Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

II. Doorbraak van nieuwe ideeën

1. Willem en Dirk van Hogendorp: vader en zoon

Over ‘Willem van Hogendorps Indische jaren’ schreef Du Perron in het Bataviaasch Nieuwsblad van 12 augustus 1939. Dit artikel werd in 1946 in het Indies memorandum opgenomen. Uitvoeriger is Een lettré uit de 18de eeuw: Willem van Hogendorp; brieven en verzen uit het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage (1940), afzonderlijk uitgegeven en later herdrukt in het Verzameld Werk, deel vii. - Over Dirk van Hogendorp bestaat een biografie van J.A. Sillem, Dirk van Hogendorp (1890). In 1938 verscheen - naar de woorden van Du Perron - ‘een voddig boekje met de franse slag in elkaar geprutst door een onbevoegde hand.’ Die onbevoegde hand was die van Pierre Mélon en het boekje is getiteld Le général Hogendorp. Beter is Paul van 't Veer, ‘De geschiedenis van een geweten’, opgenomen in de bundel Geen blad voor de mond (1958), blz. 16, al bevat dit opstel enige onnauwkeurigheden. Op archiefonderzoek berust een artikel ‘Dirk van Hogendorp; Van regent tot radicaal’ door H.G. Surie in De Groene van 24 december

[p. 589]

1966. Van de daarin gepubliceerde nieuwe gegevens is hier gebruik gemaakt. Over Dirk van Hogendorps Kraspoekol leze men S. Kalff, ‘Een oud-Indisch tooneelspel’, in de bundel Uit Oud en Nieuw Oostindië (1894). Ook C. Steinmetz schreef een (nooit gepubliceerd) artikel bestemd voor Cultureel Indië. Een drukproef wordt bewaard op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Over de eerste en enige voorstelling van Kraspoekol kan men bij Du Perron lezen, maar uitvoeriger bij Paul van 't Veer in het tijdschrift Indonesië, jaargang 8, 1955, blz. 59. Onafhankelijk van Du Perron werd de tekst van Carleton over de opvoering ook ontdekt door John Bastin in de bibliotheek van het India Office te Londen. Ze blijkt te vinden in een inleiding van Carleton bij een (gedeeltelijke vertaling) van Dirk van Hogendorps bekende politieke geschrift Berigt van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indien en den handel op dezelve (1799); de vertaling is van 1801. Het artikel van John Bastin, waarin hij naar aanleiding van zijn ontdekking de controverse tussen Dirk en zijn grote politieke tegenstander S.C. Nederburgh bespreekt en daarop een andere en vollediger visie geeft dan De Haan in Priangan, staat in Indonesië, jaargang 7, 1953/1954, blz. 80. De Mémoires van Dirk werden in 1887 door zijn kleinzoon D.C.A. van Hogendorp uitgegeven. De eveneens in het Frans geschreven briefwisseling tussen Dirk en Gijsbert Karel gaf mevrouw E. du Perron-de Roos uit in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, deel 102, 1943, blz. 125. Over het nogal desolate einde van Dirks loopbaan, op een eenzame plantage in Brazilië, leze men de inleiding bij de genoemde Mémoires van een zekere Campbell. Deze citeert daarin de wereldreiziger M. Jacques Arago die Dirk toevallig op diens plantage ontmoette. Op het Algemeen Rijksarchief bevinden zich talrijke papieren die Dirk van Hogendorp betreffen, waaronder een dagboek dat Dirk in Novo Sion bijhield. Er zijn ook brieven van Dirk aan een ongenoemde vriend vanuit Brazilië geschreven, 17 mei 1821. Zie hiervoor M.P.H. Roessingh, Guide to the sources in the Netherlands for the history of Latin America, 1968, blz. 114. De Mémoires zelf gaan namelijk niet verder dan 1815 en Dirk stierf in oktober 1822. Het schilderij in generaalsuniform van de Duitse schilder C. Suhr, is thans in het bezit van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Daar hangt ook een kleiner schilderstuk van een onbekende schilder, voor-

[p. 590]

stellende ‘Novo Sion’, de povere woning van Dirk van Hogendorp met op de achtergrond de berg Corcovado. Men ziet hem opzij van het huis zitten; zelfs Dirks trouwe bediende Singa is niet vergeten. Voor beide schilderijen zie men de door J.H. Maronier samengestelde catalogus van tekeningen, schilderijen, enzovoorts, in het bezit van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, getiteld Pictures of the tropics (1967), blz. 72 en 77. Er is ook een ongetekend artikel over ‘De woning van Dirk van Hogendorp in Brazilië’ in de Bijdragen, deel 79, 1923, blz. 642. Het blijkt door prof. C. van Vollenhoven geschreven te zijn (zie diens Verspreide geschriften, deel iii, 1935, blz. 732).

