Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 579]

Aantekeningen voor verdere studie en lectuur

Inleiding

De Inleiding is een bekorting en omwerking van een toespraak gehouden op het elfde congres van neerlandici op 28 april 1960, afgedrukt in het maandblad Tirade, nr. 42/43, juli/augustus 1960, blz. 205. De eerste zin is met een kleine variatie ontleend aan de bekende openings-regel van Van Vollenhovens standaardwerk over Het adatrecht van Nederlandsch-Indië (1918). - De aantekeningen van G.P. Rouffaer (1860-1928), die voor deze inleiding werden geraadpleegd, bevinden zich in de handschriften-collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Voor de kennis van de Indische verhoudingen tussen 1880 en 1890 zijn ze van groot belang, in het bijzonder Rouffaers reisaantekeningen en zijn inleiding bij een (onvoltooide) studie over Multatuli. - Het citaat van W.L. Ritter over het proces van acculturatie waaraan elke Europeaan onderworpen wordt, is ontleend aan een zeldzaam boekje De Europeaan in Nederlandsch-Indië (1856). In de observaties van Ritter ligt de sleutel voor het ontstaan van een specifiek Indische letterkunde. - Voor een overzicht hiervan zijn we bijna uitsluitend aangewezen op het werk Java in onze kunst (1931) van prof. Brom dat overigens in vele opzichten verouderd is. Alles wat daarvóór aan overzichten en beschouwingen verschenen is in de vorm van tijdschriftartikelen, voordrachten enzovoorts - van Johan Koning, L.J.M. Feber, Hans van de Wall, prof. G. Gonggrijp en anderen - is van te weinig betekenis. Hun kennis van de stof was onvoldoende en hun oordeel oppervlakkig. Nog enigszins bruikbaar is de bijdrage van Johan Koning ‘Nederlandsch-Indië in de literatuur’ in De Indische Gids van 1921, deel i, blz. 117, maar ook hier maakt de keuze van schrijvers en boeken de indruk van volstrekt toevallig te zijn.

[p. 580]

Hetzelfde geldt voor het artikel in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel ii, blz. 597. Prof. Brom maakte in 1930 op uitnodiging van de Bond van Nederlandsch-Indische Kunstkringen een reis door Java. Zijn boek dat reeds een jaar later verscheen, is de eerste serieuze poging geweest de gehele stof te overzien en te rangschikken. Brom heeft pioniersarbeid verricht en veel ongebruikt materiaal doorgewerkt. Hij schrijft bovendien zeer leesbaar, zij het in een soms al te gewild geestige stijl maar nu, ruim veertig jaar later, voldoet zijn boek niet meer, noch als naslagwerk - omdat het teveel halve en hele onjuistheden bevat - noch als leesboek omdat zijn benadering uitgaat van een aantal estetische en morele uitgangspunten die nu allang niet meer relevant zijn. We hebben bovendien te bedenken dat Java in onze kunst in 1930 en 1931 werd geschreven en dat de litteraire bedrijvigheid die juist enige jaren later begon, vanzelfsprekend buiten het bestek van zijn boek valt. Brom heeft deze herleving ook niet voorzien, integendeel, hij zag geen perspectieven voor de toekomst. Du Perron heeft in een opstel ‘Java in onze letteren’ in De Gids van 1933, deel iv, blz. 335 (herdrukt in De smalle mens en het Verzameld werk, deel ii, blz. 621, onder de gewijzigde titel ‘Oost-Indische opbrengst’) zijn gereserveerde waardering voor Broms werk uitgesproken, uit erkentelijkheid waarschijnlijk voor Broms oordeel over Multatuli en Daum. En wat was er in die tijd trouwens anders en beters? Na Brom zijn er in tijdschriften en gedenkboeken nog enkele artikelen over de Indisch-Nederlandse letterkunde geschreven en ook verschillende detailstudies, maar ze zijn of in dit handboek verwerkt of er zal in de tekst naar verwezen worden. Een bibliografie van Indische romans, verhalen, gedichten, toneelstukken, dagboeken, brieven, mémoires, reisbeschrijvingen en jeugdlectuur, voorzover deze in boekvorm verschenen zijn, werd samengesteld door Dorothée Buur met als titel Persoonlijke documenten (1973), een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. - Als we de letterkunde niet als een geïsoleerde categorie wensen te zien, is het van belang kennis te nemen van het werk van mevrouw J. de Loos-Haaxman, Verlaat rapport Indië; drie eeuwen westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren (1968); de catalogus van tekeningen, prenten, schilderijen enzovoorts uit de collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden door J.H. Maronier, getiteld Pictures of the tropics

