zetelt vooral in de staart, dat wil zeggen tegen de ontknoping aan of aan het slot. Het titelverhaal ‘De kaars’ (dat in 1964 voor het

[p. 433]

eerst verscheen), waarmee de bundel van acht verhalen benevens een ‘kerstsuite van engelen en herders’ opent, is representatief voor Brandts werkwijze. Het blijkt nogal bekend te zijn geworden en is voor de Avro-radio eens door Paul Steenbergen voorgedragen.

We worden verplaatst naar een barak met krijgsgevangenen, waarschijnlijk ook Si Ringo Ringo. De honger is afschuwelijk en houdt de geesten dag en nacht bezig. Eén van de gevangenen is de enige die nog wat eetbaars heeft: een kaars, maar in plaats van die op te eten bewaart hij die voor kerstdag. Dan steekt hij hem aan en alle uitgemergelde mannen drommen eromheen, ook de dominee en de pastoor, en dan schrijft Brandt dat bij die gelegenheid de kaarsvlam tot de hemel reikte en dat men in die vlam Dingen zag ‘die niet van deze wereld zijn’. Een deel van de mannen die om de kaars had gezeten overleefde het kamp, een ander deel niet. ‘Maar toen zij stierven,’ schrijft Brandt, ‘waren hun ogen minder dof dan vroeger’, en hij eindigt met: ‘Dat was het licht van die vreemde kaars. Het Licht dat de duisternis niet had vermocht.’

Brandt schreef ook nog een kampverhaal dat niet in deze bundel is opgenomen omdat het niets met Kerstmis te maken heeft, maar dat ook nogal bekend is geworden en dat ook door Paul Steenbergen is voorgedragen, op 5 mei 1960, een overigens voor dit verhaal nogal merkwaardige herdenkingsdatum als we weten dat de capitulatie van Japan pas in augustus 1945 kwam. Het draagt als titel Het geheim (1960) en sluit aan bij het negende hoofdstuk van De gele terreur dat de bevrijdingsdag beschrijft. Het heeft dezelfde authentieke gebeurtenis tot grondslag: die van een gevangene die de Nederlandse vlag drieëneenhalf jaar in zijn kussentje heeft weten te verbergen en die haar op de dag van de bevrijding op het dak van een van de barakken plant. Inderdaad, na zoveel jaren honger, ellende en vernedering een indrukwekkende en onvergetelijke gebeurtenis, en toch heeft Brandt er weer te veel ‘litteratuur’ van gemaakt.

Toevallig komen dezelfde gebeurtenissen in een ander kampboek voor, in Leven op rantsoen (1959) van H.L. Leffelaar, die als jongen van vijftien of zestien jaar in hetzelfde kamp heeft gezeten als Brandt. Hij heeft dus dezelfde bevrijding meegemaakt en daarbij soortgelijke gevoelens ondergaan. Ook hij vertelt van het geweldige ogenblik als in het kamp voor het eerst het Wilhelmus wordt gezongen dat van

[p. 434]

barak tot barak wordt overgenomen; ook hij vertelt van de gebeurtenis met de vlag en hoe aangrijpend die was, maar hij maakt er geen gelegenheidsverhaaltje van. Zijn woordkeus is een geheel andere dan die van Brandt als hij zegt dat hij niet meer zingen kan ‘omdat mijn strot dicht was en de tranen over mijn gezicht liepen.’ Het gebruik van het woordje ‘strot’ is kenmerkend voor zijn verhouding tot zijn gevoelens en de litteratuur. Leffelaar is zich bewust van het gevaar van de patetiek die ook hem - hij zegt het zelf - de baas kan worden en die zijn verhaal kan aantasten. Hij is gewaarschuwd en blijft waakzaam. Daarom misschien wel heeft Leffelaar zich vrij weten te houden van ‘litteratuur’ à la Brandt.