2. De tijd van Van der Capellen

Een Levensschets van G.A.G.P. baron van der Capellen van Berkenwoude werd kort na diens dood geschreven door L.E. Bosch (1849). Daarin staan verschillende biografische gegevens. Het levensverhaal loopt overigens uit op een verheerlijking van de persoon van Van der Capellen (‘Zijn enigste fout was, dat hij te goed was’). In 1863 verscheen van J.A. Spengler een proefschrift over De Nederlandsche Oost-Indische Bezittingen onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal G.A.G.P. Baron van der Capellen, 1819-1825 (‘Wij kunnen dit overzicht niet eindigen zonder eraan te herinneren hoe gunstig het bestuur van den man afstak bij dat zijner opvolgers’). Een nieuw proefschrift over het door Van der Capellen gevoerde bestuur door Th. Stevens is in voorbereiding. - Over de Europese maatschappij aan het eind van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw staat vrij veel in Priangan van De Haan, maar zoals gebruikelijk bij hem, zijn de gegevens over het hele boek verspreid. Men leze ook het boeiende en tegelijk amusante artikel van De Haan over ‘De laatste der Mardijkers’ in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, deel 73, 1917, blz. 219. Het betreft hier overigens een bijzonder aspect van die samenleving. Stavorinus had in zijn Reize van Zeeland naar Semarang, Macasser, Amboina, Suratte enz. nogal wat kritiek op de samenleving (zie vooral het tweede deel, blz. 278-281). Johannes Olivier is veel uitvoeriger en veel scherper in zijn Aanteekeningen gehouden op eene reize in Oost-Indië. Het boek verscheen in 1827, maar

[p. 591]

zijn beschouwingen over de Europeanen betreffen een situatie van omstreeks 1820. Men zie ook het hoofdstuk ‘Levenswijze, zeden en gewoonten te Batavia, in vroeger jaren’ in Batavia in 1858 (1860), geschreven door A.P.W. Weitzel. - Over het toneelleven, of liever over de malaise in het toneelleven uit dezelfde tijd, komt een en ander voor in een breedvoerig artikel van mr. N.P. van den Berg, ‘Het toneel te Batavia in vroegeren tijd’ (van de zeventiende eeuw af tot het midden van de negentiende) in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, deel xxvi, 1881, blz. 313, later opgenomen in de bundel Uit de dagen der Compagnie (1904). - Gegevens over de culturele activiteiten van Raffles en Van der Capellen kan men onder meer vinden in een artikel van dr. W.R. van Hoëvell in het Tijdschrift voor Neêrland's Indië, 1839, deel ii, blz. 1, getiteld ‘Geschiedkundig overzicht van de beoefening van kunsten en wetenschappen in Neêrland's Indië’ (ook afzonderlijk uitgegeven). - Over het Bataviaasch Genootschap kan men behalve het gedenkboek van 1878 door T.H. der Kinderen over de eerste honderd jaar, een uitvoerig artikel lezen van prof. P.J. Veth getiteld ‘Het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen’ in De Gids van 1857, deel i, blz. 217, 356, 687 en deel ii, blz. 375. Du Perron schreef over de ‘Eerste dagen van het Bataviaasch Genootschap’ in zijn Indies memorandum (1946), later opgenomen in het Verzameld werk, deel vii, blz. 179. - Het rapport waarin Van der Capellen schrijft desnoods het odium te willen dragen van ‘ultra anti-liberaal’, is het bekende kolonisatierapport van 17 juli 1822. Daar zijn ook de andere citaten aan ontleend. Het is volledig afgedrukt in de Utrechtse dissertatie van S.J. Ottow met een titel die overigens misverstand kan wekken: De oorsprong der conservatieve richting (1937). - Behalve in de Bataviasche Courant van 7 en 14 augustus 1824, zou Multatuli de bekende proclamatie van Van der Capellen ook gelezen kunnen hebben in Verschillende reizen en lotgevallen (1830-1832) van S. Roorda van Eysinga, uitgegeven door zijn zoon Ph. P. Roorda van Eysinga, in het tweede deel, blz. 178. Maar óók - en dit is het meest waarschijnlijke - in het Tijdschrift voor Neêrland's Indië van 1845, deel ii, blz. 438. In 1943 is dezelfde proclamatie nog een keer uitgegeven in een verzamelwerk Indië schrijft zijn eigen geschiedenis, blz. 171, uitgegeven door Stapel en anderen. Over de reis van Van der Capellen naar de Molukken bestaat een hele litteratuur. Het journaal van Van