[p. 581]

(1967) en het fotoboek Tempo doeloe; fotografische documenten uit het oude Indië (1961), samengesteld en toegelicht door E. Breton de Nijs. Ook kan men nog raadplegen: Hein Buitenweg, Soos en samenleving in tempo doeloe [1966]. - Bloemlezingen uit de Indische letterkunde werden samengesteld door S. Kalff, Oost-Indisch landjuweel (1902); door E. du Perron, De muze van Jan Companjie (1939, tweede druk 1948, het eerste deel van een meerdelig werk dat door de dood van Du Perron niet kon worden voortgezet); door R. Nieuwenhuys, Van roddelpraat en litteratuur (1965) en Bij het scheiden van de markt (1960, 1965). Ze zijn thans vervangen door een vierdelige bloemlezing in de Salamander-reeks: Het laatje niet los en Om nooit te vergeten (vanaf 1935 tot heden); Wie verre reizen doet ... (vanaf de Compagniestijd tot 1870) en In de schommelstoel (van 1870 tot 1935). De eerste deeltjes verschenen in 1974, de beide laatste in 1975. - Voor enig begrip van de historische gebeurtenissen die de achtergrond vormen van de Nederlandse letterkunde uit Indonesië is het wenselijk ook de staatkundige en economische geschiedenis in grote lijnen te kennen. Men kan daarvoor in de eerste plaats de grote Geschiedenis van Nederlandsch-Indië raadplegen, in het bijzonder deel iii (1939) voor de zeventiende eeuw door dr. F.W. Stapel; deel iv (1939) voor de achttiende eeuw door prof. dr. E.C. Godée Molsbergen en deel v (1940) voor de negentiende eeuw door dr. F.W. Stapel. Het laatste deel ‘De moderne tijd en zijn uitingen’ is nooit meer verschenen. Men kan ook volstaan met de beknopte, tweede herziene druk van Stapels Geschiedenis van Nederlandsch-Indië (1943) in de Nederlandsche Historische Bibliotheek of met de nog beknopter schooleditie die echter zeldzaam geworden is. Natuurlijk bestaan er nog andere geschiedenisboeken zoals de driedelige Koloniale geschiedenis (1925-1926) van prof. dr. H.T. Colenbrander of de Geschiedenis van Indonesië (1949) van dr. H.J. de Graaf of de ‘revised edition’ van dr. B.H.M. Vlekke's Nusantara, a history of Indonesia (1959). Speciaal voor de economische geschiedenis: prof. dr. G. Gonggrijp, Schets ener economische geschiedenis van Nederlands-Indië (vierde druk, 1957). Bij al deze ‘geschiedenissen van Nederlandsch-Indië’ moet men echter bedenken dat de meeste vanuit liberaal en/of nationaal-Nederlands standpunt geschreven zijn. Voor de hedendaagse historicus zijn tegen de wijze van geschiedschrijving verschillende bezwaren aan te voeren, voor de lezers van dit litteratuurboek die zich

[p. 582]

eenvoudig van jaartallen, feiten en gebeurtenissen op de hoogte willen stellen, gelden deze bezwaren in veel geringere mate. - Moderner van opzet dan de voorafgaande boeken is D.G.E. Hall, A history of South-East Asia dat de Indonesische geschiedenis in het kader van de Oost-Aziatische plaatst (eerste druk 1955, doch verschillende malen herdrukt), maar dat voor zover dit Indonesië betreft, veel minder informatie geeft. - Onontbeerlijk voor verdere studie is prof. dr. W. Ph. Coolhaas' beredeneerde bibliografie A critical survey of studies on Dutch colonial history (1960) uitgegeven in de Bibliographical Series van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Evenmin zal men de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië kunnen missen (tweede herziene druk, vier delen en vier delen Supplement, 1917-1939). - Een bron van informatie op grond van archiefonderzoek, vooral van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, is dr. F. de Haans indrukwekkende werk Priangan (vier delen, 1910-1912), dat veel meer geeft dan de titel aanduidt, en diens Oud Batavia (twee delen, 1922) met platenatlas (tweede herziene druk, 1935). De Haan was Landsarchivaris te Batavia.