H.L. Leffelaar (geb. 1929), wiens vader directeur was van een drukkerij te Medan, was dertien toen hij met zijn moeder in een vrouwenkamp geïnterneerd werd. Eerst later brachten de Japanners hem over naar een mannenkamp; het laatste was Si Ringo Ringo. In de kampen hield hij een dagboek bij. Leven op rantsoen is overigens niet het dagboek van een vijftienjarige jongen, maar het verhaal van een volwassen schrijver die zijn kampherinneringen van zoveel jaar geleden opschrijft. De fragmenten uit het dagboek dienen alleen als een soort controlemeter, als een uitgangspunt voor het later geschreven verhaal. In zijn inleiding zegt Leffelaar dat hij het spoor terugzoekend naar zijn kampjaren, tot aan de rand van zijn herinnering is gegaan en toen omgekeken heeft. De chronologie bleek geen betekenis meer voor hem te hebben; de gebeurtenissen zelf hadden plaats gemaakt voor een houding tegenover de gebeurtenissen. De ‘compositie’ van Leffelaars boek (een omwerking van een manuscript dat in 1945 voor een prijsvraag onderscheiden werd) geeft aan zijn verhaal iets afwisselends. Herinneringen, anekdoten, commentaren, beschouwingen volgen elkaar op of lopen in elkaar over. Leffelaar blijkt vooral een verteller van anekdoten van de goede soort die verhelderend werken. Zijn ‘algemene beschouwingen’ vormen niet zijn sterkste punt. De oorlogsgebeurtenissen na het kampleven hebben hem nooit losgelaten; ze hebben hem voorgoed getekend en zijn hem blijven vervolgen. In de eerste plaats schreef hij onder de titel Through a harsh dawn (1963), in het Engels, een vollediger terugblik op het oorlogsverleden, waarbij hij ook het dagboek van zijn vader gebruikte die aan de beruchte Burma-spoorweg te werk was gesteld. Through a harsh dawn mondt uit in het hoofdstuk ‘In

[p. 435]

search of myself’ waarin Leffelaar duidelijk maakt wat hem tot schrijven heeft gedreven: de wil zich vrij te maken van de oorlogservaringen, niet door ze te vergeten of te verbergen, maar door ze juist terug te halen. Met één uiteindelijk doel voor ogen: de voltooiing van een identiteitsproces.

In Tirade van april 1975 en december 1977 hebben fragmenten gestaan die Leffelaar ‘Bij stukjes en beetjes’ noemde, en die naar wij vermoeden en hopen, tot een groter geheel zullen leiden. Ze zijn voor wie goed wil en kan lezen en zich in bepaalde situaties kan inleven, soms aangrijpend. Ook om de toon die tussen afstand bewaren en overgave ligt, precies daartussen. Zelfs nu nog, tot op de dag van heden, voeren draden hem telkens terug naar die vroegere ervaringen. Het heden is er nu eenmaal door bepaald, de verhouding tot de gebeurtenissen in de wereld en alle daarbij behorende gevoelens van onzekerheid, verlatenheid, radeloosheid, verlies, geweld, afscheid, protest, alles. Het grote winstpunt is een verscherpt vermogen zich de gevoelens van anderen, van al die honderdduizenden in te denken die nog dagelijks in voor Leffelaar herkenbare situaties verkeren. Vandaar zijn verhouding tot wat in Vietnam gebeurd is en zijn heftig en onredelijk verzet tegen de Amerikaanse ambassadeur in Boekarest met diens ‘oorlog-is-oorlog’-argument.

De herinneringen zijn jarenlang teruggedrongen, maar ze worden niet vergeten. Een kleine aanleiding kan ineens alles doen uitbreken. Zo verging het ook C. van Heekeren (geb. 1912). Een gesprek met een oud-kampgenoot bracht zo veel herinneringen naar boven en met zo'n geweld dat hij, zoals hij het bescheiden uitdrukt, ‘op het idee kwam’ erover te schrijven. Maar Van Heekeren ondervond spoedig de gevaren van het optekenen van persoonlijke herinneringen, vooral na zoveel jaren. Hij gooide het roer om, veranderde van methode en maakte er een ‘relaas’ van, een soort documentaire waarbij hij ook anderen betrok. Hij noemde zijn boek Het pannetje van Oliemans, dat in 1966 in druk verscheen, maar dat al eerder in eigen beheer was uitgegeven als De ‘Atjeh-party’.

Op 8 maart 1944 vertrok uit het kamp Glugur bij Medan een werktransport van driehonderd Nederlanders en tweehonderd Engelsen naar het binnenland van Zuid-Atjeh. Dit is de zogenaamde ‘Atjeh-party’ die afschuwelijke ervaringen opdeed. Na acht maanden werd ze

[p. 436]

ontbonden en over verschillende basiskampen in Pakan Baru verdeeld. Van Heekeren was een van deze vijfhonderd. Twintig jaar na de gebeurtenissen bleek dat het proces van verdringing het geheugen tot een onbetrouwbaar apparaat had gemaakt (‘Toen het erop aankwam e.e.a. op papier te zetten, bleek hoe verraderlijk het menselijk geheugen werkt’). Er bleef hem weinig anders over dan de hulp van anderen in te roepen. Hij had geluk. Een kampgenoot verschafte hem een aluminium etenspannetje zoals het Indische leger het kende, dat aan een zekere Oliemans had toebehoord. Deze had toen hij ziek lag, alle namen van de Nederlandse deelnemers op dit pannetje gegraveerd. Aan de hand van deze curieuze namenlijst begon Van Heekeren zijn lange speurtocht naar de leden van de Atjeh-party. Hij wist ruim tweehonderd adressen te verzamelen en zo ontstond een uitgebreide correspondentie van bijna negenhonderd brieven. Wat uit de nood geboren werd, begon zich te ontwikkelen tot een methode die voortreffelijk bleek te werken. Het boek van Van Heekeren bestaat voor een groot deel uit citaten uit deze correspondentie en toch: Het pannetje van Oliemans is indirect een persoonlijk boek geworden; we leren hem er goed uit kennen. Gelukkig niet als een ‘litterator’, maar als een schrijver zonder andere pretentie dan die van de superieure verslaggever. En het merkwaardige doet zich voor dat zijn boek overtuigender, beter en boeiender is geworden dan menig litterair produkt had kunnen zijn. Van Heekeren kan op een aardige manier glimlachen en een anekdote vertellen; hij kan als het nodig is afstand nemen. Daardoor kan hij ook zijn vijanden als mensen zien, zoals de Japanse commandant Miura wiens handelingen hij tracht te verklaren uit de situatie waarin deze verkeerde - zonder hem overigens te disculperen. Van Heekeren is een man zonder bitterheid, met een afkeer van opwinding en litteraire verfraaiing en dat siert hem.

Na Het pannetje van Oliemans schreef hij nog een aantal boeken dat volgens dezelfde methode werd samengesteld, met veel citaten uit brieven en gesprekken. Vooral zijn tweede boek Batavia seint: Berlijn (1967), het codewoord dat het sein werd voor de internering van alle Duitsers in Indië, is een uitstekend boek, beter nog dan Het pannetje van Oliemans. Het is overigens logisch hieruit voortgekomen. Nadat Van Heekeren zijn eerste boek geschreven had, vroeg hij zich als eerlijk man af: ‘hoe hebben wij Nederlanders ónze gevangenen behandeld?’

[p. 437]

Dat waren in dit geval de Duitsers die vlak na de bezetting van Nederland in Nederlands-Indië geïnterneerd werden. Van Heekeren begon zoals de eerste keer met een uitvoerig onderzoek; hij werkte litteratuur door, correspondeerde met getuigen en had gesprekken met hen. Ze worden achterin bij de ‘Bronnen’ genoemd. Het resultaat was niet alleen teleurstellend, maar soms zelfs ‘verbijsterend’, naar de woorden van de schrijver zelf. Bij het doorwerken van zijn materiaal betrapte hij zich menigmaal op de gedachte: ‘dat heb ik nooit geweten’, zich op dat ogenblik realiserend dat hij niets anders deed dan het Nederlandse equivalent uitspreken van het Duitse: ‘Wir haben es nicht gewusst.’ Het is typerend voor de persoon van Van Heekeren dat hij het harde en soms brute optreden tegen de Duitse geïnterneerden weliswaar psychologisch uit de situatie tracht te verklaren en in verband brengt met het gedrag van de Duitsers in Europa, speciaal tegenover de joden, maar dat hij het Nederlandse optreden allerminst tracht goed te praten, integendeel. Hij komt met feiten en getuigenissen aandragen die er niet om liegen en die óns recht van spreken tegenover Duitsers en Japanners in ieder geval sterk verkleint. Dit boek van Van Heekeren zal de ergernis wekken van al degenen die wensen te blijven leven met de geruststellende mythe van onze specifiek Nederlandse humaniteit. Wat ons in het boek van Van Heekeren opvalt, is overigens niet zozeer het gebrek aan humaniteit, dan wel de verblinding en de domheid van de ‘bevoegde autoriteiten’. Soms geeft ze aanleiding tot groteske situaties die lachwekkend zijn, al blijft de achtergrond hetzelfde gevoel van ‘verbijstering’ dat ook Van Heekeren overvallen heeft - en we kunnen in zíjn geval wel zeggen: in naam der humaniteit.

Dat we zijn documentaire lezen als een boeiende roman, dankt Van Heekeren - behalve aan zijn gevoel voor het levende en kenmerkende detail (hij weet uitstekend zijn citaten te kiezen) en aan een weloverwogen evenwicht in de compositie - aan de getuigenissen van enkele geïnterneerden die soms uitstekend, ja, soms zelfs voortreffelijk Nederlands blijken te schrijven. Het verhaal van de stranding van Duitse drenkelingen op het eiland Nias, ten westen van Sumatra (na het torpederen van een van de drie schepen die de geïnterneerden naar Voor-Indië moesten afvoeren), is een voortreffelijk geschreven tragi-komedie geworden, leesbaarder dan menige avonturenroman: ‘la réalité qui dépasse la fiction!’

[p. 438]

In de Boekvinkreeks van de Arbeiderspers (thans overgenomen door Querido) verscheen in 1958 en 1959 nog een tweetal bundels van L.A. Koelewijn (geb. 1915), respectievelijk De ene dag en de andere en Niet meer aan denken. In elke bundel staat één verhaal dat zich tijdens de Japanse krijgsgevangenschap afspeelt. Geen van beide zijn een documentaire zoals de boeken van Van Heekeren; ze bevatten niet het directe verslag van kampgebeurtenissen zoals de dagboekfragmenten van Binnerts; ze zijn evenmin later geschreven kampherinneringen als die van Leffelaar. De overeenkomst bestaat alleen in eenzelfde behoefte (en misschien nog een sterkere) zich van een kampervaring los te schrijven. De titel van het tweede en grootste verhaal ‘Niet meer aan denken’ is veelzeggend genoeg. Voor het overige zijn beide verhalen anders dan alle andere kamplitteratuur, doordat de schrijver op een andere wijze tegenover de gebeurtenissen staat; deze staan niet op de voorgrond, maar zijn ondergeschikt gemaakt aan de registratie van een innerlijk proces, in uitzonderlijke omstandigheden. De directe vorm van uitdrukking is opzettelijk vermeden. Het is verwonderlijk dat dit werk van Koelewijn tot dusver zo weinig aandacht heeft getrokken en niet meer bekend is. Aan de andere kant kan men zich dit ook indenken. De lectuur vereist van de lezer concentratie, een langzaam en aandachtig lezen om zich eerst achteraf te kunnen realiseren hoe knap deze verhalen geschreven zijn. Koelewijn schrijft een soort micro-proza dat uit kleine uiterlijke en innerlijke observaties is opgebouwd; hij werkt met kleine pennestreken die eerst langzamerhand het beeld tevoorschijn brengen. Eerst als we de verhalen uit hebben, merken we hoe elk streepje bewust is neergezet en in een bepaalde relatie tot het andere staat; dan pas beseffen we hoe voortreffelijk gedoseerd de details zijn; hoe functioneel de herhalingen werken en hoe subtiel de overgangen zijn aangebracht. Wat ons in Koelewijn opvalt is zijn vakmanschap als schrijver. En dan te bedenken dat hij met deze verhalen gedebuteerd heeft. Het kan niet anders of hij moet zich tijdens of voor het schrijven rekenschap hebben gegeven van de functie van de taal als overdrachtsmiddel. Schrijven betekent voor Koelewijn niet alleen reproduceren; schrijven betekent voor hem ook het ingrijpen in een innerlijk proces: van spontaneïteit en bezinning, van inhouden en uitvieren; een proces dat ook in staat blijkt de ervaring te verruimen en een zuivering te bewerkstelligen. Als men over ‘zelfbevrijding’

[p. 439]

wil spreken, dan maken deze verhalen de indruk daartoe te hebben medegewerkt. Hoezeer overigens dit proces van wisselwerking tussen taal en ervaring alleen werken kan bij een verhoogde intensiteit blijkt wel hieruit dat de andere, niet-oorlogsverhalen uit dezelfde bundels, nergens de hoogte bereiken van de twee kampverhalen. Waarschijnlijk omdat de ‘bevrijdingsbehoefte’ hier minder dwingend was.

Daar is allereerst, in de bundel De ene dag en de andere, het portret van de Japanse tolk mr. Tamagashi, een portret waarvan we zeggen kunnen dat het uit een soort verzoening geschreven is. Tamagashi vertegenwoordigt niet de ‘Jappen’; hij is een individuele Japanner met menselijke trekken, een levend mens waar de schrijver zelfs een zekere sympathie voor voelt en waarvoor ongetwijfeld iemand model heeft gestaan. Het portret doet volkomen authentiek aan. Als deze veronderstelling juist is, kan Koelewijn hem hebben leren kennen in een aan- en afvoerkamp voor geallieerde krijgsgevangenen in een dorpje diep in het binnenland van Thailand, met een Engels kamp, een Hollands kamp en een klein Japans bewakingsdetachement. Tussen spoorwagens en vrachtauto's, tussen Japanse militairen en gevangenen beweegt zich Tamagashi, wat aarzelend en onzeker, los van zijn groep, zonder toegang te mogen en te kunnen krijgen tot de krijgsgevangenen die een zekere afstand blijven bewaren, juist door hun correct en beleefd optreden. Wat de verhouding tot zijn landgenoten betreft, daarvan zegt Koelewijn enige malen dat hij niet bij hen hoorde al was hij onontkoombaar met hen verbonden: ‘hij was onder hen geheel alleen.’ Hij is als tolk officier, maar hij staat buiten de troep. Zelfs de Japanse sergeant en de korporaal hebben meer gezag dan hij. Summier wordt zijn achtergrond aangeduid, bijna zonder het verhaal te onderbreken. Zijn vader is handelsman geweest met belangen in Amerika en heeft nu een belangrijke functie bij de voedselvoorziening; een modern man, tolerant tegenover de westerse begrippen die ook zijn wereld zijn binnengedrongen. Tamagashi zelf heeft enige jaren Engels gestudeerd. Hij leest Engelse litteratuur, vooral Engelse dichters en leent pocketbooks van de gevangenen. Het is zijn verlangen in Oxford te studeren om later leraar Engels te worden. Hij is geen handelsman zoals zijn vader en zijn broer; hij is een intellectueel die door het westen aangetrokken wordt; onzeker door zijn marginale positie, geïsoleerd van zijn groep, met als enig lichtpunt de herinnering aan zijn twee jaar

[p. 440]

oudere zuster die zijn leven richting heeft gegeven en die nu verpleegster is en onbereikbaar ver.

Als het verhaal begint is iedereen in afwachting van een transport gevangenen dat niet komt of te laat komt - niemand weet het, want de verbindingen zijn slecht. Voor Tamagashi is eigenlijk niets te doen. Hij kan wat op zijn slaapplaats liggen en lezen (Engels!). Hij staat op en beweegt zich wat rond in een soort niemandsland. Hij wil naar zijn landgenoten gaan, maar hij weet dat hij daar niemand zal vinden om mee te praten; hij weet ook dat men hem wantrouwt om zijn goede verhouding met de tegenpartij. Hij keert halverwege om, loopt langs het huisje waar hij ingekwartierd is en gaat dan haast als vanzelf naar het Engelse kamp met een vage illusie van contact. Hij wil met de dokter praten. Deze moet gehaald worden en overvalt hem dadelijk met een probleem. Hij vraagt hulp voor het vervoer van een zwaar zieke uit het Hollandse kamp. Zijn wens om de dokter terwille te zijn brengt hem in een verwarde en moeilijke situatie, die door een incident bijna hachelijk voor hem dreigt te worden, maar die goed afloopt. Er is eigenlijk niets gebeurd. Toch hebben de gebeurtenissen hem in een grote opwinding gebracht omdat ze hem zijn tweeslachtige positie ineens weer duidelijk hebben gemaakt. Zijn geestelijke labiliteit leidt tot een innerlijke paniek met koorts en duizelingen (‘malaria’, zegt de dokter). In zijn hallucinaties treden zijn onzekerheid en angst naar buiten, gemengd met gevoelens van schuld en verraad. Ze voltooien voor ons het beeld van een individuele vijand.

Aan het grotere verhaal ‘Niet meer aan denken’ ligt bijna vanzelfsprekend een persoonlijke oorlogservaring ten grondslag, maar het verhaal is niet geschreven in het notenschrift van de directe beleving. Koelewijn heeft zichzelf buiten zijn verhaal geplaatst en daarmee opzettelijk een afstand geschapen tussen hemzelf en de gebeurtenissen. Al blijven het zijn ervaringen, ze worden door een ander overgenomen en geregistreerd, door de Hollandse sergeant van het knil Johan van Rees, die beleeft wat Koelewijn zelf beleefd heeft, maar die toch een ander is, een figuur met een geheel andere achtergrond en met een andere ‘persoonsstructuur’. Opmerkelijk is bij nadere lezing dat deze Hollandse sergeant Van Rees iets gemeen blijkt te hebben met de Japanse tolk Tamagashi, want bij alle grote verschillen - ze hebben een geheel andere achtergrond en verkeren in geheel andere situaties -

[p. 441]

zijn ze beiden eenlingen die los van hun groep staan en moeilijk menselijk contact kunnen krijgen. Van Rees wordt met een kleine groep Nederlanders en een paar honderd Engelsen en Australiërs aangewezen voor een ‘draft’ naar het hoge binnenland van Thailand om een nieuw spoorwegtracé te leggen, dichtbij de Drie Pagoden-pas, op de grens van Thailand en Burma. Het transport gaat eerst per trein en later te voet. Van Rees verliest na enige tijd de verbinding met zijn groep; hij blijft achter en geraakt onder vreemden, onder Engelsen, met wie hij slechts enkele nietszeggende zinnen kan wisselen. Dit kan nauwelijks een toeval zijn. Maar op die tocht door schemerige bossen, door onbeschermde vlakten, langs kampen bezaaid met restanten van menselijk leven, met hier en daar langs het pad een witgebleekt skelet, maar ook langs kampen met weldoorvoede werkploegen, in een stromende regen of onder een brandende zon; op die tocht van enige dagen gebeurt er iets met Van Rees. Wat er met hem gebeurt laat Koelewijn hem zelf vertellen in een lange monoloog die de eigenlijke vorm van het verhaal is. Hijzelf geeft geen enkele aanwijzing; hij draagt de interpretatie op de lezer over die merkt dat er langzaam iets met Van Rees gebeurt, dat er iets in hem verschuift, dat er open plekken komen. Van Rees ervaart een nog nooit eerder gekend gevoel van menselijke solidariteit; hij doorbreekt zijn eigen grenzen. Het begint op de spoorbrug, met daaronder de gezwollen rivier en de greep van de Engelse captain die hem voor vallen behoedt. Dan dezelfde captain die 's nachts in het bos, terwijl het regent, naast hem gaat zitten en met hem gaat praten; het ontwaken met zijn hoofd tegen het lichaam van een ander en het horen van de hartslag van een medemens. Later als ze door een choleragebied komen, ziet Van Rees een van de gevangenen op de grond liggen en een golf water uitbraken. Hij weet wat dit betekent. Het is de captain. Hij wil eerst als de anderen doorlopen, maar blijft staan. Hij is een van de vier die achterblijven en die de captain begraven. Dan gaat de tocht voort met een zieke tussen hen in. De uitputting wordt steeds groter. Het lichaam beweegt nog, maar zonder wil; het denken is in een schemertoestand overgegaan, in dromen en hallucinaties met zelfs uittredingsverschijnselen waarin Van Rees zichzelf als een kleine jongen ziet die hij tevergeefs naar zich toe tracht te halen. Hij weet zeker dat dit het langverwachte einde zal betekenen. Maar als de plaats van bestemming bereikt is en Van Rees zich op de aarde heeft uitgestrekt,

[p. 442]

blijkt het einde weer te zijn uitgesteld. Wat er nu voor in de plaats komt is niet, zoals de vorige keren, ‘iets verachtelijks dat nauwelijks het noemen waard is’, maar een geheel nieuwe lichamelijke ervaring: een gevoel van uitvloeien, van ruimte, van wijdheid en diepe tevredenheid. ‘Het mocht nu wel komen vannacht. Hij had er zo lang op gewacht. Het was nu allemaal goedgemaakt, hele verre dingen van vroeger en andere dingen van kortgeleden. Het was allemaal goedgemaakt. Er kon niets meer gebeuren. Hij was tevreden...’

De kamplitteratuur is hiermee overigens lang niet uitgeput. De namen van de schrijvers of schrijfsters doen er niets meer toe, misschien wel de titels omdat deze op zichzelf onthullend zijn voor het peil van deze geschriften: De gele terreur, De gele mierenplaag, De gele hel, Als slaven in de Japanse mijnen (ondertitel). De lectuur van dit soort boeken is bijzonder ontmoedigend. Hoe komt het toch, vragen we ons onwillekeurig af, dat er maar zo weinigen zijn geweest die een adequate uitdrukking hebben gevonden voor ervaringen die toch een diep spoor moeten hebben getrokken? De meesten verliezen zich in een oeverloze detaillering of verslikken zich in hun eigen ontroering. Het is het gevaar dat alle oorlogs- en kamplitteratuur bedreigt, want wie na jaren in zijn oorlogsherinneringen gaat woelen, stoot onherroepelijk in een mierennest. Hij weet niet wat hij ontketent. Een schijnbare rust wordt plotseling verstoord en breekt naar buiten in een onstuitbare stroom van herinneringsbeelden die elkaar schijnen te vervolgen, die verbindingen zoeken en elkaar weer afstoten, tot in het oneindige toe, lijkt het wel. Elk detail gaat betekenis krijgen omdat het vervlochten is met het andere, het een schijnt zonder het andere niet te kunnen functioneren. Het enige lijkt ‘alles opschrijven’, maar dit leidt nergens toe, het onderscheid gaat verloren en voor de lezer treedt een monotonie in. De afstand tussen lezer en schrijver wordt erdoor vergroot. Een merkwaardige tegenstrijdigheid van belangen komt voor de dag die alleen kan worden opgeheven door een rigoureuze ingreep en een geheel nieuwe ordening achteraf. De meeste kamplitteratuur is daar niet aan toegekomen. De ervaringen blijken te overweldigend, ze zijn te lang weggestopt en lopen telkens uit de hand. Ook na dertig jaar of meer.

Exemplarisch voor dit verschijnsel is het in 1974 uitgekomen boek De ring van Takoe'ang door Ies van Bel, van wie we zelfs niet weten of hij wel zo heet en of hij zich niet achter een van de hoofdfiguren, de

[p. 443]

kwartiermeester ‘Van Dalen’ verstopt heeft. In zijn inleiding doet hij nogal onduidelijk over wat waarheid of fictie is, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat erom of Ies van Bel van het leven tijdens de Japanse bezetting, onder de Dajaks in de jungle van Borneo, een boek heeft weten te maken dat zich volgens het omslag als een ‘spannende avonturenroman’ laat lezen. Dit is helaas niet het geval. Juist uit boeken als dit blijkt het dilemma van de lezer die tot zijn spijt een rijkdom aan materiaal verloren ziet gaan in wijdlopigheid, karakteristiek voor mensen als Ies van Bel. Ze hebben er geen idee van wat schrijven eigenlijk is en wat eraan vastzit aan concentratie, beperking, zelfdiscipline enzovoorts. Ze praten maar door. En dat is jammer.

Twee recente boeken, die eveneens over de ervaringen tijdens de Japanse bezetting gaan, moeten hier genoemd worden, omdat ze toch tot het betere genre behoren, al vertonen ze dezelfde fouten. Allereerst Je kunt niet altijd huilen (1975) en Mammie ik ga dood (1976) van respectievelijk Annemie Mac Gillavry en Margaretha Ferguson. Het zijn nogal larmoyante titels, maar de inhoud valt erg mee. Geen van beide schrijfsters gaat in klaagzangen over of vervalt in diep zelfbeklag, al is het bij Annemie Mac Gillavry weleens op het randje af.

Annemie Mac Gillavry (geb. 1908) was voor de oorlog een ‘njonja besar’, een ‘grote mevrouw’, als Hollandse gehuwd in een bekende Indische familie van planters en fabrikanten. Het is duidelijk dat het leven haar ruimte gaf en dat het allure bezat, een oud-Indische allure waar ze op voortreffelijke wijze begrip voor had en op ingespeeld was. De eerste dertig bladzijden van het boek gaan over het leven van vóór de oorlog dat zich bijna als een idylle voordoet en dat misschien ook ten dele was, in tegenstelling tot de gruwelijke ervaringen daarna. Wat zij met haar beide kinderen in de gevangenis en daarna in de bersiap-periode doormaakt, klinkt bijna ongelooflijk en toch zijn de gebeurtenissen authentiek. Haar boek bevat bladzijde na bladzijde, zin na zin een minutieuze beschrijving van het ondergane leed en de onnoemelijke ellende, de honger, de wanhoop, de apathie en de stervensangst. We horen een stem vertellen - op zichzelf een teken van kwaliteit - maar het is een stem die steeds maar doorgaat en doorpraat, die zonder onderscheid het ene detail op het andere laat volgen. We kunnen er begrip voor hebben, omdat het háár erom gaat de her-belevenis zo volledig mogelijk te doen zijn, maar toch werkt dit op de duur voor de lezer

[p. 444]

vermoeiend. Dat het schrijven over deze jaren Annemie Mac Gillavry van een obsessie heeft moeten verlossen, is duidelijk. Ze zegt het zelf, dat ze aan een postconcentratiekampsyndroom lijdt, compleet met de egofixatie als begeleidend verschijnsel. En al zegt ze het niet, ze moet haar boek geschreven hebben als een door anderen of zichzelf opgelegde therapie. Maar als proza is het dichtgeschreven. Het zou dwaasheid zijn te beweren dat het als document humain niet werkt, integendeel, het maakt indruk, maar niet om haar talenten als schrijfster, wel om de schokkende gebeurtenissen zelf. Zodra ze schrijfster wil zijn (en dat wil ze soms ook), kan ze zinnen neerschrijven die uit een damesblad zijn weggelopen. Dat is vervelend, al blijven ze gelukkig beperkt.

Over het boek van Margaretha Ferguson behoeven we minder te zeggen na wat in het algemeen over kamplitteratuur al gezegd is. Het is geen verslag achteraf, zoals dat van Annemie Mac Gillavry en de meeste andere kampboeken, maar het authentieke, hoogstens wat bijgewerkte, dagboek van de schrijfster over haar oorlogservaringen binnen en buiten de kampen, met de allesoverheersende angst, voor haar pasgeboren kind en zichzelf, de oorlog niet te overleven. Als het een dagboek is, moeten we het ook als dagboek lezen, dat wil zeggen als een direct verslag van dagelijkse gebeurtenissen, gevoelens en gedachten. Eén eigenschap valt onmiddellijk in Margaretha Ferguson op: haar oprechtheid, haar durf zich te uiten zoals ze dat doet, zonder terughouding, en toch is de afstand tussen haar en de lezer te groot. Het is alles te veel, te lang en te compact. De lezer betrapt zich er telkens op dat zijn aandacht wordt afgeleid. Wel geven de beschouwingen, al dan niet naar aanleiding van haar lectuur, aan haar dagboek een zekere afwisseling, aan de andere kant houden ze de gang van het ‘verhaal’ tegen. Hoe we ook over deze beschouwingen zelf mogen denken - ze was toen nog maar even over de twintig - en over hun plaats in het boek, ze hebben voor de schrijfster een functie gehad als bescherming en als vlucht uit de dagelijkse gore sfeer, ze zijn voor haar middel geweest om zich staande te houden.

Toen Paula Gomes (geb. te Djakarta in 1932) in 1974 een reis door Indonesië maakte, was ze er voor het eerst weer terug na bijna dertig jaar. Ze was er geboren en opgegroeid. Haar vader was een Hollander, haar moeder een Indische, haar grootmoeder een Indonesische. Indonesië was háár land, maar ze was er als kind uit verdreven door de In-

[p. 445]

donesiërs. Zo voelde ze het, al had ze in Holland de gebeurtenissen beter leren begrijpen. Nu keerde ze terug in afwachting van haar eigen gevoelens. Het bleek nog altijd haar land, met dezelfde vriendelijke mensen van vóór de oorlog. De vijandschap was ineens verdwenen. Dat was misschien wel het onbegrijpelijkste van alles. De bersiap was voorgoed voorbij, leek het, en ook de angst. In werkelijkheid was ze natuurlijk altijd aanwezig geweest in de herinnering, meestal sluimerend, maar het weerzien woelde alles weer los: de dagen bij de Kempetai (de Japanse Gestapo), het kamp en de dood van haar moeder, en het afschuwelijkste van alles: de razernij van de revolutie, een uitbarsting van haat en wreedheid en het ondraaglijk gevoel van vijandschap.

Paula Gomes noemde haar boek met een zekere gelatenheid Sudah, laat maar (1975). Ze had al een keer van Indonesië afscheid genomen, voorgoed, dacht ze, toen ze als veertienjarig meisje uit een levensgevaarlijke situatie wist te vluchten en naar Holland getransporteerd werd, alleen, zonder ouders. Ze zou bijna dertig jaar later nog een keer van Indonesië afscheid nemen aan het einde van haar reis in de figuur van de oude hotelbediende: ‘Ik nam mijn reistas op. Ook toen ik al op de galerij stond, keek ik weer om, door het raam, naar het bruine, doorgroefde gezicht. Ja, sudah, laat maar. De goden hadden het zo gewild. Ik moest weer vertrekken. Indonesië was onafhankelijk geworden en ik had mijn huis in Holland.’ Er zit iets tragisch en onoplosbaars in haar situatie, zoals ook in die van duizenden Indische Nederlanders. De titel geeft een houding weer: het moet maar gaan zoals het gaat. Als je zover gekomen bent, dan ook geen tranen meer, geen gezeur. Je moet je pantseren. Dan ga je ook, al schrijvende, je beperken, dan ga je indampen en dan heb je ook niet zo veel woorden nodig. Niet meer dan op honderd bladzijden gaan.