[p. 592]

der Capellen over zijn Molukse reis werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, 1855, deel ii, blz. 281 en 357. - De schrijver die de periode van Van der Capellen ‘de gouden eeuw van het letterkundig leven in Indië’ noemde, was dr. W.R. van Hoëvell in zijn reeds eerder genoemde artikel ‘Geschiedkundig overzicht’ enz. in het Tijdschrift voor Neêrland's Indië van 1839. - De kritiek van Olivier op de leefwijze en het gedrag der Europeanen vindt men op verschillende plaatsen in zijn boeken. Het uitvoerigst is hij in zijn reeds eerder genoemde Aanteekeningen gehouden op eene reize in Oost-Indië (1827), speciaal in de eerste veertig bladzijden, maar ook in zijn groter driedelig werk Land- en zeetogten in Nederland's Indië (1827-1830). Het citaat in de tekst is ontleend aan dit laatste werk, deel i, blz. 155-156. Een groot fragment van het betreffende stuk uit de Aanteekeningen enz. (en hier is Olivier op z'n best) is opgenomen door Rob Nieuwenhuys in Wie verre reizen doet ... (1975). - C.S.W. van Hogendorp Beschouwing der Nederlandsche bezittingen in Oost-Indië verscheen in 1833 te Amsterdam. De vertaling was van Johannes Olivier. Het oorspronkelijke werk Coup d'oeil sur l'île de Java enz. is van 1830. Bij de vertaling zijn twee inleidingen: één van de vertaler en één van Van Hogendorp zelf. Beiden verdedigen daarin met kracht de politiek van Van der Capellen. De biografische gegevens over Johannes Olivier Jz. zijn gedeeltelijk ontleend aan een boekje dat hij voor de jeugd schreef. Het heet Elviro's reis naar en door Java en de Molukkos [1835]. In het begin vertelt hij iets over Elviro's jeugd, en Elviro - een letteromzetting van Olivier - is hij natuurlijk zelf. Olivier verklaart in de inleiding bovendien uitdrukkelijk dat wat hij schrijft ‘louter waarheid’ bevat. Voor enkele andere gegevens is enig speurwerk verricht op het Algemeen Rijksarchief. In de handschriften-collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde bevindt zich een omslag met stukken over Olivier die o.m. zijn schorsing betreffen als secretaris van Palembang in 1822/1823. - Olivier heeft veel geschreven, vaak om den brode. Dat hij daarbij in herhalingen trad, was onvermijdelijk. Een lijst van de door hem geschreven werken treffen we aan in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel v, kolom 395/396. Zijn beschouwingen over de verhouding van de Europese ambtenaar tot de bevolking en vooral hoe deze zou moeten zijn, vinden we in het laatste hoofdstuk van het derde deel van zijn Land- en zeetogten:

[p. 593]

‘Eenige gedachten over de betrekkingen van Europesche ambtenaren en officieren ten aanzien der Inlandsche bevolking’. We kunnen dit slotstuk beschouwen als zijn politieke geloofsbelijdenis. - Een levensschets van J.I. van Sevenhoven staat in de Handelingen en geschriften van het Indisch Genootschap, 1856, blz. 280. - Over Ph. P. Roorda van Eysinga kan men het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel x, kolom 834 en de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië deel iii, blz. 636 raadplegen. Er is een levensbericht over Roorda in de Handelingen en Geschriften van het Indisch Genootschap, 1859, blz. 402 en nog een in de Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, 1857, blz. 9. Men leze ook het artikel van Prof. W.F. Wertheim ‘Doopceel van de dichter van de Vloekzang’ in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, deel 116, 1960, in het bijzonder de bladzijden 458-478. Voor het eerst is hier de familieverwantschap tussen Ph. P. Roorda van Eysinga en S.E.W. Roorda van Eysinga uit de doeken gedaan. De lange citaten die Wertheim geeft zijn alle karakteristiek voor de denkbeelden van Ph. P. Roorda. Wertheim komt ook over Roorda's latere werk te spreken en wijst op diens Handboek der Land- en Volkenkunde (1841-1850) waaruit een voor die tijd afwijkende mening naar voren komt ten aanzien van de verspreiding van het christendom op Java: ‘... dat voorzichtigheid en wijsheid vorderen geen poging aan te wenden om van Javanen christenen te maken voordat men kan vaststellen dat die pogingen niet tot hun verderf, maar tot hun geluk zullen strekken.’ Een typisch ethisch standpunt dat de predikantszoon een zelfoverwinning moet hebben gekost. - Over C.S.W. van Hogendorp bestaat: een ‘levensschets’ door J.P. Cornets de Groot in de Handelingen en geschriften van het Indisch Genootschap, 1857, blz. 194; een opstel van S. Kalff, ‘Een Gouverneur-Generaal ad interim’ in de bundel Voorbij de linie, 1901, blz. 127 en een van Du Perron in deel vii, blz. 239 van het Verzameld werk. - Over G.H. Nagel vindt men gegevens in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel iv, kolom 1017/1018. Wat uitvoeriger is Du Perron in zijn aantekeningen bestemd voor zijn onuitgegeven bloemlezing Van Kraspoekol tot Saïdjah. Deze zijn echter niet in het Verzameld werk opgenomen. Ze zijn wel in handschrift aanwezig op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde.